wetzoeker

Artikel 9.6 Regeling houders van dieren

Overige bepalingen

1 Een alarmsysteem, bedoeld in artikel 2.5, zesde lid, van het besluit:

a. heeft ten minste twee parallelle verbindingen om de houder van dieren direct te alarmeren;

b. functioneert onafhankelijk van netspanning; en

c. maakt gebruik van een bewaakte verbinding.

2 Het alarmsysteem wordt maandelijks getest.

3 Direct na het testen worden geregistreerd:

a. de datum en het tijdstip van testen;

b. eventuele onregelmatigheden of defecten die zijn geconstateerd; en

c. uitgevoerde herstelacties.

4 De registraties, bedoeld in het derde lid, worden ten minste dertien maanden bewaard.

5 De houder van dieren zorgt ervoor dat op het bedrijf een actueel alarmplan aanwezig is waarin een beschrijving is opgenomen van:

a. de methode van testen van de verschillende onderdelen van het systeem;

b. de benodigde hoeveelheid brandstof om het noodstroomaggregaat zes uur te laten draaien;

c. de wijze van alarmering;

d. de namen en telefoonnummers van de alarmopvolgers en de volgorde waarin met hen contact wordt opgenomen;

e. de te treffen handelingen op het moment dat een alarm afgaat; en

f. de contactgegevens van een elektrotechnische storingsdienst.

6 De houder van dieren:

a. informeert de alarmopvolgers over de wijze waarop en plek waar het alarmplan wordt bewaard; en

b. draagt er zorg voor dat de alarmopvolgers te allen tijde toegang hebben tot het alarmplan.

Regeling
Regeling houders van dieren
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
19-09-2026
BWB-id
BWBR0035248
Versie
2026-09-19_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl