wetzoeker

Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 11 maart 2020, nr. WJZ/ 20030806, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het voorjaar van 2020 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020)

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2022
Rechtsgebied
Ondernemingspraktijk
Ministerie
Economische Zaken en Klimaat
BWB-id
BWBR0043270
Versie
2022-01-01_0
SHA-256 bron
89a1c1bdebdc44212f12e94c59b51459aeb9a43373178b36d1f21d59f92b0085

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (64)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37
  38. Artikel 38
  39. Artikel 39
  40. Artikel 40
  41. Artikel 41
  42. Artikel 42
  43. Artikel 43
  44. Artikel 44
  45. Artikel 45
  46. Artikel 46
  47. Artikel 47
  48. Artikel 48
  49. Artikel 49
  50. Artikel 50
  51. Artikel 51
  52. Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020
  53. Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie
  54. Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie
  55. Artikel 3 — Vrijval van de garantie
  56. Artikel 4 — Boetes
  57. Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst
  58. Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen
  59. Artikel 7 — Rechtskeuze
  60. Artikel 8 — Citeertitel
  61. Model bankgarantie
  62. Bijlage 2 — Behorende bij de artikelen 8 en 10 van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 (deel 1)
  63. Bijlage 2 — Behorende bij de artikelen 8 en 10 van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 (deel 2)
  64. Bijlage 2 — Behorende bij de artikelen 8 en 10 van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 (deel 3)

§ 1 — Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

– algemene uitvoeringsregeling: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie;

– allesvergisting: biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van de nummers 400, 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;

– beschermingszone: beschermingszone als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

– besluit: Besluit stimulering duurzame energieproductie;

– biosyngas: mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;

– doublet: combinatie van twee naast elkaar liggende diepboringen die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;

– gebouw: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet niet zijnde een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 2a van het Bouwbesluit;

– zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2: harde zeewering en zachte zeewering van Maasvlakte 2 als bedoeld in bijlage 1 van de concessie aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te Rotterdam, bij Koninklijk Besluit van 23 mei 2008, nr. 08.001524;

– hernieuwbaar gas hub: verzameling van productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas waarvoor voor de invoeding van het hernieuwbaar gas op een gasnet gezamenlijk een of meerdere aansluitingen worden gebruikt, waarmee gezamenlijk hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die nuttig wordt gebruikt of waarmee gezamenlijk hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd die op een elektriciteitsnet of installatie wordt ingevoed;

– hernieuwbare warmte: nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit;

– ketel: installatie waarin brandstof wordt verstookt waarbij de verbrandingswarmte met behulp van een warmtewisselaar wordt overgedragen aan een vloeistof;

– Minister: Minister van Economische Zaken en Klimaat;

– netto P50-waarde vollasturen: aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;

– nominaal elektrisch rendement: quotiënt van het nominaal elektrisch vermogen en:

a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor; en

b. het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;

– nominaal vermogen: maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas en wat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik. In het geval van geothermische productie-installaties dient het nominaal vermogen te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;

– NTA 8003: 2017: Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2017;

– primaire waterkering: primaire waterkering als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

– richtlijn (EU) 2018/2001: Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);

– stadsverwarming: warmtelevering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, waarbij de warmte door een producent wordt geleverd ten behoeve van ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen van gebouwen;

– thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa: omzetting van vaste of vloeibare biomassa door middel van:

a. verbranding;

b. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of

c. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;

– valhoogte: verschil in waterpeil voor en achter de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van waterkracht waarbij het nominaal vermogen wordt benut;

– monomestvergisting: biologische afbraakreacties van uitsluitend vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren;

– voorliggende waterkering: voorliggende waterkering als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

– waterstaatswerk: waterstaatswerk als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 2

1 Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte op grond van de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 16, 18, eerste lid, 20, 22, eerste lid, 24, eerste lid, 26, 28, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, die wordt aangevraagd in de periode van 17 maart 2020, 09:00 uur, tot 2 april 2020, 17:00 uur, bedraagt € 4.000.000.000.

2 De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

3 Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.

4 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indien geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie kan worden overgelegd met gebruikmaking van het middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld of indien geen gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht ten aanzien van de beoogde locatie voor het plaatsen van de productie-installatie kan worden overgelegd.

5 Een subsidie als bedoeld in het eerste lid van meer dan € 400.000.000,– wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van deze beschikking een uitvoeringsovereenkomst overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in bijlage 1 tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger en onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen vier weken na afgifte van de beschikking heeft aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.

6 Het vijfde lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.

7 Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het vijfde lid de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 48 van het besluit, van de beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt nog niet zijn aangevangen bij elkaar opgeteld.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 3

1 Productie-installaties als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit.

2 Productie-installaties als bedoeld in artikel 32, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.

3 Productie-installaties als bedoeld in artikel 26, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit.

4 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, onderdeel c, 16, 18, eerste lid, 20, 26, onderdelen b en c, 28, 30, eerste lid en 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.

5 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, en 12, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

6 Productie-installaties als bedoeld in artikel 14, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt en dat bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid van het besluit, geldt dat de productie wordt verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.

7 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, 20 en 22, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

8 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, 20 en 22, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit.

9 Productie-installaties als bedoeld in de artikel 28 en artikel 30, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zevende lid van het besluit.

10 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, 26, 28, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

11 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 28, onderdelen b, d en f, 30, eerste lid, onderdeel b, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit.

12 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 16, en 28, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.1 — Waterkracht

Artikel 4

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door middel van hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:

a. in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter;

b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter; of

c. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.1 — Waterkracht

Artikel 5

1 Subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 4, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose

Artikel 6

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose

Artikel 7

1 Subsidie als bedoeld in artikel 6 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 6, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose

Artikel 8

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 10 of 12, die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2018, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

a. ≥ 8,0 m/s;

b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

d. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

e. < 6,75 m/s.

2 De productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3 Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose

Artikel 9

1 Subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.3 — Wind op waterkering

Artikel 10

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, dan wel in de harde zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2, en die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2018, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

a. ≥ 8,0 m/s;

b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

d. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

e. < 6,75 m/s.

2 Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.3 — Wind op waterkering

Artikel 11

1 Subsidie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.4 — Wind in meer

Artikel 12

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, en waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat.

2 Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.4 — Wind in meer

Artikel 13

1 Subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.5 — Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 14

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A:

a. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp;

b. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht;

c. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen niet of niet volledig zijn aangebracht op of aan een gebouw; of

d. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen niet zijn aangebracht op of aan een gebouw en automatisch met de stand van de zon meebewegen middels een zonvolgsysteem.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.5 — Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 15

1 Subsidie als bedoeld in artikel 14 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, binnen 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel b, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdelen c en d, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

5 Op aanvragen van een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, is artikel 3, eerste en tweede lid, van de Algemene uitvoeringsregeling duurzame energieproductie niet van toepassing.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.1 — Biomassavergisting

Artikel 16

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:

a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.1 — Biomassavergisting

Artikel 17

1 Subsidie als bedoeld in artikel 16 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.2 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 18

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering en waarbij ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie van biogas nieuw zijn.

2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

3 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

4 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.2 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 19

1 Subsidie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 18, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.3 — Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting

Artikel 20

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.3 — Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting

Artikel 21

1 Subsidie als bedoeld in artikel 20, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 20, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.4 — Biomassavergassing

Artikel 22

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, door middel van vergassing.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.4 — Biomassavergassing

Artikel 23

1 Subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 22, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.1 — Zonthermie voor warmte

Artikel 24

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van kassen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een totaal thermisch vermogen:

a. groter dan of gelijk aan 140 kWth en kleiner dan 1 MWth; of

b. groter dan of gelijk aan 1 MWth.

2 Het vermogen in kWth van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door de apertuuroppervlakte in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.

3 Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZ-subsidies subsidie is verstrekt.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.1 — Zonthermie voor warmte

Artikel 25

1 Subsidie als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 24, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.2 — Geothermie voor warmte

Artikel 26

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:

a. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter;

b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van ten minste 500 meter;

c. een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a, of b, waarvoor op het moment van aanvragen reeds een subsidie is verleend op grond van het besluit, die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put met een diepte van ten minste 500 meter;

d. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 4.000 meter.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.2 — Geothermie voor warmte

Artikel 27

1 Subsidie als bedoeld in artikel 26 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 26, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.3 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 28

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:

a. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

b. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

c. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

d. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

e. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

f. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.3 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 29

1 Subsidie als bedoeld in artikel 28 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 28, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.4 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 30

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering:

a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn;

b. waarmee hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn.

2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

3 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

4 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.4 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 31

1 Subsidie als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 30, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.5 — Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 32

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa, als bedoeld in de nummers 512, 514, 517, 518, 543, 545, 550 tot en met 579, 587, 594, 595 en 800 tot en met 809 van de NTA 8003: 2017, met een brander in een ketel.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.5 — Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 33

1 Subsidie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.6 — Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 34

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en kleiner dan 5 MWth waarbij ten minste de ketel nieuw is.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.6 — Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 35

1 Subsidie als bedoeld in artikel 34, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.7 — Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 36

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:

a. ten hoogste 4.500 vollasturen per jaar bedraagt;

b. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt;

c. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt;

d. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt;

e. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt;

f. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt;

g. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt;

h. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of

i. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.7 — Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 37

1 Subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 36, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.8 — Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 38

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van B-Hout als bedoeld in nummers 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.8 — Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 39

1 Subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 38, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.9 — Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor stadsverwarming

Artikel 40

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 10 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is waarin:

a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt;

c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder a en b.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, levert de warmte uitsluitend aan een stadsverwarmingsnet.

4 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.9 — Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor stadsverwarming

Artikel 41

1 Subsidie als bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.10 — Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 42

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte of hernieuwbare elektriciteit en warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin:

a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage, als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt;

c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder a en b.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.’

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.10 — Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 43

1 Subsidie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 42, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.11 — Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 44

1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MWth waarin:

a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt;

c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder a en b.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.11 — Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 45

1 Subsidie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 4 — Fasebedragen

Artikel 46

1 Voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel wordt:

a. de periode waarbinnen de aanvragen binnen moeten zijn vastgesteld van de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase, de derde fase sluit op 2 april 2020, 17:00 uur;

b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 43a, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

c. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de vierde kolom genoemde bedrag.

1 | 2 | 3 | 4

fase | datum openstelling | fasebedrag in euro/kWh | fasebedrag hernieuwbaar gas in euro/kWh

1 | 17 maart 2020, 9:00 uur | 0,070 | 0,049

2 | 23 maart 2020, 17:00 uur | 0,080 | 0,056

3 | 30 maart 2020, 17:00 uur | 0,130 | 0,092

2 In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 24, eerste lid, 26, 28, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in drie decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.

3 In afwijking van de fasebedragen genoemd in de vierde kolom van de tabel in het eerste lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, 20, en 22, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in drie decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag, genoemd in de vierde kolom van de tabel in het eerste lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.

4 Voor de vergelijking van de fasebedragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van het besluit bedraagt het fasebedrag voor de productie van hernieuwbaar gas het fasebedrag gedeeld door een correctiefactor van 0,706 en afgerond op drie decimalen, tenzij het fasebedrag gelijk is aan het fasebedrag in de vierde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel, in welk geval het fasebedrag van de derde kolom geldt.

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.1 — Hernieuwbare elektriciteit

Artikel 47

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag;

b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2020 vastgesteld op:

1°. voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basiselektriciteitsprijs in euro/kWh | Voorlopig correctiebedrag 2020 in euro/kWh

Artikel 4, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm waaronder vrije stroming en golfenergie | 0,130 | 3.700 | 0,035 | 0,049

Artikel 4, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,130 | 5.700 | 0,035 | 0,049

Artikel 4, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,097 | 2.600 | 0,035 | 0,049

Artikel 6 | Osmose | 0,130 | 8.000 | 0,035 | 0,049

Artikel 8, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,0 m/s | 0,042 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 8, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,045 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 8, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,048 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 8, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,052 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 8, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,056 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 10, eerste lid, onderdeel a | Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 m/s | 0,046 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 10, eerste lid, onderdeel b | Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,049 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 10, eerste lid, onderdeel c | Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,052 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 10, eerste lid, onderdeel d | Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,057 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 10, eerste lid, onderdeel e | Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s | 0,061 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 12, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,059 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043

Artikel 14, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,085 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047

Niet netlevering: 0,060 | Niet netlevering: 0,078

Artikel 14, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden systeem | 0,079 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047

Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069

Artikel 14, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, niet gebouwgebonden systeem | 0,074 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047

Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069

Artikel 14, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend niet gebouwgebonden systeem | 0,074 | 1.045 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047

Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.2 — Hernieuwbaar gas

Artikel 48

1 Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2020 vastgesteld op:

1°. voor wat betreft de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in eur/kWh | Vollasturen | Basisenergie-prijs in eur/kWh | Voorlopig correctiebedrag 2020 in eur/kWh

Artikel 16, onderdeel a | Allesvergisting | 0,064 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 16, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW | 0,068 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 16, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW | 0,088 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 18, eerste lid | Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties | 0,042 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 20 | Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting | 0,030 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 22, eerste lid | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,073 | 7.500 | 0,016 | 0,020

2 Het basisbedrag wordt voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, van het besluit, voor een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, 20, en 22, eerste lid, vastgesteld op het in de derde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde bedrag, gedeeld door een correctiefactor van 0,706 en afgerond op drie decimalen.

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

Artikel 49

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. de basisenergie- of basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, of artikel 45, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2020 vastgesteld op:

1°. voor wat betreft de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, of 47, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, of 47, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basisenergie-prijs in euro/kWh | Voorlopig correctiebedrag 2020 in euro/kWh

Artikel 24, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW | 0,095 | 600 | 0,030 | 0,035

Artikel 24, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MW | 0,080 | 600 | 0,023 | 0,028

Artikel 26, onderdelen a en b | Geothermie warmte, diepte ≥ 500 meter | 0,043 | 6.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 26, onderdeel c | Geothermie warmte aanvullende put, diepte ≥ 500 meter | 0,031 | 6.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 26, onderdeel d | Geothermie warmte, diepte ≥ 4.000 meter | 0,065 | 7.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 28,onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,060 | 7.000 | 0,023 | 0,028

Artikel 28,onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,067 | 7.622 | 0,029 | 0,038

Artikel 28,onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,062 | 7.000 | 0,023 | 0,028

Artikel 28, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,074 | 7.353 | 0,029 | 0,039

Artikel 28, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,098 | 7.000 | 0,023 | 0,028

Artikel 28, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,121 | 6.374 | 0,049 | 0,063

Artikel 30, eerste lid, onderdeel a | Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties, warmte | 0,029 | 7.000 | 0,023 | 0,028

Artikel 30, eerste lid, onderdeel b | Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties, gecombineerde opwekking | 0,044 | 5.729 | 0,033 | 0,047

Artikel 32, eerste lid | Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,069 | 7.000 | 0,023 | 0,028

Artikel 34, eerste lid | Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,050 | 3.000 | 0,023 | 0,028

Artikel 36, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,047 | 4.500 | 0,016 | 0,020

Artikel 36, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,046 | 5.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 36, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,046 | 5.500 | 0,016 | 0,020

Artikel 36, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,045 | 6.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 36, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,045 | 6.500 | 0,016 | 0,020

Artikel 36, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,044 | 7.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 36, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,044 | 7.500 | 0,016 | 0,020

Artikel 36, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,044 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 36, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,044 | 8.500 | 0,016 | 0,020

Artikel 38, eerste lid | Grote ketel op B-hout voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,027 | 7.500 | 0,016 | 0,020

Artikel 40, eerste lid | Ketel stadsverwarming op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,066 | 6.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 42, eerste lid | Stoomketel op houtpellets, warmte en gecombineerde opwekking | 0,064 | 8.500 | 0,016 | 0,020

Artikel 44, eerste lid | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking | 0,052 | 3.000 | 0,021 | 0,025

§ 6 — Slotbepalingen

Artikel 50

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

§ 6 — Slotbepalingen

Artikel 51

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020.

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020

Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020

1. De Staat der Nederlanden, (hierna te noemen: de Staat), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat; en

2. ............, gevestigd te..... (hierna te noemen: Ondernemer);

.....

(hierna te samen ook te noemen: Partijen);

overwegen:

a. de Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft blijkens een beschikking met kenmerk....., hierna te noemen Beschikking, waarvan een kopie als Bijlage A bij deze overeenkomst is gevoegd aan de Ondernemer een subsidie verleend van meer dan € 400 miljoen op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 (hierna: Regeling).

b. de Beschikking bevat de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van de beschikking de onderhavige uitvoeringsovereenkomst, hierna te noemen Uitvoeringsovereenkomst, tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger;

c. de Minister van Economische Zaken en Klimaat beoogt door middel van deze Uitvoeringsovereenkomst te verzekeren dat de Ondernemer de productie-installatie bedoeld in de Beschikking tijdig in gebruik zal nemen.

Partijen komen daartoe het volgende overeen:

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 61 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie

Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie

De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken nadat de Beschikking is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot 2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33 en 49 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model bankgarantie.

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Artikel 3 — Vrijval van de garantie

Artikel 3 — Vrijval van de garantie

1. De verplichting de in artikel 2 bedoelde bankgarantie te blijven stellen vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. De Ondernemer ontvangt een kopie van het bericht van verval.

2. Zodra de verplichting geheel is vervallen zal de Staat de bankgarantie retourneren aan de Ondernemer.

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Artikel 4 — Boetes

Artikel 4 — Boetes

1. Indien de Ondernemer de productie-installatie niet binnen de in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete een bedrag verschuldigd groot 0,2% van het beschikte bedrag enkel door het verloop van die termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het tijdig in gebruik nemen van de productie-installatie is de Ondernemer maandelijks een boete van telkens 0,2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33 en 49 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, verschuldigd voor zover hij de productie-installatie op de eerste van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.

3. De boetes bedoeld in het eerste en tweede lid, waarvan de som ten hoogste 2% van het beschikte bedrag bedraagt, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

4. De Ondernemer machtigt bij deze de Staat onherroepelijk tot het innen van de boetes door het inroepen van de bankgarantie voor het bedrag van de boete, telkens wanneer er een boete verschuldigd is geworden.

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

1. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de Partijen met dien verstande dat de inwerkingtreding wordt opgeschort totdat de Beschikking in werking is getreden en de Staat de Ondernemer daarvan schriftelijk bericht heeft gestuurd.

2. Deze Uitvoeringsovereenkomst eindigt van rechtswege door de teruggave van de bankgarantie door de Staat aan de Ondernemer.

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen

Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen

1. De Staat kiest voor uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst domicilie ten kantore van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Hanzelaan 310, 8017 JK Zwolle.

2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze uitvoeringsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.

3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan blijven zonder rechtsgevolg.

4. De Staat is bevoegd eenzijdig van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Artikel 7 — Rechtskeuze

Artikel 7 — Rechtskeuze

1. Op deze Uitvoeringsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

2. Alle geschillen in verband met deze uitvoeringsovereenkomst of met afspraken die daarmee samenhangen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag.

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Artikel 8 — Citeertitel

Artikel 8 — Citeertitel

Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie Staat/.....’.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend te.....

Ondernemer

te ’s-Gravenhage op.....

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Bijlage 1 — Behorende bij artikel 2, vijfde lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 › Model bankgarantie

Model bankgarantie

DE ONDERGETEKENDE,

....., gevestigd te....., hierna te noemen de ‘Bank’,

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

A. ......., gevestigd te....., (hierna te noemen de Ondernemer) en de STAAT der NEDERLANDEN, (hierna te noemen: Staat), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen vertegenwoordigd door....., hierbij vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat op..... de ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie Staat/.....’ (hierna: uitvoeringsovereenkomst) hebben getekend;

B. de Ondernemer volgens artikel 2 van de overeenkomst binnen vier weken nadat een beschikking van de Minister van Economische Zaken en Klimaat met kenmerk.....is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot €.....,– door de afgifte aan de Staat van een door een bank afgegeven bankgarantie;

C. de Bank bereid is de desbetreffende bankgarantie ten gunste van de Staat te stellen onder de hierna te noemen voorwaarden.

VERKLAART ALS VOLGT

1. De Bank stelt zich hierbij als zelfstandige verbintenis tegenover de Staat onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant voor al hetgeen de Staat van de Ondernemer op grond van de uitvoeringsovereenkomst te vorderen heeft tot een maximumbedrag van €.....,–.

2. Deze bankgarantie is een abstracte afroepgarantie. De Bank komt in geen geval een beroep toe op de onderliggende rechtsverhouding tussen de Staat en de Ondernemer als vervat in de Uitvoeringsovereenkomst.

3. De Bank zal op eerste schriftelijk verzoek van de Staat, zonder opgaaf van redenen te verlangen of nader bewijs te vragen, overgaan tot uitbetaling van al hetgeen de Ondernemer, volgens verklaring van de Staat, verschuldigd is uit hoofde van de Uitvoeringsovereenkomst.

4. Deze bankgarantie vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen.

5. De Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt de bankgarantie zo spoedig mogelijk nadat deze geheel is vervallen retour aan de Bank.

6. Op deze bankgarantie is uitsluitend Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die mochten ontstaan over of naar aanleiding van deze bankgarantie zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage.

7. Indien deze bankgarantie dient te worden geretourneerd geschiedt dat door toezending aan adres:.....

Getekend te

op

De Bank

Bijlage 2 — Behorende bij de artikelen 8 en 10 van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020

Bijlage 2 — Behorende bij de artikelen 8 en 10 van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 (deel 1)

Lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling per 31 december 2018

Gemeentenaam | Provincie | Windcategorie

Ameland | Friesland | ≥ 8,0 m/s

Bergen (NH.) | Noord-Holland | ≥ 8,0 m/s

De Marne | Groningen | ≥ 8,0 m/s

Den Helder | Noord-Holland | ≥ 8,0 m/s

Dongeradeel | Friesland | ≥ 8,0 m/s

Eemsmond | Groningen | ≥ 8,0 m/s

Ferwerderadiel | Friesland | ≥ 8,0 m/s

Harlingen | Friesland | ≥ 8,0 m/s

Hollands Kroon | Noord-Holland | ≥ 8,0 m/s

Noordwijk | Zuid-Holland | ≥ 8,0 m/s

Rotterdam Maasvlakte (wijk 23 buurt 8) | Zuid-Holland | ≥ 8,0 m/s

Súdwest-Fryslân | Friesland | ≥ 8,0 m/s

Schagen | Noord-Holland | ≥ 8,0 m/s

Schiermonnikoog | Friesland | ≥ 8,0 m/s

Terschelling | Friesland | ≥ 8,0 m/s

Texel | Noord-Holland | ≥ 8,0 m/s

Vlieland | Friesland | ≥ 8,0 m/s

Waadhoeke | Friesland | ≥ 8,0 m/s

Zandvoort | Noord-Holland | ≥ 8,0 m/s

Achtkarspelen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Alkmaar | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Appingedam | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Bedum | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Beemster | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Beverwijk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Bloemendaal | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Castricum | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Dantumadiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

De Fryske Marren | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Delfzijl | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Drechterland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Edam-Volendam | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Enkhuizen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Goeree-Overflakkee | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Grootegast | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heemskerk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heerenveen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heerhugowaard | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heiloo | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hillegom | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hoorn | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Katwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Koggenland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Kollumerland c.a. | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Langedijk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Leek | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Leeuwarden | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Lisse | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Loppersum | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Marum | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Medemblik | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noord-Beveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordoostpolder | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordwijkerhout | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Oldambt | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Opmeer | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Opsterland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Schouwen-Duiveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Smallingerland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Stede Broec | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Ten Boer | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Tytsjerksteradiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Uitgeest | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Urk | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Veere | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Velsen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Wassenaar | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westland | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westvoorne | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Winsum | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Zuidhorn | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Aa en Hunze | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalburg | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalten | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Almere | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Alphen aan den Rijn | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Amstelveen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Amsterdam | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Assen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Binnenmaas | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Bodegraven-Reeuwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Borger-Odoorn | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Borsele | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Brielle | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Coevorden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Cromstrijen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Culemborg | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Dalfsen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

De Ronde Venen | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

De Wolden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Delft | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Diemen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Dronten | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Emmen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Geldermalsen | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Giessenlanden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Goes | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Gouda | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlem | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlemmerliede en Spaarnwoude | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlemmermeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hardenberg | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hardinxveld-Giessendam | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haren | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Heemstede | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hellevoetsluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hoogeveen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hulst | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

IJsselstein | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kaag en Braassem | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kampen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kapelle | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Korendijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Krimpenerwaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Landsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lansingerland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leerdam | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leiden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leiderdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leidschendam-Voorburg | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lelystad | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lingewaal | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lopik | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Maassluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Meppel | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Middelburg | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Delfland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Drenthe | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Moerdijk | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Molenwaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Montfoort | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Neerijnen | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Nieuwkoop | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Nissewaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Noordenveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oegstgeest | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oost Gelre | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Ooststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oostzaan | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oud-Beijerland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Ouder-Amstel | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oudewater | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Pekela | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Pijnacker-Nootdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Purmerend | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Reimerswaal | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Rijswijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Rotterdam-West (wijk 17, wijk 23 excl. buurt 8, en wijk 27) | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

’s-Gravenhage | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Sluis | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Stadskanaal | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Staphorst | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Steenbergen | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Steenwijkerland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Stichtse Vecht | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Strijen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Terneuzen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Teylingen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Tholen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Tynaarlo | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Uithoorn | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Veendam | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Vianen | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Vlissingen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Voorschoten | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Waddinxveen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Waterland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Weesp | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Westerveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Westerwolde | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Weststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Woerden | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Bijlage 2 — Behorende bij de artikelen 8 en 10 van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020

Bijlage 2 — Behorende bij de artikelen 8 en 10 van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 (deel 2)

Wormerland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Woudrichem | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zaanstad | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zaltbommel | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zederik | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zoetermeer | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zoeterwoude | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zuidplas | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zwartewaterland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zwolle | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Alblasserdam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Albrandswaard | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Barendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bergen op Zoom | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Berkelland | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Beuningen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bunnik | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bunschoten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Buren | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Capelle aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Dordrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Drimmelen | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Druten | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Duiven | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Etten-Leur | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Geertruidenberg | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Gooise Meren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Gorinchem | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Haaksbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Halderberge | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hattem | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hellendoorn | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hendrik-Ido-Ambacht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Houten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Krimpen aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Lingewaard | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Maasdriel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Neder-Betuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Nieuwegein | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Nijkerk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oldebroek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Olst-Wijhe | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Ommen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oss | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oude IJsselstreek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Overbetuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Papendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Raalte | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Ridderkerk | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Roosendaal | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Rotterdam (excl. wijk 17, 23 en 27) | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Schiedam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Simpelveld | Limburg | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Sliedrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Tiel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Tubbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Twenterand | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Utrecht | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Vlaardingen | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Waalwijk | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Werkendam | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

West Maas en Waal | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijchen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijdemeren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijk bij Duurstede | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Winterswijk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zeewolde | Flevoland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zevenaar | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zundert | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zwijndrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Almelo | Overijssel | < 6,75 m/s

Alphen-Chaam | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Amersfoort | Utrecht | < 6,75 m/s

Apeldoorn | Gelderland | < 6,75 m/s

Arnhem | Gelderland | < 6,75 m/s

Asten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Baarle-Nassau | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Baarn | Utrecht | < 6,75 m/s

Barneveld | Gelderland | < 6,75 m/s

Beek | Limburg | < 6,75 m/s

Beesel | Limburg | < 6,75 m/s

Berg en Dal | Gelderland | < 6,75 m/s

Bergeijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bergen (L.) | Limburg | < 6,75 m/s

Bernheze | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Best | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bladel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Blaricum | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Boekel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Borne | Overijssel | < 6,75 m/s

Boxmeer | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Boxtel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Breda | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bronckhorst | Gelderland | < 6,75 m/s

Brummen | Gelderland | < 6,75 m/s

Brunssum | Limburg | < 6,75 m/s

Cranendonck | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Cuijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

De Bilt | Utrecht | < 6,75 m/s

Deurne | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Deventer | Overijssel | < 6,75 m/s

Dinkelland | Overijssel | < 6,75 m/s

Doesburg | Gelderland | < 6,75 m/s

Doetinchem | Gelderland | < 6,75 m/s

Dongen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Echt-Susteren | Limburg | < 6,75 m/s

Ede | Gelderland | < 6,75 m/s

Eemnes | Utrecht | < 6,75 m/s

Eersel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Eijsden-Margraten | Limburg | < 6,75 m/s

Eindhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Elburg | Gelderland | < 6,75 m/s

Enschede | Overijssel | < 6,75 m/s

Epe | Gelderland | < 6,75 m/s

Ermelo | Gelderland | < 6,75 m/s

Geldrop-Mierlo | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Gemert-Bakel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Gennep | Limburg | < 6,75 m/s

Gilze en Rijen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Goirle | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Grave | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Gulpen-Wittem | Limburg | < 6,75 m/s

Haaren | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Harderwijk | Gelderland | < 6,75 m/s

Heerde | Gelderland | < 6,75 m/s

Heerlen | Limburg | < 6,75 m/s

Heeze-Leende | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Helmond | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Hengelo | Overijssel | < 6,75 m/s

Heumen | Gelderland | < 6,75 m/s

Heusden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Hilvarenbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Hilversum | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Hof van Twente | Overijssel | < 6,75 m/s

Horst aan de Maas | Limburg | < 6,75 m/s

Huizen | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Kerkrade | Limburg | < 6,75 m/s

Laarbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Landerd | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Landgraaf | Limburg | < 6,75 m/s

Laren | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Leudal | Limburg | < 6,75 m/s

Leusden | Utrecht | < 6,75 m/s

Lochem | Gelderland | < 6,75 m/s

Loon op Zand | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Losser | Overijssel | < 6,75 m/s

Maasgouw | Limburg | < 6,75 m/s

Maastricht | Limburg | < 6,75 m/s

Meerssen | Limburg | < 6,75 m/s

Meierijstad | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Mill en Sint Hubert | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Montferland | Gelderland | < 6,75 m/s

Mook en Middelaar | Limburg | < 6,75 m/s

Nederweert | Limburg | < 6,75 m/s

Nijmegen | Gelderland | < 6,75 m/s

Nuenen, Gerwen en Nederwetten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Nunspeet | Gelderland | < 6,75 m/s

Nuth | Limburg | < 6,75 m/s

Oirschot | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Oisterwijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Oldenzaal | Overijssel | < 6,75 m/s

Onderbanken | Limburg | < 6,75 m/s

Oosterhout | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Peel en Maas | Limburg | < 6,75 m/s

Putten | Gelderland | < 6,75 m/s

Renkum | Gelderland | < 6,75 m/s

Renswoude | Utrecht | < 6,75 m/s

Reusel-De Mierden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Rheden | Gelderland | < 6,75 m/s

Rhenen | Utrecht | < 6,75 m/s

Rijssen-Holten | Overijssel | < 6,75 m/s

Roerdalen | Limburg | < 6,75 m/s

Roermond | Limburg | < 6,75 m/s

Rozendaal | Gelderland | < 6,75 m/s

Rucphen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Scherpenzeel | Gelderland | < 6,75 m/s

Schinnen | Limburg | < 6,75 m/s

's-Hertogenbosch | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Sint Anthonis | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Sint-Michielsgestel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Sittard-Geleen | Limburg | < 6,75 m/s

Soest | Utrecht | < 6,75 m/s

Someren | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Son en Breugel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Stein | Limburg | < 6,75 m/s

Tilburg | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Uden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Utrechtse Heuvelrug | Utrecht | < 6,75 m/s

Vaals | Limburg | < 6,75 m/s

Valkenburg aan de Geul | Limburg | < 6,75 m/s

Valkenswaard | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Veenendaal | Utrecht | < 6,75 m/s

Veldhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Venlo | Limburg | < 6,75 m/s

Venray | Limburg | < 6,75 m/s

Voerendaal | Limburg | < 6,75 m/s

Voorst | Gelderland | < 6,75 m/s

Vught | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Waalre | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bijlage 2 — Behorende bij de artikelen 8 en 10 van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020

Bijlage 2 — Behorende bij de artikelen 8 en 10 van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020 (deel 3)

Wageningen | Gelderland | < 6,75 m/s

Weert | Limburg | < 6,75 m/s

Westervoort | Gelderland | < 6,75 m/s

Wierden | Overijssel | < 6,75 m/s

Woensdrecht | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Woudenberg | Utrecht | < 6,75 m/s

Zeist | Utrecht | < 6,75 m/s

Zutphen | Gelderland | < 6,75 m/s