wetzoeker

Alcoholbesluit

Besluit van 3 juni 2021, houdende regels ter uitvoering van de Alcoholwet

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2026
Rechtsgebied
Levensmiddelenrecht, Ondernemingspraktijk
Ministerie
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
BWB-id
BWBR0045211
Versie
2026-01-01_0
SHA-256 bron
91c9ab668225601dd2822d375a8c05f1e1486220f3705b064412bc3aed858367

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (39)
  1. Artikel 1.1
  2. Artikel 2.1
  3. Artikel 2.2
  4. Artikel 3.1
  5. Artikel 3.2
  6. Artikel 3.3
  7. Artikel 3.4
  8. Artikel 3.5
  9. Artikel 3.6
  10. Artikel 4.1
  11. Artikel 4.1a
  12. Artikel 4.2
  13. Artikel 5.1
  14. Artikel 5.2
  15. Artikel 6.1
  16. Artikel 7.1
  17. Artikel 7.2
  18. Artikel 7.3
  19. Artikel 8.1
  20. Artikel 8.2
  21. Artikel 8.3
  22. Artikel 8.4
  23. Artikel 8.5
  24. Artikel 8.6
  25. Artikel 8.7
  26. Artikel 9.1
  27. Artikel 9.2
  28. Artikel 9.3
  29. Bijlage I — als bedoeld in de artikelen 7.1, 7.2 en 7.3
  30. Eindterm 1: — Sociale Hygiëne
  31. Eindterm 2: — Grenzen stellen aan gedrag
  32. Eindterm 3: — Gespreksvaardigheden
  33. Eindterm 4: — Risicogedrag bij regelhandhaving
  34. Eindterm 5: — Gespreksmodellen
  35. Eindterm 6: — Alcohol
  36. Eindterm 7: — Drugs
  37. Eindterm 8: — Tabak
  38. Eindterm 9: — Gokken
  39. Eindterm 10: — Veiligheidsvoorzieningen

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In dit besluit en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– verkoper op afstand: degene die alcoholhoudende drank verstrekt in het kader van verkoop op afstand;

– wet: Alcoholwet.

Hoofdstuk 2 — Omschrijving slijtersbedrijf

Artikel 2.1

Als handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder slijtersbedrijf, van de wet worden aangewezen: het bedrijfsmatig aan particulieren verkopen van drinkglaswerk, schenkmandjes, kurkentrekkers, wijnrekjes, afsluitmiddelen voor flessen, koolzuurflessen, koolzuurcapsules, wijnkoelers, shakers, draagtassen, koelboxen en -tassen, onderzetters, papieren servetten, cocktailprikkers, schenkkurken, alsmede van voorlichtingsmaterialen over wijn, cocktails, longdrinks en borrelhapjes en van andere dergelijke voorlichtingsmaterialen, een en ander voor zover die verkoop geen overwegend bestanddeel van de bedrijfsuitoefening in de inrichting uitmaakt.

Hoofdstuk 2 — Omschrijving slijtersbedrijf

Artikel 2.2

Als handeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder slijtersbedrijf, van de wet, wordt eveneens aangewezen het bedrijfsmatig verhuren van biertapinstallaties, glaswerk en party-meubilair, een en ander voor zover die verhuur geen overwegend bestanddeel van de bedrijfsuitoefening in de inrichting uitmaakt.

Hoofdstuk 3 — Eisen zedelijk gedrag leidinggevende

Artikel 3.1

1 Een leidinggevende voldoet aan de in dit hoofdstuk gestelde eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag.

2 Met de eisen ter zake van het zedelijk gedrag als bedoeld in dit besluit worden gelijkgesteld de eisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een niveau van zedelijk gedrag waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Hoofdstuk 3 — Eisen zedelijk gedrag leidinggevende

Artikel 3.2

Een leidinggevende is niet met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld.

Hoofdstuk 3 — Eisen zedelijk gedrag leidinggevende

Artikel 3.3

1 Een leidinggevende is niet binnen de laatste vijf jaar wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden door de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten.

2 Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten.

3 Met een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke vrijheidsstraf.

4 De periode van vijf jaar, genoemd in het eerste lid, wordt:

a. bij de weigering van een vergunning of weigering van een wijziging van het aanhangsel teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning of op de aanvraag tot wijziging van het aanhangsel;

b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

Hoofdstuk 3 — Eisen zedelijk gedrag leidinggevende

Artikel 3.4

1 Onverminderd artikel 3.3, is een leidinggevende niet binnen de laatste vijf jaar bij meer dan één uitspraak onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,– of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a, van het Wetboek van Strafrecht wegens dan wel mede wegens overtreding van:

a. bepalingen gesteld bij of krachtens de wet en de Opiumwet;

b. bepalingen gesteld bij of krachtens de Wet op de accijns en de Algemene douanewet, voor zover het betreft alcoholhoudende dranken;

c. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 151f, 252, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

d. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j° artikel 8 of artikel 6 j° artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

e. de artikelen 1, eerste lid, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

f. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

g. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

2 Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ter zake van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, tenzij de geldsom € 375,– of minder bedraagt.

3 Met een veroordeling tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,– of meer als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf.

4 Artikel 3.3, vierde lid, is van toepassing.

5 De bedragen, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, worden elke twee jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij ministeriële regeling, aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige aanpassing van deze bedragen. Bij deze aanpassing wordt het geldbedrag op een veelvoud van € 5,– naar beneden afgerond.

Hoofdstuk 3 — Eisen zedelijk gedrag leidinggevende

Artikel 3.5

1 Een leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de wet of die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet of van artikel 174 Gemeentewet of van een op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

2 Artikel 3.3, vierde lid, is van toepassing.

Hoofdstuk 3 — Eisen zedelijk gedrag leidinggevende

Artikel 3.6

Voor de berekening van de laatste vijf jaar, bedoeld in artikel 3.3, 3.4 en 3.5, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

Hoofstuk 4 — Sociale hygiëne

Artikel 4.1

1 Onder sociale hygiëne wordt verstaan, kennis en inzicht met betrekking tot:

a. de invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank en van het gebruik van alcoholhoudende drank in combinatie met het gebruik van soft- en harddrugs op het menselijk lichaam en de menselijke geest;

b. de invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank in combinatie met bepaalde geneesmiddelen;

c. alcoholmisbruik, alcoholafhankelijkheid en de sociale gevolgen daarvan;

d. het gebruik van speelautomaten als bedoeld in de Wet op de kansspelen en de daaraan verbonden risico's van gokverslaving;

e. de wet- en andere regelgeving die verband houdt met alcoholhoudende drank;

f. binnen de branche geldende codes voor alcoholhoudende dranken;

g. de technische, bouwkundige en ruimtelijke voorzieningen van de inrichting;

h. de verschillende bedrijfsformules en gedragskenmerken van de verschillende doelgroepen.

2 De eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, zijn nader uitgewerkt in de in bijlage II te behalen eindtermen.

Hoofstuk 4 — Sociale hygiëne

Artikel 4.1a

Een diploma wordt door de Landelijke commissie sociale hygiëne erkend als bewijsstuk indien het diploma in ieder geval voldoet aan de in bijlage II vastgestelde eindtermen.

Hoofstuk 4 — Sociale hygiëne

Artikel 4.2

Leidinggevenden beschikken over de kennis en het inzicht nodig om hun bedrijfsvoering af te stemmen op hun doelgroepen en het bedrijf te exploiteren met inachtneming van de bijzondere maatschappelijke verantwoordelijkheid die zij hebben.

Hoofdstuk 5 — Verkoop op afstand

Artikel 5.1

Een leeftijdsverificatiesysteem als bedoeld in artikel 20a, eerste lid, onderdeel a, van de wet:

a. stelt bij iedere aankoop, voor het sluiten van de verkoopovereenkomst, vast dat de koper de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;

b. vereist van de koper een actieve handeling, teneinde de leeftijd vast te kunnen stellen op de wijze bedoeld in onderdeel a; en

c. vermeldt bij iedere aankoop van alcoholhoudende drank, voor het sluiten van de verkoopovereenkomst, dat de leeftijd van de persoon aan wie de alcoholhoudende drank wordt geleverd, ook vastgesteld wordt op het moment van bezorging.

Hoofdstuk 5 — Verkoop op afstand

Artikel 5.2

1 Een geborgde werkwijze als bedoeld in artikel 20a, eerste lid, onderdeel b, van de wet bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop:

a. de verkoper op afstand er zorg voor draagt dat bij iedere eventuele overdracht van alcoholhoudende drank tussen ketenpartijen en bij de overdracht naar de koper, geborgd is dat de leeftijd van de persoon aan wie de alcoholhoudende drank wordt afgeleverd op het moment van aflevering wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de wet;

b. de verkoper op afstand er zorg voor draagt dat de alcoholhoudende drank slechts op het adres van de geadresseerde of bij een distributiepunt wordt afgeleverd;

c. de verkoper op afstand er zorg voor draagt dat de actuele geborgde werkwijze bekend en inzichtelijk is voor degenen die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de verkoper; en

d. de verkoper op afstand ten minste eens per jaar een onderzoek verricht naar de uitvoering van de bij en krachtens artikel 20a, eerste lid, onderdeel b, van de wet, voor hem geldende verplichtingen en eventueel geconstateerde tekortkomingen corrigeert.

2 De beschrijving van de geborgde werkwijze is op elk moment actueel.

Hoofdstuk 6 — Proeverijen in slijtlokaliteiten

Artikel 6.1

1 Een proeverij als bedoeld in artikel 25e van de wet voldoet aan de volgende eisen:

a. in een slijtlokaliteit wordt maximaal één proeverij per dag gegeven en maximaal drie proeverijen per week;

b. de kosten voor deelname aan een proeverij zijn voor aanvang van de proeverij door een leidinggevende van het slijtersbedrijf vastgesteld;

c. de deelnemers van een proeverij zijn voor aanvang van de proeverij bekend bij een leidinggevende van het slijtersbedrijf; en

d. de deur van de slijtlokaliteit is gedurende een proeverij gesloten voor publiek anders dan de deelnemers aan de proeverij.

2 Tijdens een proeverij is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende en alcoholvrije drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, met uitzondering van alcoholhoudende en alcoholvrije drank die in het kader van die proeverij is verstrekt voor gebruik ter plaatse aan de deelnemers van de proeverij.

Hoofdstuk 7 — Bestuurlijke boete

Artikel 7.1

Als bijlage als bedoeld in artikel 44b, eerste lid, van de wet wordt vastgesteld de bij dit besluit behorende bijlage I.

Hoofdstuk 7 — Bestuurlijke boete

Artikel 7.2

1 Voor in de bijlage I omschreven overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de wet, bepaalt het in de kolommen I en II opgenomen bedrag de bestuurlijke boete die opgelegd kan worden.

2 Het bedrag van de op te leggen boete wordt elke twee jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij ministeriele regeling aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige aanpassing van dit bedrag. Bij deze aanpassing wordt dit bedrag op een veelvoud van € 5 naar beneden afgerond.

Hoofdstuk 7 — Bestuurlijke boete

Artikel 7.3

1 Het in kolom I van de bijlage I genoemde bedrag geldt voor de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op de dag waarop de overtreding is begaan minder dan vijftig werknemers telde.

2 Het in kolom II van de bijlage I genoemde bedrag geldt voor de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op de dag waarop de overtreding is begaan vijftig of meer werknemers telde.

3 Het in de kolommen I en II opgenomen bedrag van de bestuurlijke boete wordt met 50% verhoogd, indien aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend, door de burgemeester of Onze Minister een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van hetzelfde artikel van de wet en er nog geen twaalf maanden zijn verlopen sinds die eerdere bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.

4 Het in de kolommen I en II opgenomen bedrag van de bestuurlijke boete wordt met 100% verhoogd, indien aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend, door de burgemeester of Onze Minister tweemaal of vaker een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van hetzelfde artikel van de wet en er nog geen twaalf maanden zijn verlopen sinds de eerste van die bestuurlijke boetes onherroepelijk is geworden.

Hoofdstuk 8 — Overige bepalingen

Artikel 8.1

1 Als categorie van personen als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, wordt aangewezen: personen die onmiddellijk leidinggeven.

2 Als categorie van horecabedrijven of slijtersbedrijven als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, wordt aangewezen: horecabedrijven.

Hoofdstuk 8 — Overige bepalingen

Artikel 8.2

Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Hoofdstuk 8 — Overige bepalingen

Artikel 8.3

Wijzigt het Besluit politiegegevens.

Hoofdstuk 8 — Overige bepalingen

Artikel 8.4

Wijzigt het Speelautomatenbesluit 2000.

Hoofdstuk 8 — Overige bepalingen

Artikel 8.5

Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000.

Hoofdstuk 8 — Overige bepalingen

Artikel 8.6

Wijzigt het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Hoofdstuk 8 — Overige bepalingen

Artikel 8.7

Wijzigt het Bouwbesluit 2012.

Hoofdstuk 9 — Slotbepalingen

Artikel 9.1

De volgende besluiten worden ingetrokken:

a. het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet;

b. het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf;

c. het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999;

d. het Besluit kennis en inzicht sociale hygiëne Drank- en Horecawet;

e. het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet.

Hoofdstuk 9 — Slotbepalingen

Artikel 9.2

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2021.

Hoofdstuk 9 — Slotbepalingen

Artikel 9.3

Dit besluit wordt aangehaald als: Alcoholbesluit.

Bijlage I — als bedoeld in de artikelen 7.1, 7.2 en 7.3

Bijlage I — als bedoeld in de artikelen 7.1, 7.2 en 7.3

Overtreding | Boetebedrag (€)

I | II

Categorie A Artikel 3 (als de vergunning nog niet is verleend) Artikel 4, vijfde lid Artikel 9, derde lid Artikel 9, vierde lid Artikel 20, derde lid Artikel 29, derde lid Artikel 35, vierde lid | 780per 1 januari 2026: 830 | 1565per 1 januari 2026: 1665

Categorie B Artikel 4, eerste lid Artikel 12, eerste lid Artikel 12, tweede lid Artikel 14, eerste lid Artikel 14, tweede lid Artikel 14a Artikel 15, eerste lid Artikel 15, tweede lid Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18, derde lid Artikel 19, eerste lid Artikel 19, tweede lid Artikel 24, eerste lid Artikel 24, tweede lid Artikel 24, derde lid Artikel 25a, eerste lid Artikel 25b, eerste lid Artikel 25c, eerste lid Artikel 25d, eerste lid Artikel 35, tweede lid | 1175per 1 januari 2026: 1250 | 2350per 1 januari 2026: 2505

Categorie C Artikel 2, tweede lid Artikel 2a, eerste lid Artikel 2a, tweede lid Artikel 3 (als de vergunning niet is aangevraagd of is geweigerd) Artikel 13, eerste lid Artikel 13, tweede lid Artikel 18, eerste lid Artikel 20, eerste lid Artikel 20, tweede lid Artikel 20a, derde lid Artikel 20a, vierde lid Artikel 22, eerste lid, onder a Artikel 22, eerste lid, onder b Artikel 22, eerste lid, onder c Artikel 22, tweede lid, onder a Artikel 22, tweede lid, onder b Artikel 25, eerste lid, onder a Artikel 25, eerste lid, onder b Artikel 25, tweede lid Artikel 25, derde lid Artikel 25e Artikel 25f, tweede lid, onder a Artikel 25f, tweede lid, onder c Artikel 25g Artikel 38 | 1565per 1 januari 2026: 1665 | 3135per 1 januari 2026: 3345

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 1: — Sociale Hygiëne

Eindterm 1: — Sociale Hygiëne

Exameneis

1.1 De kandidaat heeft kennis over de Alcoholwet en andere regelgeving die verband houdt met alcohol en de introductie van sociale hygiëne.

1.2 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het begrip sociale hygiëne en weet wat onder sociaal gedrag verstaan wordt.

1.3 De kandidaat heeft kennis over de eisen die de Alcoholregelgeving stelt aan leidinggevenden, zoals:

• wat onder leidinggevende wordt verstaan;

• aan welke wettelijke eisen een leidinggevende moet voldoen.

1.4 De kandidaat heeft kennis over de eisen die het Alcoholbesluit (artikel 4.1 en 4.2) stelt aan leidinggevenden.

1.5 De kandidaat heeft kennis over de verschillende doelgroepen die voorkomen in de markt, de gedragskenmerken van deze doelgroepen en kan voorzieningen treffen gericht op een specifieke doelgroep.

1.6 De kandidaat heeft kennis en inzicht in verschillende bedrijfsformules en gastvrijheidsformules en de invloed, die deze formules kunnen hebben op de werving, dan wel wering van bepaalde doelgroepen.

1.7 De kandidaat heeft kennis over hoe hij een sociaal-hygiënisch beleid kan opstellen en heeft inzicht hoe die gerealiseerd kan worden.

1.8 De kandidaat heeft kennis over relevante wetsartikelen van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals:

• veiligheid, gezondheid en welzijn;

• voorlichting, instructie, toezicht en werkoverleg.

De kandidaat heeft inzicht in:

• hoe hij de voorlichting en instructie vormgeeft;

• toezicht houdt op naleving van de instructies;

• het voeren van werkoverleg;

• de verantwoordelijkheid die de Arbeidsomstandighedenwet stelt aan werknemers en werkgevers.

1.9 De kandidaat kan een omschrijving geven van de slijters-/wijnhandelsmarkt en de op deze slijters-/wijnhandelsmarkt voorkomende aanbieders.

Formules die de kandidaat dient te onderscheiden zijn:

• slijterijketens;

• zelfstandige slijters/franchisegever;

• levensmiddelenhandel;

• speciaalzaken in gedistilleerd/bier/wijn.

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 2: — Grenzen stellen aan gedrag

Eindterm 2: — Grenzen stellen aan gedrag

Exameneis

2.1 De kandidaat heeft kennis over regels en huisregels opstellen.

2.2 De kandidaat heeft kennis en inzicht over het handhaven van (wettelijke) regels en huisregels, zoals:

• controleren;

• corrigeren;

• sanctioneren.

2.3 De kandidaat heeft kennis over het deurbeleid en de wettelijk geaccepteerde selectiecriteria.

2.4 De kandidaat heeft kennis en inzicht over het effectief samenwerken met andere partijen, zoals de gemeente, de politie, collega-ondernemers en handhavers van de Alcoholregelgeving.

2.5 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het voorkomen van en omgaan met huisvredebreuk.

2.6 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het voorkomen en omgaan met discriminatie.

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 3: — Gespreksvaardigheden

Eindterm 3: — Gespreksvaardigheden

Exameneis

3.1 De kandidaat heeft kennis over onderdelen van de communicatietheorie, zoals:

• informatie uitwisselen;

• inhoud en betrekking;

• contact maken.

3.2 De kandidaat heeft inzicht in het communicatieproces en het herkennen van positieve en negatieve invloeden op het communicatieproces.

3.3 De kandidaat heeft inzicht in de effecten van goede en gebrekkige gastgerichtheid.

3.4 De kandidaat heeft kennis over samenwerking met collega’s bij (dreigende) conflicten met gasten, zoals:

• assistentie vragen;

• overnemen;

• scheiden van partijen.

3.5 De kandidaat heeft inzicht in wanneer en hoe de samenwerking met collega’s bij (dreigende) conflicten met gasten wordt uitgevoerd.

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 4: — Risicogedrag bij regelhandhaving

Eindterm 4: — Risicogedrag bij regelhandhaving

Exameneis

4.1 De kandidaat heeft kennis van diverse soorten risicogedrag van gasten, zoals:

• tegenwerkend gedrag;

• agressie en geweld;

• groepsgedrag;

• criminaliteit.

4.2 De kandidaat heeft inzicht in de verschillende oorzaken van risicogedrag en de wijze waarop hij daarmee omgaat.

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 5: — Gespreksmodellen

Eindterm 5: — Gespreksmodellen

Exameneis

5.1 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van gesprekstechnieken ten behoeve van «Nee verkopen».

5.2 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van gesprekstechnieken ten behoeve van «Openlijke regelovertreding».

5.3 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van gesprekstechnieken ten behoeve van «Verborgen regelovertreding».

5.4 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van gesprekstechnieken ten behoeve van «Agressie en geweld».

5.5 De kandidaat heeft kennis en inzicht in het kunnen toepassen van gesprekstechnieken ten behoeve van «Omgaan met klachten».

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 6: — Alcohol

Eindterm 6: — Alcohol

Exameneis

6.1 De kandidaat heeft kennis over alcohol, zoals:

• informatie over alcohol (de stof);

• het bloedalcoholgehalte (Bag);

• de effecten van alcohol op lichaam en geest;

• verantwoord alcohol gebruik;

• alcoholmisbruik;

• de Alcoholregelgeving;

• de Wegenverkeerswet;

• het Wetboek van Strafrecht;

• alcoholgebruik in combinatie met drugs of geneesmiddelen;

• de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken.

6.2 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij verantwoord alcoholgebruik kan bevorderen en alcoholmisbruik kan voorkomen of beperken.

6.3 De kandidaat heeft inzicht hoe hij de Alcoholregelgeving effectief kan handhaven.

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 7: — Drugs

Eindterm 7: — Drugs

Exameneis

7.1 De kandidaat heeft kennis over drugs, zoals:

• informatie over softdrugs en diverse soorten harddrugs (de stof) en de effecten van drugs op lichaam en geest;

• wijze waarop drugs gebruikt worden;

• de Opiumwet en het gedoogbeleid.

7.2 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij drugsgebruik en drugshandel kan voorkomen.

7.3 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij de Opiumwet effectief kan handhaven.

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 8: — Tabak

Eindterm 8: — Tabak

Exameneis

8.1 De kandidaat heeft kennis over tabak, zoals:

• informatie over tabak (de stof) en de effecten van tabak op lichaam en geest;

• de Tabaks- en rookwarenregelgeving;

8.2 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij de Tabaks- en rookwarenregelgeving effectief kan handhaven.

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 9: — Gokken

Eindterm 9: — Gokken

Exameneis

9.1 De kandidaat heeft kennis over gokken, zoals:

• informatie over kansspelautomaten als spel en de effecten van problematisch gokken op lichaam en geest;

• de Wet op de kansspelen.

9.2 De kandidaat heeft inzicht in hoe problematisch gokgedrag te herkennen en aan te pakken.

9.3 De kandidaat heeft inzicht in hoe hij de Wet op de kansspelen effectief kan handhaven.

Bijlage II — als bedoeld in artikel 4.1 › Eindterm 10: — Veiligheidsvoorzieningen

Eindterm 10: — Veiligheidsvoorzieningen

Exameneis

10.1 De kandidaat heeft kennis over de bouwkundige eisen, voortvloeiend uit de Alcoholregelgeving en het Bouwbesluit en aanverwante regelgeving, zoals:

• de hoogte van de lokaliteiten;

• de ventilatie en voorzieningen.

10.2 De kandidaat heeft kennis over de noodzaak van ruimtelijke voorzieningen, zoals:

• doorzicht;

• verlichting.

10.3 De kandidaat heeft inzicht in het adequaat gebruik maken van de ruimtelijke voorzieningen.

10.4 De kandidaat heeft kennis over de eisen die gesteld worden aan technische voorzieningen in een horecabedrijf, zoals:

• kluizen;

• camerasystemen;

• alarmsystemen;

• controlesystemen.

10.5 De kandidaat heeft inzicht in het adequaat gebruik maken van de technische voorzieningen.

10.6 De kandidaat heeft kennis over brandveiligheid, zoals:

• een omgevingsvergunning;

• het ontstaan van brand en de oorzaken van brand;

• verplichting en taken van bedrijfshulpverlening.

10.7 De kandidaat heeft inzicht in het adequaat uitvoeren van brandalarm en het toepassen van brandcontroles.

10.8 De kandidaat heeft inzicht in de wijze waarop persoonlijke voorzieningen adequaat worden ingezet bij toezicht en controle van de veiligheid, zoals:

• nachtportiers;

• horecaportiers.