wetzoeker

Rijksbesluit rechtspositie leden Raad voor de rechtshandhaving

Besluit van 23 augustus 2010, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving (Rijksbesluit rechtspositie leden Raad voor de rechtshandhaving)

Soort
Rijks-KB
Geldend vanaf
10-10-2010
Rechtsgebied
Procesrecht, Strafprocesrecht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0028133
Versie
2010-10-10_0
SHA-256 bron
f65d4745bf2df1170010c9e6632d92e5826675468f8a7674a00e7deeff6de1f1

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (8)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

– landen: Curaçao, Sint Maarten of Nederland, voor zover het betreft Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

– Onze Minister: Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Justitie van Sint Maarten of Onze Minister van Justitie van Nederland, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

– Onze Ministers: Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Justitie van Sint Maarten en Onze Minister van Justitie van Nederland, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gezamenlijk;

– Raad: Raad voor de rechtshandhaving, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de rijkswet;

– rijkswet: Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving.

Artikel 2

Voor het verrichten van hun werkzaamheden in het kader van de Raad ontvangen de in artikel 5 van de rijkswet bedoelde leden van de Raad vergoedingen overeenkomstig dit besluit.

Artikel 3

1 De leden van de Raad ontvangen per maand een vergoeding die overeenkomt met het bedrag dat wordt vastgesteld door Onze Minister.

2 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, die de leden van de Raad ontvangen wordt gedragen door het land dat het betreffende lid heeft voorgesteld overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de rijkswet.

Artikel 4

1 Een lid van de Raad ontvangt een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij de ministeries in het land van Onze Minister die het betreffende lid heeft voorgesteld overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de rijkswet.

2 Onze Minister kan bepalen dat de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op een forfaitair bedrag dat wordt vastgesteld op basis van de in een voorafgaand jaar daadwerkelijk gedeclareerde reis- en verblijfkosten.

3 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, die de leden van de Raad ontvangen wordt gedragen door het land dat het betreffende lid heeft voorgesteld overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de rijkswet.

Artikel 5

1 Onze Minister kan bepalen in welke gevallen en tot welke bedragen de leden van de Raad in verband met hun werkzaamheden voor de Raad recht hebben op andere toeslagen, vergoedingen of tegemoetkomingen dan bedoeld in de artikelen 3 en 4.

2 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, die de leden van de Raad ontvangen wordt gedragen door het land dat het betreffende lid heeft voorgesteld overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de rijkswet.

Artikel 6

1 Aan de artikelen 3 tot en met 5 wordt voor elk van de leden van de Raad toepassing gegeven door Onze Minister die het betreffende lid heeft voorgesteld overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de rijkswet.

2 Alvorens toepassing te geven aan de artikelen 3 tot en met 5, treden Onze Ministers als bedoeld in artikel 3, eerste lid, daarover met elkaar in overleg.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking op het krachtens artikel 44 van de rijkswet vastgestelde tijdstip.

Artikel 8

Dit besluit wordt aangehaald als: Rijksbesluit rechtspositie leden Raad voor de rechtshandhaving.