9.1.3.2.3.4 — Voor activiteiten met gemodificeerde planten in associatie met biologische bestrijders Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013
Voor activiteiten met gemodificeerde planten in associatie met biologische bestrijders
a. De volgende biologische bestrijders worden gezien als onderdeel van het experiment en mogen vrij in de kas aanwezig zijn Encarsia formosa, Eretmocerus eremicus, Aphidius colemani, Aphidius ervi, Aphelinus abdominalis, Praon volucre, Ephedrus cerasicola en Trichogramma achaeae (sluipwesp), Stratiolaelaps scimitus, Phytoseiulus persimilis, Carpoglyphus lactis, Macrocheles robustulus, Neoseiulus californicus, Amblydromalus limonicus, Amblyseius swirskii, Neoseiulus cucumeris en Transeius montdorensis (roofmijt), Steinernema carpocapsae en Steinernema feltiae (nematoden), Macrolophus pygmaeus en Orius laevigatus (roofwants), Feltiella acarisuga en Aphidoletes aphidimyza (galmug);
b. Bij het gebruik van Macrolophus pygmaeus wordt 9.1.3.2.2, onderdeel i, vervangen door:
i. De deuren van de voorruimte van de kas worden niet gelijktijdig geopend;
ii. In de voorruimte worden voor de bestrijder geschikte (plak)vallen aangebracht;
iii. Er wordt een vloermat met ontsmettingsmiddel gehanteerd of er worden overschoenen gedragen die achtergelaten worden in de kas;
iv. De biologische bestrijder wordt na het experiment afgedood met een gevalideerde methode;
c. Bij het gebruik van Orius laevigatus wordt 9.1.3.2.2, onderdeel i, vervangen door:
i. De deuren van de voorruimte van de kas worden niet gelijktijdig geopend;
ii. In de voorruimte worden voor de bestrijder geschikte (plak)vallen aangebracht;
iii. Er wordt een vloermat met ontsmettingsmiddel gehanteerd of er worden overschoenen gedragen die achtergelaten worden in de kas;
iv. Kieren en naden van de kas worden afgedicht;
v. De deur van de kas heeft aan de onderzijde veegborstels en in de sponning van de deur zijn aan de zij- en bovenkant tochtstrippen aangebracht;
vi. De biologische bestrijder wordt na het experiment afgedood met een gevalideerde methode;
d. Bij het gebruik van Feltiella acarisuga en Aphidoletes aphidimyza (galmug), Aphidius colemani, Aphidius ervi, Aphelinus abdominalis, Praon volucre en Ephedrus cerasicola wordt 9.1.3.2.2, onderdeel i, vervangen door:
i. De deuren van de voorruimte van de kas worden niet gelijktijdig geopend;
ii. In de voorruimte worden voor de bestrijder geschikte (plak)vallen aangebracht;
iii. De biologische bestrijder wordt na het experiment afgedood met een gevalideerde methode;
e. Bij het gebruik van Neoseiulus californicus, Amblydromalus limonicus, Amblyseius swirskii, Neoseiulus cucumeris, Transeius montdorensis en Trichogramma achaeae wordt 9.1.3.2.2, onderdeel i, vervangen door:
i. De deuren van de voorruimte van de kas worden niet gelijktijdig geopend;
ii. Er wordt een vloermat met ontsmettingsmiddel gehanteerd of er worden overschoenen gedragen die achtergelaten worden in de kas;
iii. Er wordt witte werkkleding gedragen zonder zakken. Na afloop van de werkzaamheden wordt deze werkkleding in de kas achtergelaten;
iv. De biologische bestrijder wordt na het experiment afgedood met een gevalideerde methode.
- Regeling
- Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-07-2026
- BWB-id
- BWBR0035072
- Versie
- 2026-07-01_0