wetzoeker

Artikel 9.5 Regeling houders van dieren

Overige bepalingen

1 Een noodsysteem als bedoeld in artikel 2.5, vijfde lid, van het besluit, bevat een noodstroomaggregaat dat:

a. na alarmering door het alarmsysteem:

1° direct in werking treedt in het geval van automatische doorkoppeling; of

2° onverwijld in werking treedt in het geval van handmatige doorkoppeling, waarbij op geen enkel moment risico’s ontstaan voor de gezondheid of het welzijn van de dieren;

b. direct kan worden aangesloten op een externe aanvoering, voor zover het een handmatig aan te sluiten noodstroomaggregaat betreft.

2 Het noodsysteem wordt maandelijks onbelast getest.

3 Het noodsysteem wordt ten minste één keer per jaar belast getest.

4 Direct na het testen worden geregistreerd:

a. de datum en het tijdstip van testen;

b. eventuele onregelmatigheden of defecten die zijn geconstateerd; en

c. uitgevoerde herstelacties.

5 De registraties, bedoeld in het vierde lid, worden ten minste dertien maanden bewaard.

6 Het noodstroomaggregaat is in een ruimte opgesteld waar tevens aanwezig is:

a. een handleiding over de bediening en de aansluiting van het noodstroomaggregaat; en

b. voldoende brandstof om het noodstroomaggregaat zes uur te kunnen laten draaien.

Regeling
Regeling houders van dieren
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
19-09-2026
BWB-id
BWBR0035248
Versie
2026-09-19_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl