Besluit kerndoelen WEC
Besluit van 18 mei 2009, houdende de vaststelling van kerndoelen voor het speciaal onderwijs (Besluit kerndoelen WEC)
- Soort
- AMvB
- Geldend vanaf
- 01-08-2026
- Rechtsgebied
- Onderwijsrecht
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- BWB-id
- BWBR0025979
- Versie
- 2026-08-01_0
- SHA-256 bron
- 94cccda8c5af82c702ec70fee63d6ea5414e0aae05623285656a1fe63f471753
Inhoud (147)
- Artikel 1
- Artikel 1a
- Artikel 1b
- Artikel 1c
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Preambule
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
- Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
- Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
- Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
- Zelfbeeld
- Sociaal gedrag
- Leren leren
- Omgaan met media en technologische hulpmiddelen
- Ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit
- Praktische redzaamheid
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
- Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
- Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
- Mens en samenleving
- Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking
- Natuur en techniek
- Ruimte
- Tijd
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
- Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
- Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
- Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
- Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
- Vormgeven
- Beschouwen
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
- Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
- Muziek maken
- Muziek beluisteren
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
- Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
- Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
- Vaardigheden
- Beschouwen
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
- Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
- Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
- Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)
- Kerndoelen
- Preambule
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
- Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
- Zelfbeeld
- Sociaal gedrag
- Spelontwikkeling
- Werkhouding
- Aanpak gedrag
- Omgaan met media en technologische hulpmiddelen
- Praktische redzaamheid
- Ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1 en 2
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
- Karakteristiek
- Gezond en redzaam gedrag
- Oriëntatie op de samenleving
- Karakteristiek
- Natuur
- Techniek
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
- Kerndoelen
- Preambule
- Drie uitstroomprofielen
- Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs
- Uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht
- Uitstroomprofiel Dagbesteding
- Kerndoelen per uitstroomprofiel
- Leergebiedoverstijgende kerndoelen
- Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs
- Uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht
- Uitstroomprofiel Dagbesteding
- Ruimte voor maatwerk
- Karakteristiek
- Leren leren
- Leren taken uitvoeren
- Leren functioneren in sociale situaties
- Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief
- Leren leren
- Leren taken uitvoeren
- Leren functioneren in sociale situaties
- Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Loopbaansturing
- Arbeidscompetenties
- Maatwerk
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Kerndoelen
- Karakteristiek
- Exploratie van werk en dagactiviteiten
- Kiezen en loopbaansturing
- Werkcompetenties
- Kerndoelen
Artikel 1
De kerndoelen, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra worden voor de verschillende onderwijssoorten vastgesteld als aangegeven in bijlage 1 en bijlage 2 bij dit besluit.
Artikel 1a
In aanvulling op de kerndoelen die zijn vastgesteld op grond van artikel 2.13 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, worden voor het uitstroomprofiel vervolgonderwijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de expertisecentra de kerndoelen vastgesteld als aangegeven in hoofdstuk 1 van bijlage 3 bij dit besluit. Het onderwijs in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs wordt ook na de eerste twee leerjaren mede op basis van deze kerndoelen verzorgd.
Artikel 1b
De kerndoelen, bedoeld in artikel 14c, tweede en vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra worden vastgesteld als aangegeven in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 van bijlage 3 bij dit besluit.
Artikel 1c
De kerndoelen, bedoeld in artikel 14f, tweede en vierde lid, van de Wet op de expertisecentra worden vastgesteld als aangegeven in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 3 van bijlage 3 bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 3
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kerndoelen WEC.
Artikel 4
Dit besluit berust op de artikelen 13, tweede lid, 14c, derde lid, en 14f, derde lid, van de Wet op de expertisecentra.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › De eerste generatie kerndoelen speciaal onderwijs met uitzondering van kerndoelen voor zeer moeilijk lerende leerlingen of meervoudig gehandicapte leerlingen › Preambule
Preambule
Deze kerndoelen zijn van toepassing voor het onderwijs aan leerlingen met een enkelvoudige beperking en/of stoornis in de basisschoolleeftijd, met uitzondering van zeer moeilijk lerenden. Het onderwijs aan deze groep leerlingen bevordert brede vorming. Het onderwijsaanbod richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden. Het onderwijs gaat er mede vanuit dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.
Het onderwijs omvat waar mogelijk in samenhang: zintuiglijke oefening, lichamelijke oefening, Nederlandse taal, rekenen en wiskunde, enkele kennisgebieden (waarbij in elk geval aandacht besteed wordt aan aardrijkskunde, geschiedenis, de natuur, waaronder biologie, maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting en geestelijke stromingen), expressieactiviteiten (waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de bevordering van het taalgebruik, tekenen, muziek, handvaardigheid, spel en beweging), en bevordering van de sociale redzaamheid (waaronder gedrag in het verkeer, bevordering van gezond gedrag) en Engelse taal. De kerndoelen zijn een operationalisering hiervan. Het geheel van kerndoelen geeft een beeld van het inhoudelijk aanbod van het onderwijs.
De kerndoelen zijn ingedeeld in leergebiedoverstijgende en leergebiedspecifieke kerndoelen. De leergebiedoverstijgende kerndoelen zijn gegroepeerd in de volgende thema’s: zintuiglijke en motorische ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling, leren leren en omgaan met media en technologische hulpmiddelen. De thema’s ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit en praktische redzaamheid zijn specifiek van toepassing voor leerlingen met een visuele beperking, leerlingen met een lichamelijke beperking en langdurig zieke leerlingen.
De leergebiedspecifieke kerndoelen zijn ingedeeld in Nederlandse taal, Engels, Friese taal, rekenen/wiskunde, oriëntatie op jezelf en de wereld, kunstzinnige oriëntatie en bewegingsonderwijs.
Kerndoelen geven een beschrijving van de kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die de overheid minimaal belangrijk acht voor leerlingen. Kerndoelen omschrijven het eind van een leerproces, niet de wijze waarop ze bereikt worden.
Om de leerlingen in staat te stellen die kwaliteiten te verwerven, is de school verantwoordelijk voor het aanbieden van een passend onderwijsaanbod. Dit aanbod dient te worden afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling en is zo ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan doorlopen.
De kerndoelen zijn richtinggevend voor de scholen bij het maken van hun keuzes omtrent hun onderwijsprogramma, maar bieden de scholen gelijkertijd voldoende ruimte om hun onderwijsactiviteiten tegemoet te laten komen aan de individuele mogelijkheden en beperkingen van de leerlingen. De grote verscheidenheid tussen leerlingen maakt deze vrijheidsgraden noodzakelijk. Kerndoelen doen bijvoorbeeld geen uitspraken over de ordening van inhouden, de te volgen didactiek, de keuze voor onderwijsleermiddelen, de vormgeving van het onderwijs, de toekenning van tijd of de keuze voor levensbeschouwelijk onderwijs.
Tenslotte wordt opgemerkt dat het van belang is doelen zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. In de dagelijkse onderwijspraktijk zullen doorgaans doelen uit verschillende leergebieden tegelijk aan de orde zijn.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Karakteristiek
Karakteristiek
In de leergebiedoverstijgende kerndoelen ligt het accent op brede ontwikkeling.
De leergebiedoverstijgende kerndoelen omvatten:
• kerndoelen gericht op brede ontwikkelingsaspecten, zoals de zintuiglijke en motorische ontwikkeling en de sociale en emotionele ontwikkeling;
• kerndoelen die in directe relatie staan tot het leren in de school, zoals leren leren (leerhouding en leerstrategieën) en het leren hanteren van technologische media en hulpmiddelen.
Bij leerlingen met beperkingen op specifieke domeinen (zintuiglijk, motorisch, gedragsmatig) is veelal sprake van samenhangende belemmeringen op de meer algemene thema’s als sociale en emotionele ontwikkeling en leren leren. Daarom is bij leerlingen met een beperking en/of een stoornis in veel gevallen ook sprake van complexe problemen. In kringen binnen het regulier onderwijs worden de genoemde basale en algemene aspecten vaak leervoorwaardelijk genoemd. Het leren van die aspecten wordt dan meer geassocieerd met de specifieke leergebieden als taal, rekenen en wiskunde en oriëntatie op jezelf en de wereld. Voor het onderwijs aan leerlingen met een beperking en/of stoornis vormen deze leervoorwaardelijke aspecten een belangrijk onderdeel van het onderwijsaanbod. Ze zijn daarom expliciet in de kerndoelen voor het speciaal onderwijs opgenomen. Voor leerlingen met een zintuiglijke beperking worden de betreffende doelen remediërend en/of compenserend uitgewerkt.
Een grote rol is toebedeeld aan de sociale en emotionele ontwikkeling, waaronder het ontwikkelen van een positief zelfbeeld. Het is belangrijk in het oog te houden dat de leerlingen de kans krijgen zich als autonome individuen te ontwikkelen. Dit houdt in dat zij de regie behouden over hun eigen activiteiten, ook al is daar ondersteuning bij nodig. Ook belangrijk is dat zij leren omgaan met hulp, hulp vragen, hulp accepteren en wat daarbij professionaliteit (inclusief grenzen daarvan) betekent.
De aandacht voor media en technologische hulpmiddelen is logisch omdat deze voor veel leerlingen in het speciaal onderwijs belangrijke middelen zijn om te kunnen leren, ontwikkelen en leven.
De specifieke beperkingen en mogelijkheden van leerlingen geven specifieke accenten aan het leergebiedoverstijgende onderwijsaanbod.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
De beperking in de visuele waarneming heeft invloed op de ontwikkeling van de gehele persoon. Bij deze leerlingen is veelal sprake van onzekerheid en weinig zelfvertrouwen. Daarnaast hebben zij veelal moeite in de communicatie met anderen. De zintuiglijke ontwikkeling van slechtziende en braille leerlingen vraagt vooral extra stimulering en training van de visuele, tactiele en auditieve waarneming. Het betekenis leren geven aan de visueel- en tactiel verkregen informatie vereist veel aandacht.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
De beperkingen op auditief gebied en in de taalontwikkeling hebben grote invloed op de ontwikkeling van de gehele persoon. Bij deze leerlingen is veelal sprake van onzekerheid en weinig zelfvertrouwen. Daarnaast hebben zij veelal moeite in de communicatie met anderen.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
De mogelijkheden van zintuiglijke en motorische ontwikkeling is voor elke leerling bepaald door de beperking of ziekte. De leerlingen ervaren hun beperkingen waarmee zij moeten leren omgaan. De grote individuele verschillen doen in veel gevallen een beroep op extra aandacht, ondersteuning en training.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
1. De leerlingen leren hun zintuiglijke en motorische mogelijkheden optimaliseren en geïntegreerd gebruiken en leren omgaan met hun beperkingen, hulpmiddelen en met de hulp van anderen.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Sociaal-emotionele ontwikkeling › Zelfbeeld
Zelfbeeld
2. De leerlingen leren met gevoel voor zelfvertrouwen en zelfwaardering omgaan met de eigen mogelijkheden en grenzen en leren uiting geven aan eigen wensen, gevoelens en opvattingen.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Sociaal-emotionele ontwikkeling › Sociaal gedrag
Sociaal gedrag
3. De leerlingen leren naar algemeen geaccepteerde normen en waarden omgaan met anderen en leren samenwerken aan een gezamenlijke taak of gezamenlijk spel en leren omgaan met conflictsituaties.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Leren leren
Leren leren
4. De leerlingen leren belangstelling hebben voor de wereld om hen heen, ze leren deze gemotiveerd onderzoeken en daarin taken uitvoeren, waarbij ze gebruik maken van informatie, strategieën en vaardigheden en ze leren reflecteren op eigen handelen.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Omgaan met media en technologische hulpmiddelen
Omgaan met media en technologische hulpmiddelen
5. De leerlingen leren omgaan met media en technologische hulpmiddelen, waaronder hulpmiddelen en aanpassingen voor de beperking, die de redzaamheid vergroten.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1), leerlingen met een lichamelijke beperking en langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit
Ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit
6. De leerlingen leren zich in de ruimte (binnen en buiten) oriënteren en verplaatsen.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1), leerlingen met een lichamelijke beperking en langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Praktische redzaamheid
Praktische redzaamheid
7. De leerlingen leren hun dagelijkse activiteiten en behoeften zoveel mogelijk zelfstandig realiseren.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Engels › Karakteristiek
Karakteristiek
Beheersing van de Engelse taal wordt voor iedereen steeds belangrijker door de toenemende internationalisering, groeiende mobiliteit en de uitbreidende mogelijkheden om te communiceren via nieuwe media. De plaats van Engels in het onderwijs wordt gefundeerd door Europees beleid en door het uitgangspunt dat een redelijke beheersing van die taal bereikt wordt wanneer er vroeg met het onderwijs in Engels begonnen wordt.
Het doel van Engels is om een eerste basis te leggen om te kunnen communiceren met moedertaalsprekers of anderen die buiten de school Engels spreken. Die eerste aanzet wordt later, in de periode van de onderbouw van het voortgezet onderwijs, verder ontwikkeld. Het onderwijs in de Engelse taal wordt waar mogelijk in samenhang gebracht met inhouden van andere vakken. Bijvoorbeeld met inhouden in de oriëntatie op jezelf en de wereld. Het gaat dan om eenvoudige alledaagse onderwerpen als «woonomgeving», «vrije tijd en hobby’s», «het lichaam», «het weer».
In het onderwijs in de Engelse taal gaat het vooral om mondelinge communicatie en om het lezen van eenvoudige teksten. Het schrijven beperkt zich tot het kennismaken met de schrijfwijze van een beperkt aantal vaak voorkomende Engelse woorden. Voorts leren leerlingen om woordbetekenissen en schrijfwijzen van woorden op te zoeken met behulp van het woordenboek.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen
Kerndoelen
28. De leerlingen leren informatie te verwerven uit eenvoudige gesproken en geschreven Engelse teksten.
29. De leerlingen leren in het Engels informatie te vragen of geven over eenvoudige onderwerpen en zij ontwikkelen een attitude waarbij ze zich durven uit te drukken in die taal.
30. De leerlingen leren de schrijfwijze van enkele eenvoudige woorden over alledaagse onderwerpen.
31. De leerlingen leren om woordbetekenissen en schrijfwijzen van Engelse woorden op te zoeken met behulp van het woordenboek.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op jezelf en de wereld › Karakteristiek
Karakteristiek
In dit leergebied oriënteren leerlingen zich op zichzelf, op hoe mensen met elkaar omgaan, hoe ze problemen oplossen en hoe ze zin en betekenis geven aan hun bestaan. Leerlingen oriënteren zich op de natuurlijke omgeving en op verschijnselen die zich daarin voordoen. Leerlingen oriënteren zich ook op de wereld, dichtbij, veraf, toen en nu en maken daarbij gebruik van cultureel erfgoed.
Belangrijk is dat leerlingen geprikkeld worden tot nieuwsgierigheid. Dat ze op zoek gaan om zichzelf en de wereld te leren kennen en te verkennen. Die ontwikkelingsbehoefte is een aangrijpingspunt voor dit leergebied. Tegelijk stelt de samenleving waarin leerlingen opgroeien haar eisen. Leerlingen vervullen nu en straks taken en rollen, waarop ze via onderwijs worden voorbereid. Het gaat om rollen als consument, als verkeersdeelnemer, als burger in een democratische rechtstaat. Kennis over en inzicht in belangrijke waarden en normen, en weten hoe daarnaar te handelen, zijn voorwaarden voor samenleven. Respect en tolerantie zijn er verschijningsvormen van.
Bij het leren kennen van de wijze waarop mensen hun omgeving inrichten spelen economische, politieke, culturele, technische en sociale aspecten een belangrijke rol. Het gaat daarbij om datgene wat van belang is voor betekenisverlening aan het bestaan, om duurzame ontwikkeling, om (voedsel)veiligheid en gezondheid en om technische verworvenheden.
Bij het oriënteren op de natuur gaat het om jezelf, om dieren en planten en natuurverschijnselen. Bij de oriëntatie op de wereld gaat het om de vorming van een wereldbeeld in ruimte en tijd. Leerlingen ontwikkelen een geografisch wereldbeeld aan de hand van gebieden en met behulp van kaartvaardigheden. Ze ontwikkelen een historisch wereldbeeld. Dat betekent dat ze kennis hebben van historische verschijnselen in delen van de wereld en van chronologie. Leerlingen leren hun wereldbeeld (over henzelf en de wereld), aan de hand van actuele onderwerpen, voortdurend «bij de tijd» te brengen.
Waar mogelijk worden onderwijsinhouden over mensen, de natuur en de wereld in samenhang aangeboden. Dit komt het «begrijpen» door leerlingen ten goede en draagt voorts bij aan vermindering van de overladenheid van het onderwijsprogramma. Ook inhouden uit andere leergebieden worden betrokken op de «oriëntatie op jezelf en de wereld». Te denken valt aan het lezen en maken van teksten (begrijpend lezen), het meten en het verwerken van informatie in onder andere tabellen, tijdlijn en grafieken (rekenen/wiskunde) en het gebruik van beelden en beeldend materiaal (kunstzinnige oriëntatie). Onderwijs is er immers vooral op gericht om leerlingen zicht te geven op betekenis en samenhang.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op jezelf en de wereld › Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor deze groep leerlingen is het verkennen van de omgeving bij uitstek een activiteit waarbij zij al hun zintuigen naast het eventueel aanwezige gezichtsvermogen leren gebruiken. Het gaat erom dat zij met de eigen ervaringsmogelijkheden hun wereld leren verruimen en invulling leren geven aan begrippen.
De beperking in de visuele waarneming stelt duidelijke grenzen aan het domein natuur en techniek. Visuele informatiebronnen zullen in veel gevallen (voor een deel) gecompenseerd worden door de inschakeling van:
• het gehoor: de geluidsbronnen in de natuur, naast de talige informatie,
• de tast: het tastend waarnemen van eigenschappen en kenmerken bij mensen, dieren, planten, voorwerpen/producten,
• de reuk: het ruikend waarnemen van eigenschappen en kenmerken bij mensen, dieren, planten,
• de smaak: het proeven van (natuur)producten.
Binnen het domein tijd oriënteren de leerlingen zich op het verleden in relatie tot het heden. Bij historische kennis en inzicht gaat het om beeldvorming die in overeenstemming is met de historische werkelijkheid. Kennis en inzicht met betrekking tot heden en verleden zijn aanvankelijk fragmentarisch en diffuus en worden geleidelijk aan completer en complexer.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op jezelf en de wereld › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
De leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking hebben door taalverwervings- of toegankelijkheidsproblemen in meer of mindere mate moeite met het verwerven van informatie door gebruik van de Nederlandse taal. Vooral de brede range van kennisgebieden en onderwerpen in dit leergebied en de daarmee samenhangende begrippen vraagt een speciale aanpak waarin de inhouden van de vier domeinen is afgestemd op woordenschatontwikkeling (taal).
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op jezelf en de wereld › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Bij oriëntatie op mens en samenleving is het van belang dat de leerlingen leren omgaan met hun handicapspecifieke beperkingen en leren wat de betekenis is van het hebben van een beperking voor de samenleving. Deze groep leerlingen hebben veelvuldig contact met het maatschappelijk gebied van zorg en hulpverlening en met de specifieke voorzieningen die voor hen van toepassing zijn.
Binnen het domein natuur en techniek zal de aandacht ook gericht worden op de hulpmiddelen, apparatuur en handicapspecifieke aanpassingen waarmee de leerlingen zelf dagelijks omgaan.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op jezelf en de wereld › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Mens en samenleving
Mens en samenleving
49. De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.
50. De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.
51. De leerlingen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en hun rol als burger.
52. De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen.
53. De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.
54. De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op jezelf en de wereld › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking
Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking
55. De leerlingen leren gebruik maken van organisaties en personen die belangrijk zijn voor de dovengemeenschap en het culturele erfgoed van doven en leren zich oriënteren op de bijdrage die zij op verschillende gebieden kunnen leveren aan de dovengemeenschap.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op jezelf en de wereld › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking › Natuur en techniek
Natuur en techniek
56. De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende planten en dieren onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving.
57. De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.
58. De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.
59. De leerlingen leren hoe je weer en klimaat kunt beschrijven met behulp van temperatuur, neerslag en wind.
60. De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik.
61. De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren.
62. De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon leidt tot natuurverschijnselen, zoals seizoenen en dag-/nachtritme.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op jezelf en de wereld › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking › Ruimte
Ruimte
63. De leerlingen leren de ruimtelijke inrichting van de eigen omgeving te vergelijken met die in omgevingen elders, in binnen- en buitenland, vanuit de perspectieven landschap, wonen, werken, bestuur, verkeer, recreatie, welvaart, cultuur en levensbeschouwing. In ieder geval wordt daarbij aandacht besteed aan twee lidstaten van de Europese Unie en twee landen die in 2004 lid worden/werden, de Verenigde Staten en een land in Azië, Afrika en Zuid-Amerika.
64. Leerlingen leren over de maatregelen die in Nederland genomen worden/werden om bewoning van door water bedreigde gebieden mogelijk te maken.
65. De leerlingen leren over de mondiale ruimtelijke spreiding van bevolkingsconcentraties en godsdiensten, van klimaten, energiebronnen en van natuurlandschappen zoals vulkanen, woestijnen, tropische regenwouden, hooggebergten en rivieren.
66. De leerlingen leren omgaan met kaart en atlas, beheersen de basistopografie van Nederland, Europa en de rest van de wereld en ontwikkelen een eigentijds geografisch wereldbeeld.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op jezelf en de wereld › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking › Tijd
Tijd
67. De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen, zoals aanwezig in ons cultureel erfgoed, en ze leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren.
68. De leerlingen leren over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken: jagers en boeren; Grieken en Romeinen; monniken en ridders; steden en staten; ontdekkers en hervormers; regenten en vorsten; pruiken en revoluties; burgers en stoommachines; wereldoorlogen en Holocaust; televisie en computer. De vensters van de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter illustratie van de tijdvakken.
69. De leerlingen leren over de belangrijke historische personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en kunnen die met voorbeelden verbinden aan de wereldgeschiedenis.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kunstzinnige oriëntatie › Karakteristiek
Karakteristiek
Door middel van kunstzinnige oriëntatie maken leerlingen kennis met kunstzinnige en culturele aspecten in hun leefwereld. Het gaat bij dit domein om kennismaking met dié aspecten van cultureel erfgoed waarmee mensen in de loop van de tijd vorm en betekenis hebben gegeven aan hun bestaan. Het gaat bij kunstzinnige oriëntatie ook om het verwerven van enige kennis van de hedendaagse kunstzinnige en culturele diversiteit. Dit vindt zowel op school plaats, als via regelmatige interactie met de (buiten)wereld. Leerlingen leren zich aan de hand van kunstzinnige oriëntatie open te stellen: ze kijken naar schilderijen en beelden, ze luisteren naar muziek, ze genieten van taal en beweging. Kunstzinnige oriëntatie is er ook op gericht bij te dragen aan de waardering van leerlingen voor culturele en kunstzinnige uitingen in hun leefomgeving. Ze leren daarnaast zichzelf uiten met aan het kunstzinnige domein ontleende middelen:
• ze leren de beeldende mogelijkheden van diverse materialen onderzoeken, aan de hand van de aspecten kleur, vorm, ruimte, textuur en compositie;
• ze maken tekeningen en ruimtelijke werkstukken;
• ze leren liedjes en leren ritme-instrumenten gebruiken als ondersteuning bij het zingen;
• ze spelen en bewegen.
Waar mogelijk worden daarbij onderwerpen gebruikt die samenhangen met die uit andere leergebieden. Het onderwijs wordt daardoor meer samenhangend en mede daardoor betekenisvoller voor leerlingen. Maar voorop staat de authentieke bijdrage van kunstzinnige oriëntatie aan de ontwikkeling van leerlingen.
In dit leergebied komen de volgende domeinen aan de orde:
1. tekenen en handvaardigheid;
2. muziek;
3. spel en beweging.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kunstzinnige oriëntatie › Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Kunstzinnige oriëntatie maakt duidelijk dat leerlingen met een visuele beperking vaak nog maar een kleine wereld hebben. Het leergebied kunstzinnige oriëntatie heeft een dubbele functie. Enerzijds kennis maken met de werkelijkheid en anderzijds kennis maken met de kunstzinnige uiting ervan.
Kunstzinnige oriëntatie biedt de leerlingen ook de mogelijkheden het eigen uitingsrepertoire te vergroten en te leren genieten van uitingen van anderen.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kunstzinnige oriëntatie › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Kunstzinnige oriëntatie is bij uitstek een geschikt leergebied om de fantasie van de leerlingen te stimuleren. Bovendien biedt het een goede mogelijkheid om zich, op creatieve wijze, te leren uiten. Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking geldt dat het opdoen van ervaringen door te handelen, dingen mee te maken, en bewust gebruik te maken van de zintuiglijke waarneming noodzakelijke leervoorwaarden zijn. Zij zijn gediend met een grote verscheidenheid aan ervaringen, zowel met mensen als met objecten.
Bij een aantal leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking is sprake van beperkte (fijn) motorische vaardigheden. Het leren omgaan met verschillende materialen is een waardevolle ervaring, mede voor het stimuleren van senso-motorische ontwikkeling.
Voor dove leerlingen is het belangrijk dat zij kennis maken met de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur voor en door doven.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kunstzinnige oriëntatie › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Kunstzinnige oriëntatie is van toepassing voor zover de specifieke motorische en/of cognitieve beperkingen van de leerlingen dit toelaten. Beperkingen kunnen zich bijvoorbeeld uiten in verminderde handfunctie, oog-handcoördinatie, grove en fijn motorische mogelijkheden en aandachts- en concentratieproblemen. Technologie kan worden ingezet als hulpmiddel.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kunstzinnige oriëntatie › Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)
Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)
Het leergebied Kunstzinnige Oriëntatie biedt verschillende aanknopingspunten om leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek in de gelegenheid te stellen door middel van creativiteit en verbeelding, (gekanaliseerd) uiting te geven aan hun gevoelens. Daar raakt het leergebied gelijkertijd een van haar grenzen: Leerlingen met een Autisme Spectrum Stoornis bijvoorbeeld onderscheiden zich onder meer door hun beperkte verbeeldende vermogens. Spel en beweging zal voor hen een zware opgave zijn.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tekenen en handvaardigheid › Karakteristiek
Karakteristiek
Bij het onderwijs in tekenen en handvaardigheid maken leerlingen kennis met verschillende mogelijkheden om zich in beelden uit te drukken. Daarnaast leren ze beeldende uitingen van anderen begrijpen en leren ze genieten van beeldende producten.
Dat betekent dat leerlingen hun ideeën, gevoelens, waarnemingen en ervaringen op persoonlijke wijze leren vormgeven in beeldende werkstukken. Dit gebeurt meestal aan de hand van een concreet onderwerp. Vanuit hun eigen beleving en fantasie maken ze zich een voorstelling van het onderwerp en al werkend ontwikkelen ze vaardigheden om die voorstelling zichtbaar te maken in een tekening of een werkstuk.
Ze leren dit door gericht waarnemen en door reageren op beeldende producten uit de gebouwde omgeving, interieurs, mode en kleding, gebruiksvoorwerpen, beeldende kunst en elementen uit de hedendaagse beeldcultuur. Dit houdt tevens in dat leerlingen leren respect te hebben voor de verschillende manieren waarop mensen zich in beelden uitdrukken. Tevens biedt het onderwijs in tekenen en handvaardigheid leerlingen een eerste oriëntatie op hun culturele erfgoed.
Het zelf maken van beeldende werkstukken en het beschouwen van beeldende producten uit de omgeving beïnvloeden elkaar wederzijds. Qua inhoud en werkwijze heeft handenarbeid een relatie met techniek. Bij het vormgeven van beeldende producten kunnen technische inzichten toegepast worden.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tekenen en handvaardigheid › Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Het werken met materialen en gereedschappen geeft de leerling mogelijkheden voor conceptvorming, breidt betekenissen uit en verhoogt de onderzoekende houding.
Het leren gebruiken van verschillende texturen en kleuren is belangrijk voor deze leerlingen. De nadruk zal meer liggen op het werken met vormen die tastbaar en/of contrastrijk zijn.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tekenen en handvaardigheid › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Voor sommige leerlingen kan technologie een hulpmiddel zijn om het doelgericht gebruiken van beeldende aspecten te versterken.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tekenen en handvaardigheid › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Vormgeven
Vormgeven
70. De leerlingen leren ideeën, ervaringen en gevoelens uitdrukken in een beeldend werkstuk en daar over te communiceren.
71. De leerlingen leren beeldende aspecten zoals kleur, vorm, ruimte, structuur van het materiaal en compositie doelgericht gebruiken in een werkstuk.
72. De leerlingen leren de mogelijkheden van materialen onderzoeken en toepassen in hun eigen werk. Daarbij gebruiken ze de benodigde gereedschappen op een veilige manier.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tekenen en handvaardigheid › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Beschouwen
Beschouwen
73. De leerlingen leren hun eigen werk met dat van anderen te vergelijken.
74. De leerlingen leren dat mensen door middel van beeldende producten (reclame, media, kleding, kunst) iets kunnen meedelen en overbrengen.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Muziek › Karakteristiek
Karakteristiek
Leerlingen groeien op in een maatschappij waarin veel muziek klinkt: muziek uit hun eigen jeugdcultuur, muziek uit niet-westerse culturen, oude en hedendaagse muziek, ontspanningsmuziek. Muziek doet daarbij iets met leerlingen. Ze komen in een bepaalde sfeer, ze bewegen erbij en genieten ervan.
Leerlingen doen ook iets met muziek. Ze zingen enthousiast hun liedjes en spelen op instrumenten. Ze kiezen hun eigen muziek uit om naar te luisteren en ze praten met elkaar over muziek, hun idolen en favoriete groepen.
Muziek is er op gericht dat de leerlingen hun aanwezige muzikale mogelijkheden ontdekken en verder ontwikkelen door het verwerven van voldoende kennis, inzicht en vaardigheden zodat ze deel kunnen nemen aan de huidige muziekcultuur in Nederland.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Muziek › Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een visuele beperking geeft muziekonderwijs speciale mogelijkheden om muziek te leren ervaren als toegankelijk middel tot zelfexpressie, waarbij steeds in samenhang met de visuele beperking en mogelijkheden het accent wordt gelegd op gehoortraining en motoriek. Het doelgerichte gebruik van de stimulerende, activerende en ordenende aspecten die in de muzikale vorming een rol spelen, levert een bijdrage aan de totale ontwikkeling van de leerlingen met een meervoudig visuele beperking en/of stoornis.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Muziek › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Ook dove leerlingen groeien op in de maatschappij met veel muziek. De school kan hen helpen bij het kiezen van hun eigen muziek (om naar te luisteren en naar te kijken) zodat ze met elkaar en met anderen kunnen communiceren over muziek, hun idolen en favoriete groepen. Dat hier grote individuele verschillen optreden tussen de mogelijkheden van de leerlingen en hun beleving van de muziek is evident; het muziekonderwijs dient hier terdege rekening mee te houden.
Het muziekonderwijs aan dove leerlingen is er mede op gericht dat de leerlingen hun aanwezige auditieve en muzikale mogelijkheden ontdekken en verder ontwikkelen. De te verwerven kennis, inzicht en vaardigheden zijn gericht op de participatie in de maatschappij, de (jeugd)cultuur en indien mogelijk in de huidige muziekcultuur in Nederland.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Muziek › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2) › Kerndoelen › Muziek maken
Muziek maken
75. De leerlingen leren liederen alleen en in groepsverband zingen.
76. De leerlingen leren eenvoudige muziek spelen op schoolinstrumenten, met en zonder hulp van notatie.
77. De leerlingen leren een muziekstukje bedenken en uitvoeren op basis van een gegeven melodie, ritme of voorzin, verhaal, sfeer of stemming.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Muziek › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2) › Kerndoelen › Muziek beluisteren
Muziek beluisteren
78. De leerlingen verwerven enige kennis en waardering voor muzikaal erfgoed uit heden en verleden.
79. De leerlingen leren zelfgemaakte muziek en muziek gemaakt door anderen vergelijken en er een waardering over uitspreken. Ze leren muziekinstrumenten herkennen en benoemen.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Spel en beweging › Karakteristiek
Karakteristiek
Bij «spel» gaat het erom dat de leerlingen de expressieve en communicatieve mogelijkheden van stem, taal, houding, beweging en mimiek leren kennen en toepassen. In spel verbeelden ze gevoelens, ideeën, gebeurtenissen en personages, en verwerven ze vaardigheden als speler van rollen. Ze leren daarbij reflecteren op hun eigen spel en dat van anderen.
Bij «beweging» gaat het om expressieactiviteiten waarbij de leerlingen kennismaken met de betekenis en de beleving van beweging in hun eigen cultuur en enkele andere culturen. Vaak gaat het daarbij om dans. Deze activiteiten dragen bij aan het repertoire van leerlingen om ervaringen, belevingen, ideeën, gevoelens, situaties en gebeurtenissen te uiten en vorm te geven. Alleen, of samen met anderen gebruiken leerlingen de elementen tijd, kracht en ruimte om hun bewegingen inhoud, uitdrukkingskracht en een context te geven. Daarnaast maken ze gebruik van muziek, hulpmiddelen en attributen die de uitdrukkingskracht van hun bewegingen kunnen ondersteunen en versterken.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Spel en beweging › Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een visuele beperking zijn uitingsvormen van belang waarbij het visuele minder prominent is zoals bij stem en taal. Bij spel en beweging is het veilig leren omgaan in de ruimte van belang. Door de beperkte mogelijkheden van de visuele feedback zal extra aandacht gegeven worden aan de wijze van presenteren.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Spel en beweging › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Voor dove leerlingen omvat spel en beweging ook het gebarentheater: zowel als mogelijkheid zich creatief te uiten in beweging en gebaren, als ook de kennismaking met deze in de dovencultuur ontwikkelde kunstuiting.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Spel en beweging › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Voor deze groep leerlingen is het bij spel en beweging van belang, rekening te houden met de beperkte mobiliteit van veel leerlingen en het feit dat sommige leerlingen door hun beperking sterk in zichzelf gekeerd zijn.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Spel en beweging › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Vaardigheden
Vaardigheden
80. De leerlingen leren een gegeven situatie in een gedramatiseerde vorm uitvoeren.
81. De leerlingen leren speelliederen en dansen uitvoeren en ervaringen, gevoelens, situaties en gebeurtenissen met elkaar in beweging en dans weergeven.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Spel en beweging › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3) › Kerndoelen › Beschouwen
Beschouwen
82. De leerlingen leren verschillen en overeenkomsten aangeven tussen het eigen spel en dat van anderen. Ze leggen daarbij relaties tussen spel en de dagelijkse werkelijkheid.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Bewegingsonderwijs › Karakteristiek
Karakteristiek
Het ontwikkelen en behouden van een actieve leefstijl is een belangrijke doelstelling van dit leergebied. Om dat doel te bereiken leren leerlingen in het bewegingsonderwijs deelnemen aan een breed scala van bewegingsactiviteiten, zodat ze een ruim «bewegingsrepertoire» opbouwen. Dat repertoire bevat motorische aspecten, maar ook sociale vaardigheden.
Leerlingen leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat daarbij om bewegingsvormen als balanceren, springen, klimmen, schommelen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen als tikspelen, doelspelen, spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken en jongleren en stoeispelen.
Vanuit dit aanbod zullen leerlingen zich ook kunnen oriënteren op de buitenschoolse bewegings- en sportcultuur en de meer seizoengebonden bewegingsactiviteiten.
De meeste bewegings- en sportactiviteiten worden gezamenlijk ondernomen en dus is het nodig om te leren afspreken wat de regels zijn, hoe die na te leven en wie welke rol speelt. Verder hoort daarbij elkaar helpen, op veiligheid letten, elkaars mogelijkheden respecteren en eigen mogelijkheden verkennen.
Het is eigen aan «bewegen» dat er plezier aan te beleven valt. Dat plezier is van groot belang voor een blijvende deelname aan bewegingsactiviteiten.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Bewegingsonderwijs › Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)
De motorische ontwikkeling bij deze leerlingen is veelal achter gebleven bij die van leeftijdsgenoten die over een volledig gezichtsvermogen beschikken. Door de verstoorde en vertraagde motorische ontwikkeling is beweging in de ruimte voor deze leerlingen omgeven met onzekerheid en angst. Zij ondersteunen hun bewegen met de andere zintuigen en met aangepaste middelen.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Bewegingsonderwijs › Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)
Bij leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking kan sprake zijn van een niet normale motorische ontwikkeling. Hiervoor zijn verschillende oorzaken. Er kan een achterstand zijn, veroorzaakt door beperktere ervaring in verschillende vormen van bewegen en spelen. Ook komen stoornissen in de coördinatie en de planning van bewegingen voor. Door de stoornis van het gehoor hebben dove en slechthorende leerlingen vaak problemen met hun evenwicht. Dit is van invloed op veel bewegingsactiviteiten.
Balanceren is lastig, maar ook het afzetten en landen bij sprongen tijdens allerlei activiteiten kan een probleem zijn. Spelactiviteiten met andere leerlingen zijn problematisch, door problemen in de onderlinge communicatie. Spelactiviteiten moeten overzichtelijk zijn, zodat de leerlingen de posities van andere leerlingen snel kunnen zien. Deelnemen aan bewegingsactiviteiten wordt voor een aantal leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking gekenmerkt door een grotere onzekerheid. De meeste scholen voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking geven om deze reden motorische remedial teaching (MRT).
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Bewegingsonderwijs › Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)
Niet alle leerlingen uit deze doelgroep bewegen graag. Voor een deel van de leerlingen uit deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij deel kunnen nemen aan alle bewegingsactiviteiten. De aard van de beperking maakt bepaalde activiteiten (vrijwel) onmogelijk. Voor sommigen is het moeilijk te accepteren dat ze minder goed bewegen. De leerlingen krijgen door aanpassingen van regels en arrangementen zoveel mogelijk bewegend een actieve rol in de activiteiten.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Bewegingsonderwijs › Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)
Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)
Bij leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek vraagt het veel tijd om hen beter te leren bewegen. Regels en afspraken vereisen veel herhaling, omkleden en douchen nemen veel tijd in beslag, het elkaar aanraken is veelal problematisch en het omgaan met winnen en verliezen zijn gevoelige onderwerpen. De organisatie en de structuur van de lessen zijn belangrijk voor een gedoseerde aanbieding van leerervaringen.
Veel van de leergebiedoverstijgende doelen komen tijdens de lessen bewegingsonderwijs nadrukkelijk naar voren. Veel leerlingen hebben een minder positief lichaamsidee dan wat zou mogen worden verwacht. Het is voor deze leerlingen belangrijk om het zelfvertrouwen te vergroten en het zelfbeeld realistischer te maken.
Bijlage 1 — bij Besluit kerndoelen WEC › Bewegingsonderwijs › Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4) › Kerndoelen
Kerndoelen
83. De leerlingen leren deelnemen aan verschillende bewegingsactiviteiten zoals balanceren, klimmen, zwaaien, springen, hardlopen.
84. De leerlingen leren deelnemen aan verschillende spelactiviteiten zoals: mikken, jongleren, doelspelen, tikspelen, stoeispelen.
85. De leerlingen leren deelnemen aan verschillende vormen van bewegen op muziek.
86. De leerlingen leren deelnemen aan verschillende zwemactiviteiten: drijven, watertrappelen, in en onder water verplaatsen, in het water springen en duiken.
87. De leerlingen leren met elkaar de bewegingssituaties reguleren.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › De eerste generatie kerndoelen voor zeer moeilijke lerende leerlingen of meervoudig gehandicapte leerlingen in het speciaal onderwijs › Preambule
Preambule
Het onderwijs aan leerlingen met verstandelijke en/of meervoudige beperkingen bevordert brede vorming van leerlingen. Het onderwijsaanbod richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden. Het onderwijs gaat er mede vanuit dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.
Het onderwijs omvat waar mogelijk in samenhang: zintuiglijke oefening, lichamelijke oefening, bevordering van de sociale redzaamheid (waaronder gedrag in het verkeer), bevordering van gezond gedrag, expressieactiviteiten (waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de bevordering van het taalgebruik, tekenen, muziek, handvaardigheid, spel en beweging) en één of meer kennisgebieden, waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de natuur. De kerndoelen zijn een operationalisering hiervan. Het geheel van kerndoelen geeft een beeld van het inhoudelijk aanbod van het onderwijs.
De kerndoelen zijn ingedeeld in leergebiedoverstijgende en leergebiedspecifieke kerndoelen.
De leergebiedoverstijgende kerndoelen zijn gegroepeerd in de volgende thema’s: zintuiglijke en motorische ontwikkeling, sociale en emotionele ontwikkeling, spelontwikkeling, leren leren, omgaan met media en technologische hulpmiddelen, praktische redzaamheid en ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit.
De leergebiedspecifieke kerndoelen zijn ingedeeld in Nederlandse taal, rekenen en wiskunde, oriëntatie op mens en wereld, kunstzinnige oriëntatie en bewegingsonderwijs.
Kerndoelen geven een beschrijving van de kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die de overheid minimaal belangrijk acht voor alle leerlingen. Kerndoelen omschrijven het eind van een leerproces, niet de wijze waarop ze bereikt worden.
Om de leerlingen in staat te stellen die kwaliteiten te verwerven, is de school verantwoordelijk voor het aanbieden van een passend onderwijsaanbod. Dit aanbod dient te worden afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling en is zo ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan doorlopen.
De kerndoelen zijn richtinggevend voor de scholen bij het maken van hun keuzes omtrent hun onderwijsprogramma, maar bieden de scholen gelijkertijd voldoende ruimte om hun onderwijsactiviteiten tegemoet te laten komen aan de individuele mogelijkheden en beperkingen van de leerlingen. De grote verscheidenheid aan beperkingen en stoornissen in het onderwijs aan zeer moeilijk lerende leerlingen en leerlingen met een meervoudige beperking maakt deze vrijheidsgraden noodzakelijk. Kerndoelen bieden de scholen die ruimte door bijvoorbeeld geen voorschrijvende uitspraken te doen over de ordening van de inhouden, de te volgen didactiek, de keuze voor onderwijsleermiddelen, de vormgeving van het onderwijs, de toekenning van tijd of de keuze voor levensbeschouwelijk of godsdienstig onderwijs.
Tenslotte wordt opgemerkt dat het van belang is doelen zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. In de dagelijkse onderwijspraktijk zullen doorgaans doelen uit verschillende leergebieden tegelijk aan de orde zijn.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Karakteristiek
Karakteristiek
Het onderwijs aan zeer moeilijk lerende leerlingen en aan leerlingen met een meervoudige beperking streeft een brede ontwikkeling bij de leerlingen na. Dit betekent dat het onderwijs zich richt op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling van de leerlingen, op het tot ontwikkeling brengen van hun creativiteit en op het verwerven van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden op een zodanige wijze dat de leerling optimale kansen krijgt zich als persoon te ontwikkelen. De kerndoelen als geheel geven uitdrukking aan deze brede vorming.
Het centrale begrip voor het onderwijs aan zeer moeilijk lerende leerlingen en aan leerlingen met een meervoudige beperking is (de versterking van) redzaamheid. Daarmee hangt nauw samen het hebben van zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld. De functieontwikkeling op het gebied van zintuigen en motoriek is voor zeer moeilijk lerende leerlingen en voor leerlingen met een meervoudige beperking, een niet zo vanzelfsprekend ontwikkelingsproces. Het uitdrukkelijk stimuleren van deze ontwikkeling behoort niet bij één bepaald leergebied; het is voorwaardelijk voor het verkrijgen van toegang tot de leergebieden.
Tot de categorie leergebiedoverstijgende kerndoelen horen ook doelen die meer gericht zijn op het ontwikkelen of bevorderen van vaardigheden en attitudes, en op het overdragen van normen en waarden die in de samenleving algemeen zijn geaccepteerd.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2
De beperkingen bij leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2 hebben naast effecten op zaken als spreken en luisteren, ook invloed op het gehele functioneren van de leerlingen. Door de auditief communicatieve beperking is het van belang dat naast de auditieve ervaring de motorisch-sensorische ervaring extra gestimuleerd en getraind wordt. Ter compensatie van de auditief communicatieve beperking is gerichte stimulering van andere zintuigen gewenst om een zo groot en breed mogelijke ervaringswereld bij de leerlingen te helpen ontwikkelen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Bij de emotionele ontwikkeling speelt een belangrijke rol dat leerlingen in veel gevallen afhankelijk zijn van hun directe omgeving. Hierdoor bestaat het risico dat de omgeving voor de leerling gaat denken en handelen. Om de autonomie van leerlingen te vergroten is het van belang «zoveel mogelijk de eigen regiefunctie» bij leerlingen te ontwikkelen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
1. De leerlingen leren hun zintuiglijke en motorische mogelijkheden optimaliseren en integratief gebruiken.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Zelfbeeld
Zelfbeeld
2. De leerlingen leren met behoud van het gevoel voor zelfvertrouwen en zelfwaardering omgaan met de eigen mogelijkheden en beperkingen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Sociaal gedrag
Sociaal gedrag
3. De leerlingen leren omgaan met anderen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Spelontwikkeling
Spelontwikkeling
4. De leerlingen leren zich oriënteren op hun omgeving door middel van spel.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Werkhouding
Werkhouding
5. De leerlingen leren belangstelling hebben voor de omringende wereld en leren die wereld onderzoeken en daarin taken uitvoeren.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Aanpak gedrag
Aanpak gedrag
6. De leerlingen leren uiteenlopende strategieën en vaardigheden gebruiken voor het opnemen, verwerken en hanteren van informatie.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Omgaan met media en technologische hulpmiddelen
Omgaan met media en technologische hulpmiddelen
7. De leerlingen leren gebruik maken van communicatiemedia en technologische hulpmiddelen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Praktische redzaamheid
Praktische redzaamheid
8. De leerlingen leren hun dagelijkse activiteiten en behoeften zoveel mogelijk zelfstandig realiseren.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Leergebiedoverstijgende kerndoelen › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1 en 3 › Ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit
Ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit
9. De leerlingen leren zich in de ruimte (binnen en buiten) oriënteren en verplaatsen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op mens en wereld › Karakteristiek
Karakteristiek
Het perspectief van zeer moeilijk lerende leerlingen en van leerlingen met een meervoudige beperking kan worden samengevat in wonen, werken en recreëren. Vanuit deze drie leefverbanden zijn onderwijslijnen te trekken naar (onderdelen van) de kerndoelen van dit veelomvattende leergebied.
Voor de jongere leerlingen worden de kerndoelen vertaald in onderwijsleersituaties waarbij het accent ligt op een voorwaardelijk karakter voor deze (toekomstige) leefverbanden. Bij de keuze van het onderwijsaanbod en de vormgeving daarvan in onderwijsarrangementen wordt uitgegaan van de mogelijkheden die in de regio voorhanden zijn.
Ongeacht de beperking of stoornis van de leerling is het belangrijk het onderwijs in te richten vanuit de concrete ervaringen van de leerling.
Tot het leergebied «Oriëntatie op mens en wereld» behoren vier domeinen:
1. mens en samenleving;
2. natuur en techniek;
3. ruimte;
4. tijd.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op mens en wereld › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1 en 2
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1 en 2
Voor de leerlingen is het van belang dat oriënterend onderwijs zeer dicht bij de leerlingen blijft. Zo ligt bijvoorbeeld bij oriëntatie op ruimte het accent hoofdzakelijk op die ruimte en leefomgeving die de leerlingen direct ervaren.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Oriëntatie op mens en wereld › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Bij oriëntatie op mens en samenleving is het belangrijk dat leerlingen leren omgaan met hun handicapspecifieke beperkingen en hun specifieke voorzieningen. Deze leerlingen ontvangen in het algemeen veel ondersteuning. Van groot belang daarbij is dat de regie zoveel mogelijk aan de leerling overgelaten wordt en gevoelens van privacy en decorum gerespecteerd worden.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Mens en samenleving › Karakteristiek
Karakteristiek
Het centrale begrip van het onderwijs aan zeer moeilijk lerende leerlingen en aan leerlingen met een meervoudige beperking is redzaamheid in de meest brede zin van het woord: alle onderwijsactiviteiten dienen een bijdrage te leveren aan de redzaamheid in algemene zin. De doelen met betrekking tot gezond en redzaam gedrag vereisen extra accent vanwege de kwetsbaarheid van de doelgroep. De ontwikkeling van het zelfbeeld en de zelfwaardering moet zodanig zijn, dat de zeer moeilijk lerende leerlingen en de leerlingen met een meervoudige beperking een solide basis krijgen om zich alleen, maar zeker ook met anderen op een bevredigende wijze kunnen redden in wisselende situaties: thuis en buitenshuis, tijdens werk en bij vrijetijdsbesteding. Deze redzaamheid ligt ten grondslag aan alle onderwijsactiviteiten.
Vanuit hun eigen situatie leren leerlingen deel uit maken van de samenleving. Op hun eigen manier leren ze daar ook aan deelnemen. Ze leren belangstelling krijgen voor aspecten in de samenleving en ze leren er gebruik van maken. Het gaat er om dat leerlingen hun mogelijkheden en interesses leren verkennen: welke activiteiten doen ze graag en liggen binnen hun mogelijkheden, nu en later.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Mens en samenleving › Karakteristiek › Kerndoelen › Gezond en redzaam gedrag
Gezond en redzaam gedrag
21. De leerlingen leren omgaan met verschillen tussen mensen wat betreft sociale en affectieve behoeften.
22. De leerlingen leren de eigen en andermans gezondheid behouden en bevorderen en leren de samenhang aangeven tussen het functioneren van het lichaam, de verzorging van het lichaam, en de risico’s van verslavende gedragingen.
23. De leerlingen leren de seksuele verschillen respecteren tussen jongens en meisjes en leren op een weerbare en open wijze omgaan met de eigen lichamelijkheid en die van anderen.
24. De leerlingen leren op de juiste wijze reageren bij ziekte, ongeluk of bij een kleine verwonding.
25. De leerlingen leren op een verantwoorde en veilige manier, zelfstandig of begeleid, deelnemen aan het verkeer.
26. De leerlingen leren (mede) zorgdragen voor het dagelijkse eten en drinken en leren de daarbij horende regels en tafelmanieren hanteren.
27. De leerlingen leren zich kleden en leren linnengoed, kleding en schoeisel (helpen) verzorgen.
28. De leerlingen leren helpen hun huis en kamer inrichten, schoonhouden en op orde houden en leren dat mensen die samenwonen, ook samen zorgen voor de goede gang van zaken.
29. De leerlingen leren boodschappen doen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Mens en samenleving › Karakteristiek › Kerndoelen › Oriëntatie op de samenleving
Oriëntatie op de samenleving
30. De leerlingen leren gebruik maken van de voor hen relevante maatschappelijke en culturele instellingen.
31. De leerlingen leren herkennen dat in de samenleving, onder meer op het gebied van seksualiteit, verschillen en overeenkomsten zijn tussen mensen en groepen van mensen in de wijze waarop ze leven.
32. De leerlingen leren zich oriënteren op medezeggenschap, stemrecht, besluitvorming, het gemeentelijk en landelijk bestuur.
33. De leerlingen leren de vrije tijd alleen en samen met anderen besteden.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Natuur en techniek › Karakteristiek
Karakteristiek
Bij de oriëntatie op natuur en techniek gaat het om de confrontatie met de levende en de niet-levende natuur. Natuuronderwijs gebeurt altijd aan de hand van de werkelijkheid: buitenwerk speelt hierbij een belangrijke rol. De eigen activiteit van de leerlingen staat centraal: het zelf ontdekken en het op eigen manier proberen achter de dingen te komen, is hierbij uitgangspunt. In de juiste didactische context kunnen leerlingen hierdoor leren denken met hoofd en hand. Ze leren zelf antwoorden zoeken op vragen die ze aan de werkelijkheid leren stellen. Zodoende komen ze in aanraking met organismen, materialen, voorwerpen en verschijnselen.
Vanuit de betrokkenheid met de dingen om hen heen leren de leerlingen het mooie in en van de natuur ervaren en leren zij de samenhangen zien in de werkelijkheid. Ook leren zij het belang van zorg en verantwoordelijkheid voor de medemens en de omgeving. De zorg voor hun omgeving wordt mede gestimuleerd vanuit de dagelijkse ervaring in contact met anderen en in de natuur. Het gaat hierbij om de wil om verder te kijken dan alleen het eigenbelang en het principe van rechtvaardigheid.
Techniek gaat over de dingen die mensen gemaakt hebben en nog steeds maken, zoals hulpmiddelen om in leven te blijven en het bestaan te vergemakkelijken en te verrijken. Leerlingen ervaren om zich heen producten van techniek als gebouwen, meubels en apparaten. Ze leren in de eigen omgeving gebruik maken van producten en processen van techniek.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Natuur en techniek › Karakteristiek › Kerndoelen › Natuur
Natuur
34. De leerlingen leren dieren, bomen, planten en bloemen die in de eigen omgeving voorkomen herkennen en ermee omgaan.
35. De leerlingen leren kenmerken aangeven van bossen, weiden, bouwland, parken en water.
36. De leerlingen leren met zorg omgaan met de natuur en leren zich houden aan gedragsregels in de woonomgeving en natuur.
37. De leerlingen leren weer-meetinstrumenten aflezen, elementen benoemen die van belang zijn bij het weer en leren aangeven wat de invloed van weertypen op de mens is.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Natuur en techniek › Karakteristiek › Kerndoelen › Techniek
Techniek
38. De leerlingen leren technische producten en gereedschappen voor dagelijkse toepassingen benoemen en gebruiken.
39. De leerlingen leren toepassingen gebruiken van natuurkundige verschijnselen als licht, geluid, magnetisme en warmte, en leren toepassingen gebruiken van diverse energiebronnen voor verwarming, verlichting en beweging.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Ruimte › Karakteristiek
Karakteristiek
Bij Oriëntatie op ruimte gaat het er in de eerste plaats om dat leerlingen leren zich op hun eigen (leef)omgeving te richten. Ze leren zich oriënteren op de wereld om hen heen en leren zien dat overal mensen hun omgeving hebben ingericht: hun eigen kamer, huis, woonplaats, streek, land.
Daarbij zijn diverse elementen gebruikt: huizen zien er verschillend uit en zijn ook verschillend ingericht, maar hebben tegelijk veelal dezelfde functie. In groter verband worden ook diverse inrichtingselementen gebruikt: huizen, akkers, weilanden, fabrieken, kantoren, winkels, wegen, kanalen, spoorlijnen, gebedshuizen en sportvelden. Ze leren zien dat deze elementen op een bepaalde manier zijn verspreid en leren opmerken dat er sprake is van zowel verschillen als overeenkomsten met de eigen leef- en woonsituatie.
Daarbij leren ze ervaren dat mensen gezamenlijk voor het milieu moeten zorgen om ook de eigen omgeving leefbaar te houden. Ze leren omgaan met plattegrond en kaart om zich te oriënteren en als hulpmiddelen om hun eigen omgeving in beeld te brengen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Ruimte › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1
Voor deze leerlingen is het belangrijk dat de ruimtelijke waarneming (het zien) gecompenseerd wordt via visuele, tactiele en bewegingservaringen. De taal is daarbij ondersteunend, aanvullend en compenserend.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Ruimte › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Leerlingen met een lichamelijke beperking zijn soms beperkt in hun mobiliteit. Een deel van deze leerlingen kan zich slechts dankzij een hulpmiddel (bijvoorbeeld met een rolstoel) verplaatsen. Omdat de leerlingen in sommige gevallen bepaalde lichamelijke ervaringen missen, kan extra aandacht nodig zijn voor begrippen waarmee leerlingen zich in de ruimte kunnen oriënteren.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Ruimte › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Kerndoelen
Kerndoelen
40. De leerlingen leren het eigen lichaamsschema gebruiken voor het verkennen en ordenen van de ruimte om zich heen.
41. De leerlingen leren de plaats aangeven van voorwerpen in voor hen bekende ruimten vanuit hun eigen positie en ten opzichte van elkaar.
42. De leerlingen leren de weg kennen en benoemen in de eigen leefomgeving.
43. De leerlingen leren inrichtingsaspecten herkennen van de eigen leefomgeving.
44. De leerlingen leren aangeven in welke opzichten het dagelijks wonen, werken en de vrijetijdsbesteding van sommige mensen overeenkomt of verschilt.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tijd › Karakteristiek
Karakteristiek
Bij oriëntatie op tijd gaat het er om dat leerlingen leren greep te krijgen op hun eigen levenstijd; dat ze leren zich bewust zijn van hun dagritme en hun tijdsbesteding.
Ze leren het (dichtbije) verleden verkennen vanuit hun eigen positie, waardoor hun levenssituatie duidelijker wordt. Ze leren, zich baserend op heden en verleden, reflecteren op de toekomst.
Het verleden is onder andere te zien en te bevragen bij oudere mensen. De leerlingen leren gegevens en voorwerpen van het verleden opzoeken en ordenen. Kennis en inzicht over het heden en het verleden kunnen daardoor groeien.
De leerlingen leren een besef ontwikkelen van continuïteit en verandering in het eigen leven en in de eigen omgeving. Ze leren oorzaken en gevolgen onderscheiden en ze leren achterhalen wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen heden en verleden.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tijd › Karakteristiek › Kerndoelen
Kerndoelen
45. De leerlingen leren zich oriënteren op de dagindeling en op de tijdsindeling.
46. De leerlingen leren de tijdordening gebruiken voor de thuis- en schoolsituatie en leren de dagen van de week, de maanden van het jaar en de seizoenen benoemen en gebruiken.
47. De leerlingen leren perioden, gebeurtenissen en personen ordenen uit hun eigen leven, uit de geschiedenis van het gezin en de familie en uit hun omgeving.
48. De leerlingen leren bronnen uit het verleden herkennen en gebruiken.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kunstzinnige oriëntatie › Karakteristiek
Karakteristiek
Bij de kunstzinnige oriëntatie gaat het in belangrijke mate om het leren plezier beleven en het zich leren uiten. Deze activiteiten richten zich zowel op het individu als op de groep.
Voor sommige leerlingen geven onderdelen van kunstzinnige oriëntatie een extra gelegenheid zich te leren uiten en te leren communiceren. Vooral als andere manieren niet realiseerbaar zijn, kan dit een dankbare verrijking zijn.
Tot het leergebied Kunstzinnige oriëntatie behoren de volgende domeinen:
1. tekenen en handvaardigheid;
2. muziek;
3. dramatische vorming.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tekenen en handvaardigheid › Karakteristiek
Karakteristiek
Bij het onderwijs in tekenen en handvaardigheid leren leerlingen zich met verschillende mogelijkheden in beelden uit te drukken. Daarnaast leren ze kijken naar en praten over beeldende uitingen van anderen en leren ze beeldende producten waarderen. Dat betekent dat leerlingen hun ideeën, gevoelens, waarnemingen en ervaringen op persoonlijke wijze leren vorm te geven in beeldende werkstukken. Dit gebeurt meestal aan de hand van een concreet onderwerp of naar aanleiding van een verhaal of een thema. Vanuit hun eigen beleving leren ze een tekening of een werkstuk te maken. Hiervoor gebruiken ze diverse materialen als klei, papier, hout en textiel. Vanuit gerichte opdrachten wordt de ontwikkeling van de fantasie extra gestimuleerd.
Het onderwijs in tekenen en handvaardigheid is er tevens op gericht dat leerlingen de functies en de betekenis van beelden leren herkennen door hun waarneming te richten op beeldende producten uit de gebouwde omgeving, interieurs, mode en kleding, gebruiksvoorwerpen of beeldende kunst. Dit houdt tevens in dat leerlingen respect leren hebben voor de verschillende manieren waarop mensen zich in beelden uitdrukken.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tekenen en handvaardigheid › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Voor deze leerlingen is het belangrijk dat zij de kans krijgen zoveel mogelijk zelf te doen, daarom zijn extra handen in de groep en aangepast gereedschap of specifieke hulpmiddelen een basisvoorwaarde. Voor die leerlingen die dusdanig beperkt zijn, dat er geen of slechts in heel beperkte mate sprake is van zelf beeldend handelen, is het van belang dat zij technieken aangeboden krijgen die specifiek gericht zijn op spelen met «abstracte» vormen, kleuren en lijnen. Belangrijk hierbij is dat de leerlingen de regie blijven houden terwijl een ander het werk voor hen uitvoert. Het plezier beleven staat voorop.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Tekenen en handvaardigheid › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Kerndoelen
Kerndoelen
49. De leerlingen leren ideeën, ervaringen en gevoelens uitdrukken in beelden en daarover te communiceren.
50. De leerlingen leren beeldende aspecten zoals kleur, vorm, ruimte, structuur van het materiaal en compositie toepassen in een werkstuk.
51. De leerlingen leren beeldende mogelijkheden van materialen onderzoeken en toepassen in hun eigen werk en leren daarbij de benodigde gereedschappen op een veilige manier gebruiken.
52. De leerlingen leren ontdekken en ervaren dat mensen iets willen meedelen en overbrengen door gebruik te maken van beeldende producten.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Muziek › Karakteristiek
Karakteristiek
Leerlingen groeien op in een samenleving waarin veel muziek klinkt: muziek uit hun eigen jeugdcultuur, muziek uit niet-westerse culturen, oude en hedendaagse muziek, ontspanningsmuziek, filmmuziek.
Muziek heeft vaak een informerende rol die in veel gevallen niet met tekst ondersteund wordt: herkenningstunes, signalen met hoogteverschillen, signalen waarbij klankkleur-, sterkte- en tempoverschillen relevante informatie geven. Muziek doet daarbij iets met leerlingen: ze komen in een bepaalde sfeer, ze leren erbij bewegen en ze leren ervan genieten.
Bij het bewegen op muziek gaat het er om dat leerlingen ervaringen, belevingen, ideeën, gevoelens, situaties en gebeurtenissen leren uiten en vormgeven. Alleen of samen met anderen leren leerlingen elementen gebruiken als tijd, kracht en ruimte om hun bewegingen inhoud, uitdrukkingskracht en een context te geven.
Met activiteiten op het gebied van muziek en bewegen wordt de auditieve en motorische ontwikkeling extra gestimuleerd. Leerlingen leren hun liedjes zingen en bewegen mee, ze leren spelen op instrumenten, ze leren hun eigen muziek uitkiezen om naar te luisteren en ze leren met elkaar praten over muziek, hun idolen en favoriete groepen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Muziek › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2
Voor alle muzikale activiteiten geldt, dat deze naar de mate van auditieve beperking wordt aangepast in uitvoeringsvormen. Muziek stimuleert echter de auditieve functie en beleving en is dus een zinvol gebied voor dove leerlingen.
Voor de leerlingen is het belangrijk dat zij plezier ervaren aan muziek en bewegen, juist als het gehoor beperkt is en dat zij hun bewegingsrepertoire leren uitbreiden.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Muziek › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Het is belangrijk dat leerlingen de kans krijgen zelf zoveel mogelijk te doen, daarom zijn aangepaste instrumenten of andere specifieke hulpmiddelen een basisvoorwaarde. Veel waarde wordt toegekend aan het geven van regie aan die leerlingen die om welke reden dan ook, niet of nauwelijks in staat zijn tot zelf musiceren.
Tot bewegen op een gespeeld ritme wordt ook het rolstoeldansen gerekend.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Muziek › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Kerndoelen
Kerndoelen
53. De leerlingen leren liederen zingen, alleen en in groepsverband.
54. De leerlingen leren begeleidingsritmes spelen op (school-)instrumenten en leren samen een muziekstuk uitvoeren.
55. De leerlingen leren speelliederen uitvoeren, bewegen op een gespeeld ritme en leren daarbij de ervaringen, gevoelens en situaties in beweging en dans weergeven.
56. De leerlingen leren muziek beleven en genieten, onderscheiden en benoemen.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Dramatische vorming › Karakteristiek
Karakteristiek
Bij het gebied dramatische vorming gaat het erom dat de leerlingen plezier beleven aan de expressieve en communicatieve mogelijkheden van stem, taal, houding, beweging en mimiek. Dat kan door te leren luisteren, te leren kijken en door er zelf aan mee te leren doen. In gedramatiseerd spel leren ze gevoelens, ideeën, gebeurtenissen en personages verbeelden.
Ze leren reflecteren op hun eigen (toneel)spel en dat van anderen.
In dit leergebied ligt ook een aanknopingspunt om belangstelling te stimuleren voor theaterbezoek.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Dramatische vorming › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2 is dramatisch spel mogelijk met gebruikmaking van meerdere communicatievormen zoals gebarentaal. Het leren zien en uitvoeren van niet verbale aspecten heeft het accent. Dramatische vorming biedt aanknopingspunten voor kennismaking met de dovencultuur zoals het gebarentheater.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Dramatische vorming › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2 › Kerndoelen
Kerndoelen
57. De leerlingen leren een gegeven situatie in een gedramatiseerde vorm uitvoeren, al dan niet met anderen.
58. De leerlingen leren verschillen en overeenkomsten aangeven tussen de dagelijkse werkelijkheid en de doen-alsof-situatie.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Bewegingsonderwijs › Karakteristiek
Karakteristiek
Bewegingsonderwijs is erop gericht dat de leerlingen deel leren nemen aan bewegingsactiviteiten, waardoor zij een uitgangspositie verwerven om deel te nemen aan bewegingsactieve vrijetijdsbesteding, nu en later.
Het gaat daarbij om ontwikkeling van het eigen motorisch vermogen, het kunnen omgaan met de eigen motorische (on)mogelijkheden, maar ook om het samen bewegen. Mensen bewegen en reageren niet op dezelfde manier, waardoor het samen met anderen deelnemen aan bewegingsactiviteiten niet vanzelfsprekend verloopt.
Door het vertrouwd raken met eigen bewegingsmogelijkheden en het leren omgaan met dagelijkse obstakels als drempels, zware deuren en trappen, leren leerlingen zich zelfstandiger gedragen.
Het plezier beleven aan deelname aan verschillende bewegingsactiviteiten staat ook centraal. Sport kan de leerlingen aantrekkelijke spel- en bewegingsactiviteiten bieden. Er is de laatste jaren een opkomst van bewegingsactiviteiten met een vrijblijvender en individueler deelname dan in de georganiseerde sport. Tevens is er een trend van sportactiviteiten die in meer heterogeen samengestelde groepen (leeftijd, geslacht) worden beoefend. Wanneer de leerlingen ook worden voorbereid op deelname aan de bewegingscultuur, dan gebeurt dat via uitnodigende en bij hun leeftijd en mogelijkheden passende spel- en bewegingsvormen, bijvoorbeeld met aangepaste regels en materialen. Hierdoor kunnen de leerlingen deelnemen aan activiteiten van speciale sportclubs en blijft integratie in de reguliere sportwereld ook tot de mogelijkheden behoren.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Bewegingsonderwijs › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3
Voor deze leerlingen kan er sprake zijn van een ander lichaamsbesef waardoor bewegingservaringen anders gekleurd worden. Als er ook nog sprake is van cognitieve beperkingen, blijkt de taal als hulpmiddel voor de uitvoering van bewegingsactiviteiten een groot probleem. De taal is namelijk doorspekt met begrippen die gerelateerd zijn aan bewegingservaringen (ver, dichtbij, boven, onder, achter, voor, enz.).
Leerlingen met een progressief ziektebeeld zullen in tegenstelling tot andere leerlingen op vele terreinen een achteruitgang in de ontwikkeling vertonen. Toch is het ook voor hen van belang om aandacht te besteden aan de mogelijkheden om deel te nemen aan de bewegingsactiviteiten.
Leerlingen die zich verplaatsen in een rolstoel kunnen aan verschillende activiteiten goed zonder rolstoel deelnemen en lopende leerlingen kunnen bij verschillende activiteiten uitgenodigd worden om deel te nemen in een rolstoel.
De uiteenlopende lichamelijke/somatische beperkingen maken een bewegend actieve deelname aan activiteiten in sommige gevallen onmogelijk. Voor zover mogelijk worden voor deze leerlingen alternatieven aangeboden, waarin ze op een andere manier actief betrokken kunnen zijn bij de activiteit.
Bijlage 2 — bij Besluit kerndoelen WEC › Bewegingsonderwijs › Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3 › Kerndoelen
Kerndoelen
59. De leerlingen leren deelnemen aan de bewegingsvormen: voortbewegen, balanceren, springen, klimmen en zwaaien.
60. De leerlingen leren deelnemen aan verschillende aspecten uit de spelgebieden: mikken, jongleren, doelspelen, tikspelen, stoeispelen.
61. De leerlingen leren zwemmen en gevaarlijke situaties herkennen die zich bij zwemmen voordoen.
62. De leerlingen leren bij bewegen en spel omgaan met emoties, spanning, vermoeidheid.
63. De leerlingen leren zich oriënteren op (aangepaste) buitenschoolse sport- en spelactiviteiten.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen voortgezet speciaal onderwijs › Preambule
Preambule
In deze bijlage is de eerste generatie kerndoelen opgenomen voor het voortgezet speciaal onderwijs.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen voortgezet speciaal onderwijs › Drie uitstroomprofielen
Drie uitstroomprofielen
Voor het voortgezet speciaal onderwijs zijn in de WEC drie uitstroomprofielen opgenomen: vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding. Voor alle drie de uitstroomprofielen gelden kerndoelen. Voor het uitstroomprofiel vervolgonderwijs zijn dat de kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs. Voor de overige twee profielen gelden er kerndoelen voor de verschillende leergebieden en zijn er kerndoelen gericht op de voorbereiding op de arbeidsmarkt en de dagbesteding. Voor alle drie profielen zijn er leergebiedoverstijgende kerndoelen, die ook voor het profiel vervolgonderwijs gelden voor de gehele schoolperiode.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen voortgezet speciaal onderwijs › Drie uitstroomprofielen › Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs
Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs
Het onderwijs in dit uitstroomprofiel is gericht op het behalen van een regulier vo-diploma. De leerlingen in dit profiel moeten voor een diploma aan dezelfde eisen voldoen als de leerlingen in het regulier onderwijs.
Het onderwijs in dit uitstroomprofiel richt zich niet alleen op de voorbereiding op vervolgonderwijs, maar ook op het leren omgaan met de beperking en op bevordering van de zelfredzaamheid van leerlingen. Zelfredzaamheidscompetenties op het gebied wonen, vrije tijd en burgerschap zullen een belangrijke plaats in het onderwijs moeten krijgen, opdat de leerling zo zelfstandig mogelijk door het leven kan gaan. Bovendien zal er tijdig een plaats in het onderwijsaanbod moeten worden ingeruimd voor de overgang naar het vervolgonderwijs.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen voortgezet speciaal onderwijs › Drie uitstroomprofielen › Uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht
Uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht
Het onderwijs in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel is enerzijds gericht op een brede persoonlijke vorming en participatie in de samenleving en anderzijds op duurzame toeleiding van leerlingen naar een passende plaats op de arbeidsmarkt. Tevens is onderwijs in dit uitstroomprofiel gericht op het leren omgaan met de beperking of stoornis en op bevordering van de zelfredzaamheid van leerlingen. Zelfredzaamheidscompetenties hebben een belangrijke plaats in het onderwijs, omdat de leerling wordt toegerust voor een zo zelfstandig mogelijke participatie op de arbeidsmarkt en invulling van eigen leven.
Voor betrokkenen in de samenleving is het van belang goed te kunnen herkennen wat een leerling aan het einde van het vso in het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht kan en weet. Het optimale resultaat van het onderwijs in dit uitstroomprofiel is een voor de leerling en de samenleving succesvolle transitie van school naar werken, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap. De kerndoelen voor dit uitstroomprofiel zijn op deze gebieden gericht.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen voortgezet speciaal onderwijs › Drie uitstroomprofielen › Uitstroomprofiel Dagbesteding
Uitstroomprofiel Dagbesteding
Het onderwijs binnen dit uitstroomprofiel richt zich op persoonlijke vorming en competentieontwikkeling rond werk- en dagactiviteiten, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap. Het bereidt leerlingen voor op het zo zelfstandig mogelijk functioneren in vormen van dagbesteding en de eigen leefsituatie. Verschillende vormen van dagbesteding kunnen worden onderscheiden:
• arbeidsmatige activiteiten (werk/taken gericht op productie/resultaat, met beperkte vereisten en werkdruk en zonder «afrekening»);
• dagbestedingsactiviteiten (activiteiten gericht op eigen ontwikkeling, oefening en behoud van vaardigheden);
• belevingsgerichte activiteiten (verzorgende en veilige situatie, waarin zoveel mogelijk kansen en stimulansen tot contact/interactie met de omgeving).
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen per uitstroomprofiel
Kerndoelen per uitstroomprofiel
Kerndoelen omschrijven op hoofdlijnen het onderwijsaanbod van de school. Voor leerlingen zijn de kerndoelen streefdoelen. Kerndoelen doen geen uitspraak over een niveauaanduiding en ze gelden dus niet als eindtermen waaraan een leerling moet voldoen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen per uitstroomprofiel › Leergebiedoverstijgende kerndoelen
Leergebiedoverstijgende kerndoelen
Voor alle uitstroomprofielen gelden gedurende de gehele vso-periode leergebiedoverstijgende kerndoelen. Deze doelen zijn geformuleerd opdat specifiek aandacht besteed wordt aan die domeinen waarbinnen jongeren in het voortgezet speciaal onderwijs in meer of mindere mate geconfronteerd worden met hun beperking. Het betreft de domeinen: leren leren, leren een taak uitvoeren, leren functioneren in verschillende sociale situaties en ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen per uitstroomprofiel › Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs
Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs
De leergebiedspecifieke kerndoelen in dit uitstroomprofiel komen overeen met de kerndoelen onderbouw van het regulier voortgezet onderwijs en gelden dienovereenkomstig voor de onderbouw van het vso. Deze kerndoelen zijn onverkort van toepassing, met dien verstande dat de uitwerking die aan de kerndoelen zal worden gegeven, vraagt om maatwerk, passend bij de beperking en mogelijkheden leerlingen. De vo-kerndoelen gelden op grond van de wet kwaliteit (v)so voor het vso en worden in dit besluit derhalve niet vastgesteld.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen per uitstroomprofiel › Uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht
Uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht
De leergebiedspecifieke kerndoelen voor het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht zijn nieuw. Zij gelden gedurende de gehele periode van het voortgezet speciaal onderwijs. In het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht zijn de kerndoelen geordend in de leergebieden:
Nederlandse taal en communicatie, Engelse taal, rekenen en wiskunde, mens, natuur en techniek, mens en maatschappij, culturele oriëntatie en creatieve expressie, bewegen en sport, Friese taal (voor vso in de provincie Fryslân).
Met betrekking tot ordening en inhoud is, waar mogelijk en zinvol, aangesloten bij de leergebieden zoals die worden gehanteerd in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Maar de kerndoelen voor dit uitstroomprofiel zijn inhoudelijk en functioneel sterker dan de kerndoelen onderbouw vo gekoppeld aan de transitiegebieden werken, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap.
Naast deze leergebiedspecifieke kerndoelen gelden in dit uitstroomprofiel kerndoelen ter voorbereiding op arbeid.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Kerndoelen per uitstroomprofiel › Uitstroomprofiel Dagbesteding
Uitstroomprofiel Dagbesteding
De leergebiedspecifieke kerndoelen voor het uitstroomprofiel Dagbesteding zijn eveneens nieuw en zijn met het oog op de brede doelgroep opgesteld. Zij gelden gedurende de gehele periode van het voortgezet speciaal onderwijs. De kerndoelen die geordend zijn in leergebieden omvatten: Nederlandse taal en communicatie, rekenen en wiskunde, mens, natuur en techniek, mens en maatschappij, culturele oriëntatie en creatieve expressie, bewegen en sport, Friese taal (voor vso in de provincie Fryslân).
Daarnaast gelden er voor dit uitstroomprofiel kerndoelen ter voorbereiding op dagbesteding. Bij deze kerndoelen gaat het om de voorbereiding op praktijksituaties in het latere dagelijks leven in de transitiegebieden: werken en activiteiten in dagbesteding, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap, elk ingekleurd vanuit het realiseerbare toekomstperspectief van de leerling.
De ordening van de kerndoelen voor dit uitstroomprofiel sluit merendeels aan op het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht, maar de inhoud is afgestemd op mogelijkheden van de leerlingen en de uitstroombestemmingen in dagbesteding. Aangezien het uitstroomprofiel Dagbesteding geen ondergrens kent, is waar mogelijk rekening gehouden met uitwerkingsmogelijkheden van kerndoelen in een onderwijsaanbod voor leerlingen op zeer laag niveau.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Ruimte voor maatwerk
Ruimte voor maatwerk
De kerndoelen zijn globaal geformuleerd. Zij bieden scholen ruimte om in te spelen op individuele mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften van leerlingen. Het gaat daarbij met name om aanpassingen in niveau en tempo, en aanpassingen in het gebruik van leermiddelen, informatiebronnen en ondersteunende materialen.
Het niveau van beheersing en de mate van zelfstandigheid dat bij bepaalde kerndoelen kan worden bereikt en de mate van ondersteuning die daarbij nodig is, kan per individuele leerling verschillen. De vso-scholen hebben de taak om de vso-kerndoelen uit te werken of toe te snijden ten behoeve van de doelgroep(en) van de school. Sommige (delen van) kerndoelen zijn mogelijk niet haalbaar voor een bepaalde leerling. In dat geval is er ontheffing mogelijk, mits de school vervangende doelen aangeeft.
In deze bijlage gaat het in de karakteristieken op een aantal plaatsen over hoe de kerndoelen door scholen worden uitgevoerd. Het gaat op die plaatsen over een uitvoering binnen de ruimte die het kerndoel biedt voor alternatieve uitvoering.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 1 — Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso › Karakteristiek
Karakteristiek
De leergebiedoverstijgende kerndoelen in het voortgezet speciaal onderwijs richten zich op het functioneren van jongeren op de gebieden leren, werken, burgerschap, wonen en vrije tijd. Er is aandacht voor het aanleren van kennis en vaardigheden, maar evenzeer voor de ontwikkeling van sociale, communicatieve en emotionele aspecten.
De leergebiedoverstijgende kerndoelen betreffen vier thema’s:
1. Leren leren.
2. Leren taken uitvoeren.
3. Leren functioneren in sociale situaties.
4. Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 1 — Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso › Karakteristiek › Leren leren
Leren leren
Bij veel leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs vraagt het ontwikkelen van een open en flexibele leerhouding en het leren toepassen van leerstrategieën veel aandacht. Het leren (mede)verantwoordelijkheid nemen voor het leerproces en het actief werken aan de eigen ontwikkeling en met zelfvertrouwen kennis opbouwen is belangrijk.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 1 — Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso › Karakteristiek › Leren taken uitvoeren
Leren taken uitvoeren
Leerlingen leren, zo planmatig, methodisch en zelfstandig mogelijk, taken uit te voeren en hierbij zo nodig hulp te vragen. Het doel is een zo groot mogelijke zelfstandigheid en eigen regie van de leerling. Voor een deel van de leerlingen geldt dat de zelfredzaamheid blijvend (intensieve) aandacht vraagt. Het verder optimaliseren en geïntegreerd gebruiken van de zintuiglijke en motorische mogelijkheden kan hieronder vallen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 1 — Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso › Karakteristiek › Leren functioneren in sociale situaties
Leren functioneren in sociale situaties
De beperking en/of problematiek van leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs maakt dat bepaalde competenties, met name op sociaal, emotioneel en communicatief gebied, niet door iedereen als vanzelf worden ontwikkeld of kunnen worden geleerd. De verdere ontwikkeling van deze competenties in allerlei contexten vraagt extra aandacht.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 1 — Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso › Karakteristiek › Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief
Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief
Leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs worden zich enerzijds bewust van hun kracht en kwaliteiten en leren anderzijds omgaan met hun beperkingen. Het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en een realistische kijk op de eigen toekomstmogelijkheden vormen cruciale doelen. Leerlingen oriënteren zich hierbij:
• op zichzelf, hun eigen wensen en voorkeuren;
• op ontwikkelingsmogelijkheden;
• op de wereld van opleidingen, werk en/of dagbesteding;
• op mogelijkheden en wensen met betrekking tot burgerschap, wonen en vrije tijdsbesteding.
De leergebiedoverstijgende kerndoelen zijn hetzelfde voor alle drie de uitstroomprofielen. Zij zijn globaal geformuleerd zodanig dat, afhankelijk van het uitstroomprofiel en de doelgroep, verschillende uitwerkingen mogelijk zijn. Uitwerkingen kunnen verschillen voor wat betreft het niveau en de context waarin het kerndoel gestalte krijgt. De mate van zelfstandigheid en planmatigheid die bij elk kerndoel nagestreefd kan worden en het type en de hoeveelheid ondersteuning die nodig is, zullen per uitstroomprofiel, maar ook per leerling sterk variëren. Vaak zal bij de concretisering van een kerndoel in leeractiviteiten maatwerk nodig zijn. Soms zal duidelijk zijn dat een leerling het maximum haalbare bij een kerndoel is bereikt en zal de aandacht uitgaan naar uitbreiding op andere (compenserende) gebieden.
In het uitstroomprofiel Vervolgonderwijs kunnen eisen aan de leerlingen worden gesteld als het gaat om de planmatigheid bij het leren en handelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het zelfstandig kiezen en toepassen van leer- en zoekstrategieën en het inzetten van taal-, reken- en ICT-vaardigheden. De eisen die in dit profiel worden gesteld aan het initiatief, het overzicht, het tempo en de nauwkeurigheid van leerlingen bereiden voor op exameneisen en instroomeisen van het vervolgonderwijs. Ook mag in dit profiel van leerlingen worden verwacht dat zij kritisch kunnen reflecteren op leer- en werkprocessen, op sociale interacties en op de eigen rol in diverse sociale situaties. De mate waarin leerlingen zich kunnen inleven en rekening kunnen houden met andermans gevoelens en meningen zal echter ook afhankelijk zijn van de eventuele sociale beperking van de leerling.
Het ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief zal in dit profiel gericht zijn op de keuze voor een vervolgopleiding die past bij de individuele wensen, mogelijkheden en beschikbare ondersteuning. Ook de reflectie op realiseerbare woonsituaties en vrije tijdsbesteding maakt onderdeel uit van het toekomstperspectief in dit uitstroomprofiel.
In het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht kunnen eisen aan de leerlingen worden gesteld als het gaat om de planmatigheid bij het leren en handelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het leren toepassen van leer- en zoekstrategieën en het inzetten van taal-, reken- en ICT-vaardigheden. De eisen die in dit profiel worden gesteld aan het initiatief, het overzicht, het tempo en de nauwkeurigheid van leerlingen bereiden voor op de rol van werknemer in arbeidsorganisaties en op zo zelfstandig mogelijk wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap. Ook mag in dit profiel van leerlingen worden verwacht dat zij leren reflecteren op de eigen rol in leer- en werkprocessen en in diverse sociale situaties. De mate waarin leerlingen zich kunnen inleven en rekening kunnen houden met andermans gevoelens en meningen zal echter ook afhankelijk zijn van de eventuele sociale beperking van de leerling.
Het ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief zal in dit profiel gericht zijn op de keuze voor een plek op de arbeidsmarkt die past bij de individuele wensen, mogelijkheden en beschikbare ondersteuning. Ook de reflectie op realiseerbare woonsituaties en vrije tijdsbesteding maakt onderdeel uit van het toekomstperspectief in dit uitstroomprofiel.
In het uitstroomprofiel Dagbesteding worden de leergebiedoverstijgende doelen ingevuld vanuit de mogelijkheden en het perspectief van de leerling. Hierbij is belangrijk om bij de vier genoemde thema's aandacht te geven aan wat de ontwikkeling van de leerling op dat vlak kan stimuleren. Uitgangspunt is niet het benadrukken wat niet lukt, maar het ontdekken wat wel mogelijk is en daaruit een positief en reëel zelfbeeld te ontwikkelen. Bij «leren leren» zal de aandacht vooral gericht zijn op leren door doen en het stimuleren van activiteiten die de ontwikkeling bevorderen. Leerlingen leren omgaan met het eigen leervermogen en leren hoe taken zelfstandig of met ondersteuning kunnen worden aangepakt. Dit staat mede in het licht van het persoonlijk toekomstperspectief van de leerlingen op het gebied van wonen, werk en dagactiviteiten, vrijetijdsbesteding, burgerschap en persoonlijke ontwikkeling. Burgerschap komt voor deze doelgroep neer op zo maximaal mogelijk participeren in de nabije sociale omgeving en hetzelfde geldt voor de andere transitiegebieden. Voor de doelgroep van het uitstroomprofiel Dagbesteding is dat zeer divers, gezien de grote verschillen tussen leerlingen in hun mogelijkheden en beperkingen. Het gaat om maatwerk. Dat geldt ook voor de wijze waarop de leergebiedoverstijgende kerndoelen worden uitgewerkt en in het programma worden geïntegreerd.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 1 — Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso › Kerndoelen › Leren leren
Leren leren
1. De leerling ontwikkelt een open en flexibele houding ten opzichte van de wereld om hem heen.
2. De leerling leert doelgericht en planmatig te leren en daarbij strategieën te gebruiken.
3. De leerling leert verschillende soorten informatie te zoeken, te beoordelen en te gebruiken.
4. De leerling leert op basis van feiten een mening te vormen, deze adequaat te uiten en respectvol om te gaan met andere meningen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 1 — Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso › Kerndoelen › Leren taken uitvoeren
Leren taken uitvoeren
5. De leerling leert zich redzaam en weerbaar te gedragen bij de uitvoering van dagelijkse activiteiten.
6. De leerling leert op doelgerichte, planmatige en methodische wijze taken en activiteiten uit te voeren.
7. De leerling leert samen te werken aan een taak of activiteit.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 1 — Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso › Kerndoelen › Leren functioneren in sociale situaties
Leren functioneren in sociale situaties
8. De leerling leert op adequate wijze om te gaan met eigen gevoelens en wensen.
9. De leerling leert respectvol en verantwoordelijk om te gaan met anderen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 1 — Leergebiedoverstijgende kerndoelen voor het vso › Kerndoelen › Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief
Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief
10. De leerling krijgt zicht op de eigen voorkeuren, interesses en toekomstwensen op het gebied van werken, wonen, vrije tijd en burgerschap.
11. De leerling leert afwegingen en keuzes te maken die leiden tot een passend persoonlijk toekomstperspectief, met realiseerbare mogelijkheden en kansen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Engelse taal › Karakteristiek
Karakteristiek
Engels neemt als wereldtaal voor ons land een centrale plaats in en is daarom van belang voor alle leerlingen. Door beheersing van het Engels vergroten leerlingen wereldwijd hun communicatieve, sociale en maatschappelijke mogelijkheden.
In het vso is, ook bij Engels, het zelfredzaam worden in een aantal veel voorkomende communicatieve situaties de kern. De mogelijkheden van de computer als hulp- en communicatiemiddel zijn daarbij onmisbaar.
Uitgangspunt bij het formuleren van de kerndoelen Engels voor het vso vormt het Europees referentiekader (ERK; meer informatie op www.erk.nl). Hierin wordt op zes onderscheidende, opklimmende niveaus (A1-A2-B1-B2-C1-C2) beschreven wat een leerling moet kunnen in de vreemde taal. Ook in het reguliere voortgezet onderwijs zijn de kerndoelen gerelateerd aan het ERK.
Specifiek voor het vso uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht geldt dat het onderwijsaanbod gericht is op de doelen van het A1 niveau (Breakthrough level). Dit houdt in dat leerlingen vertrouwde dagelijkse uitdrukkingen en basiszinnen gericht op de bevrediging van concrete behoeften begrijpen en gebruiken. Dat leerlingen zichzelf aan anderen kunnen voorstellen en vragen kunnen stellen en beantwoorden over persoonlijke gegevens zoals waar hij woont, mensen die hij kent en dingen die hij bezit. En dat leerlingen op een simpele wijze kunnen reageren, aangenomen dat de andere persoon langzaam en duidelijk praat en bereid is om te helpen. De toepassingsgebieden sluiten zoveel mogelijk aan bij de leefwereld van de leerlingen, met name in het dagelijks leven en het publieke domein. De verschillende aspecten van taalvaardigheid (luisteren, lezen, gesprekken voeren, spreken en schrijven) komen zoveel mogelijk in samenhang aan bod.
Gegeven het feit dat leerlingen op het A1 niveau nog erg beperkt zijn in hun taalkennis en -vaardigheden, kunnen zij de hiaten in hun kennis compenseren door het toepassen van strategieën voor luisteren, lezen en woordenschat. Daarom zijn deze strategieën ook opgenomen in de kerndoelen.
Als bij leerlingen sprake is van een vertraagde taalontwikkeling en/of van problemen in de informatieverwerking zal dit doorwerken in het niveau dat kan worden nagestreefd bij de kerndoelen Engels. Leerlingen kunnen als gevolg van hun beperking problemen ondervinden in communicatieve situaties. Zij hebben baat bij een veilige situatie en ondersteuning van hun zelfvertrouwen.
Voor bepaalde leerlingen zullen aangepaste bronnen en/of ondersteunende materialen worden ingezet. Zo zullen voor blinde leerlingen daar waar gesproken wordt over (geschreven) teksten en bronnen aangepaste (gebrailleerde) materialen kunnen worden ingezet. Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking kan bij de uitwerking van de kerndoelen meer nadruk worden gelegd op de leesvaardigheid in plaats van de luistervaardigheid. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij leerlingen met een spraakbeperking kan ervoor gekozen worden om meer nadruk te leggen op de schriftelijke communicatievaardigheden in plaats van de mondelinge communicatievaardigheden.
Met name voor dove leerlingen vergt het leren van een vreemde taal een zeer grote extra inspanning. Het werken aan deze doelen vraagt veel aandacht en onderwijstijd. Scholen kunnen voor hen maatwerk leveren.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Engelse taal › Kerndoelen
Kerndoelen
10. De leerling leert vertrouwde woorden en basiszinnen te begrijpen die zichzelf, zijn/haar familie en directe concrete omgeving betreffen, wanneer mensen langzaam en duidelijk spreken.
11. De leerling leert vertrouwde namen, woorden en zeer eenvoudige zinnen begrijpen, bijvoorbeeld in mededelingen, op posters en in catalogi.
12. De leerling leert deel te nemen aan een eenvoudig gesprek waarin hij eenvoudige vragen kan stellen en beantwoorden die een directe behoefte of zeer vertrouwd onderwerp betreffen.
13. De leerling leert in spreektaal een beeld te geven van zichzelf, anderen en de naaste omgeving.
14. De leerling leert een korte eenvoudige schriftelijke mededeling te doen en leert formulieren in te vullen met persoonlijke details.
15. De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven Engelstalige teksten.
16. De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn/haar woordenschat.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Mens, natuur en techniek › Karakteristiek
Karakteristiek
Dit brede leergebied is in het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht gericht op vier concrete thema's, namelijk zorg, planten en dieren, duurzaamheid en techniek. Deze thema's worden geplaatst in de context van school-, leef- en (toekomstige) werksituaties.
Kenmerkend is dat de leerlingen op een praktische manier ervaringen opdoen waar ze in hun dagelijks leven, nu en in de toekomst, gebruik van kunnen maken. Ze verwerven kennis over en leren te zorgen voor zichzelf en andere mensen (kerndoelen 26, 27 en 28) planten en dieren (kerndoel 29) duurzaamheid en het milieu (kerndoel 30) en zij leren om te gaan met technische producten en processen (kerndoelen 31 t/m 34). In kerndoel 28 is ook de seksuele ontwikkeling en gezondheid opgenomen als onderdeel van het onderwijs in het leergebied Mens, natuur en techniek. Het accent ligt hier op «seksuele voorlichting» dat voor deze groep kwetsbare leerlingen belangrijk is en is niet te verwarren met het aspect omgaan met seksuele diversiteit in kerndoel 40.
Het leergebied Mens, natuur en techniek in het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht is tweezijdig gericht: enerzijds op de zelfredzaamheid en de participatie van leerlingen op het gebied van (zelf)zorg, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap en anderzijds op wat van een toekomstige werknemer mag worden verwacht. Als toekomstige werknemer werkt de leerling straks onder begeleiding van een leidinggevende of een gekwalificeerde vakman. De noodzakelijke kennis en vaardigheden om werkzaamheden uit te kunnen voeren, worden deels op school en deels tijdens (bedrijfs-)stages geleerd.
Overlap van kerndoelen in het leergebied Mens, natuur en techniek met kerndoelen ter voorbereiding op arbeid is er bewust. Bijvoorbeeld het aspect veiligheid is zeer belangrijk voor zowel woon- als werksituaties. Daarom is het aspect veiligheid twee keer opgenomen in de kerndoelen: als kerndoel in het leergebied Mens, natuur en techniek en als aspect in de kerndoelen ter voorbereiding op arbeid.
Algemeen geldt voor leerlingen met een beperking het belang dat zij ICT, technologische hulpmiddelen en aanpassingen steeds beter leren benutten om de eigen redzaamheid te vergroten. In het leergebied Mens, natuur en techniek wordt er tevens naar gestreefd dat leerlingen de mogelijkheden van ICT benutten bij het omgaan met werkgerelateerde informatie, zoals urenverantwoording en/of digitale uitlezing van machines en apparatuur.
Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zal het uitvoeren van praktisch onderzoek en van praktische opdrachten vaak om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming. Met een duidelijke, gestructureerde aanpak en gerichte ondersteuning kan ook een brailleleerling praktische opdrachten leren uitvoeren, maar het goed om kunnen gaan met bepaalde meetgereedschappen zal lastig blijven.
Het brede spectrum van onderwerpen in dit leergebied en de daarmee samenhangende begrippen veronderstellen een bepaald niveau van (vak)taal- en woordenschatontwikkeling. Voor leerlingen in dit uitstroomprofiel zal de uitwerking van de kerndoelen zo praktisch en concreet mogelijk moeten zijn en afgestemd op de taal- en woordenschatontwikkeling van de leerlingen.
Het kerndoel gericht op veiligheidsaspecten, zal voor leerlingen met een auditieve en visuele beperking specifiek uitgewerkt worden. Het leren waarnemen en herkennen van onveilige situaties is echter ook voor hen uiterst belangrijk.
De kerndoelen gericht op kennis van lichamelijke en psychische gezondheid en zorg voor zichzelf en anderen zijn bij uitstek van belang voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. De ondersteuning, apparatuur en/of handicapspecifieke aanpassingen waarmee de leerlingen zelf dagelijks omgaan kunnen hierbij worden betrokken. De invulling van deze kerndoelen kan worden aangepast aan de doelgroepen in de school en zal vaak ook per leerling variëren.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Mens, natuur en techniek › Kerndoelen
Kerndoelen
26. De leerling leert over zorg en leert te zorgen voor een gezonde voeding, voor de woon- en leefomgeving en voor de persoonlijke verzorging en presentatie.
27. De leerling leert over aspecten van hygiëne en leert hygiënisch te handelen in de school-, leef- en werkomgeving.
28. De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam en van de lichamelijke, seksuele en geestelijke ontwikkeling van mensen en leert te zorgen voor de eigen lichamelijke, seksuele en psychische gezondheid.
29. De leerling leert veel voorkomende planten en dieren te onderscheiden en leert te zorgen voor planten en/of dieren.
30. De leerling leert over aspecten van duurzaamheid en leert met zorg om te gaan met het milieu.
31. De leerling leert aan de hand van toepassingen uit het dagelijks leven technische en natuurkundige principes te herkennen.
32. De leerling leert technische toepassingen te herkennen en gebruiken, mede om de eigen redzaamheid te vergroten.
33. De leerling leert eenvoudig technisch onderhoud uit te voeren.
34. De leerling leert over veiligheidsaspecten en leert veilig te handelen op school, thuis en op de werkplek.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Mens en maatschappij › Karakteristiek
Karakteristiek
In dit leergebied staat de toerusting van leerlingen voor hun rol als burger in de Nederlandse maatschappij centraal. Door middel van praktische ervaringen en reflectie daarop leren de leerlingen deze rol in verschillende situaties in te vullen: op school, op stage, op de arbeidsplaats en in de bredere maatschappij.
Het leergebied Mens en maatschappij in het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht is gericht op de zelfredzaamheid en de participatie van leerlingen in het private en publieke domein en op de participatie in arbeidsorganisaties en de (toekomstige) rol als werknemer. Tot het private en het publieke domein behoren zaken als consumeren, budgetteren, mobiliteit, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap.
Bij de invulling van hun rol als burger en als werknemer hebben veel vso-leerlingen in meerdere of mindere mate ondersteuning nodig. Het op adequate wijze stellen van hulpvragen en het omgaan met ondersteuning en ondersteuners behoort voor deze leerlingen eveneens tot de te ontwikkelen burgerschapscompetenties.
Algemeen geldt voor leerlingen met een beperking dat zij ICT, technologische hulpmiddelen en aanpassingen steeds beter leren benutten om de eigen redzaamheid te vergroten.
In het leergebied Mens en maatschappij wordt ernaar gestreefd dat leerlingen tevens de mogelijkheden van ICT benutten bij het zoeken en gebruiken van informatie.
In dit leergebied is het van belang dat leerlingen leren omgaan met voor hen van toepassing zijnde maatschappelijke ondersteuning, zorg- en/of hulpverlening. Ook leren de leerlingen wat de betekenis is van het hebben van een beperking voor de samenleving.
Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zal het uitvoeren van praktisch onderzoek en het doen van praktische opdrachten vaak om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming. Voor deze laatste groep leerlingen is vooral het werken met complex samengestelde bronnen problematisch.
Bij kerndoel 37, het verwerven van een eigentijds beeld van de ruimtelijke omgeving ten behoeve van het reizen, kan het gebruik van kaarten, luchtfoto's en satellietbeelden problemen opleveren.
Voor leerlingen met een auditieve beperking en taalontwikkelingsstoornissen is het «verbanden zien en inzicht verkrijgen» soms lastig. Dit veronderstelt een taalabstractieniveau dat niet alle leerlingen kunnen ontwikkelen. Voor leerlingen met problemen op het gebied van communiceren en/of sociaal gedrag zal het innemen en verdedigen van een beargumenteerd standpunt en daarbij respectvol met kritiek omgaan speciale aandacht vergen. Voor leerlingen met een autisme spectrum stoornis geldt dit in het bijzonder voor kerndoel 40, met name als het gaat om het begrijpen en respectvol hanteren van verschillen in leefwijzen en opvattingen en om het zich verplaatsen in zienswijzen en standpunten van anderen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Mens en maatschappij › Kerndoelen
Kerndoelen
35. De leerling leert over de rol van de consument in de Nederlandse samenleving, leert als consument bewuste en kritische keuzes te maken en leert daarbij bewust om te gaan met sociale druk.
36. De leerling leert te budgetteren en leert de eigen financiën te beheren, mede met het oog op zelfstandig wonen in de toekomst.
37. De leerling leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving, Nederland en de wereld te gebruiken om zich te kunnen verplaatsen en te reizen.
38. De leerling leert over het belang en de betekenis van werk voor zichzelf en oriënteert zich op de eigen plaats binnen een arbeidsorganisatie en op regelingen voor arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden.
39. De leerling leert over verschillende mogelijkheden om de vrije tijd te besteden en verkent actief de eigen mogelijkheden om te participeren aan activiteiten in de vrije tijd.
40. De leerling leert over burgerschap in de Nederlandse samenleving en de eigen rol als burger in te vullen en leert respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.
41. De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse politieke bestel als democratie functioneert en hoe hij zelf daarbij betrokken kan zijn.
42. De leerling leert perioden, gebeurtenissen en personen uit zijn eigen leven en leefomgeving te ordenen in de tijd.
43. De leerling leert enkele belangrijke gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in de tijd te plaatsen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Culturele oriëntatie en creatieve expressie › Karakteristiek
Karakteristiek
In het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht staat de voorbereiding op (toekomstig) werken, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap centraal. Het leergebied «culturele oriëntatie en creatieve expressie» draagt daaraan bij door het stimuleren van de persoonlijke, creatieve en kunstzinnige ontwikkeling van leerlingen, de ontwikkeling van de verbeeldingskracht en de ontwikkeling van competenties om de vrije tijd op een passende en bevredigende manier vorm te geven. Het richt zich op situaties, nu en in de toekomst, van dagelijks leven in de privésfeer (wonen, vrije tijd) en op het stimuleren van deelname aan sociaal-culturele activiteiten. Leerlingen verdiepen en verbreden hun kennismaking met culturele activiteiten en kunstzinnige en creatieve uitingen, voortbouwend op de kunstzinnige oriëntatie in het primair onderwijs of het speciaal onderwijs. Als vormingsgebied is culturele oriëntatie en creatieve expressie uitermate geschikt voor het ontwikkelen van competenties voor, en bewustwording van, een zinvolle en bevredigende besteding van vrije tijd.
Binnen de culturele oriëntatie ligt het accent op de verkenning van een passend sociaal-cultureel aanbod in de omgeving van de leerling. Ook is er aandacht voor erfgoededucatie, kunsteducatie en media-educatie, met nadruk op het verkennen van de diversiteit van het aanbod in de omgeving van de leerling en het deelnemen aan verschillende culturele en kunstzinnige activiteiten.
Binnen de creatieve expressie verkennen de leerlingen op een actieve manier hun eigen expressieve mogelijkheden binnen verschillende kunstzinnige disciplines: beeldend, audiovisueel, muziek, dans, drama. Hierna volgt reflectie op eigen voorkeuren en talenten, gevolgd door het maken van keuzes voor verbreding en/of verdieping van vaardigheden binnen de gekozen discipline(s).
In de gekozen discipline(s) worden verschillende functies verkend: uitdrukken van eigen gevoelens en ervaringen, vorm geven aan verbeelding, leren communiceren door middel van beeld, geluid en (lichaams)taal. De leerlingen leren daarbij hun creatieve en kunstzinnige uitingen op een toegankelijke wijze aan anderen te presenteren.
Daarbij en daarnaast leren de leerlingen oog te krijgen voor de diversiteit in de kunstzinnige en creatieve uitingen van anderen. Die «anderen» kunnen medeleerlingen zijn, maar ook professionele kunstenaars.
Het leren uitdrukken van eigen gevoelens en ervaringen en hierover communiceren door middel van beeld, geluid en (lichaams)taal biedt leerlingen met sociaal-emotionele problematiek en/of communicatieve problemen de kans om gekanaliseerd uiting te geven aan hun gevoelens en fantasie. Maar er zijn ook beperkingen.
Het leergebied nodigt leerlingen uit iets van zichzelf te laten zien, wat vaak moeilijk voor hen is. Daar komt bij dat sommige leerlingen, zoals leerlingen met een autisme spectrum stoornis, vaak een beperkte verbeeldingskracht hebben.
Voor leerlingen met een fysieke beperking geldt dat zij hun eigen productieve mogelijkheden zullen verkennen en exploreren. Technologie kan worden ingezet als hulpmiddel.
Voor leerlingen met beperkte (fijn-)motorische vaardigheden kan het leren omgaan met verschillende materialen een waardevolle ervaring zijn, mede voor het stimuleren van de senso-motorische ontwikkeling.
Ook leerlingen met een auditieve, communicatieve en/of visuele beperking worden in hun ontwikkeling gestimuleerd door het opdoen van een grote verscheidenheid aan ervaringen door te handelen, dingen mee te maken en bewust gebruik te maken van de allerlei zintuiglijke waarnemingen. Afhankelijk van de beperking zullen de kerndoelen op een passende wijze worden ingevuld.
Voor blinde leerlingen zal het «kijken naar kunst» vervangen worden door andere zintuiglijke ervaringen. Voor dove en slechthorende leerlingen geldt dit voor activiteiten die een beroep doen op het gehoor. Voor dove leerlingen is het aansluiten bij sociaal culturele activiteiten voor doven gewenst om zaken met andere doven te kunnen delen. Maar onder andere door grotere afstanden kan het aanbod minder bereikbaar zijn.
Compensatie kan worden gezocht in ervaringen en uitingen die andere zintuigen aanspreken.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Culturele oriëntatie en creatieve expressie › Kerndoelen
Kerndoelen
44. De leerling oriënteert zich op het sociaal-culturele aanbod in zijn omgeving, leert een voor hem passende keuze te maken uit dit aanbod en leert actief deel te nemen aan culturele activiteiten.
45. De leerling leert zich creatief en kunstzinnig te uiten, passend bij de eigen talenten, voorkeuren en mogelijkheden.
46. De leerling leert eigen creatief of kunstzinnig werk, alleen of met een groep, aan derden te presenteren.
47. De leerling leert te vertellen en na te denken over eigen creatief of kunstzinnig werk en over het werk van anderen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Bewegen en sport › Karakteristiek
Karakteristiek
Blijvende en verantwoorde deelname aan bewegen en sport is voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs belangrijk. Leerlingen worden zich in sterke mate bewust van hun (fysieke) mogelijkheden en onmogelijkheden. Het verkennen en accepteren van de eigen mogelijkheden en het ontwikkelen van zelfvertrouwen zijn daarbij essentieel.
Het ontwikkelen en behouden van een actieve leefstijl en de voorbereiding op een zinvolle en gezonde vrije tijdsbesteding vormen belangrijke doelstellingen van het leergebied bewegen en sport in het vso uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht. Om dat doel te bereiken leren leerlingen deel te nemen aan een breed scala van actuele bewegingsactiviteiten. Leerlingen leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat daarbij om bewegingsvormen als balanceren, springen, zwaaien, klimmen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen als tik- en afgooispelen, doelspelen en terugslagspelen en spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken en jongleren en zelfverdediging.
Ter voorbereiding op een zinvolle en gezonde vrijetijdsbesteding zullen leerlingen zich ook oriënteren op een passende buitenschoolse bewegings- en sportcultuur zoals die wordt aangeboden in hun woon- of leefomgeving, op de meer seizoensgebonden bewegingsactiviteiten en eventueel op het naschoolse aanbod van de school.
Als scholen in de gelegenheid zijn om zwemles aan te bieden aan leerlingen die daarin nog onvoldoende vaardig zijn, kan worden bevorderd dat leerlingen in hun vrije tijd veilig kunnen zwemmen.
De meeste spelvormen en sportactiviteiten worden gezamenlijk ondernomen en dus is het nodig om te leren die zelfstandig en gezamenlijk op gang te brengen en te houden. Daarbij is het van belang dat leerlingen leren af te spreken wat de regels zijn, hoe die na te leven en wie welke rol speelt. Verder hoort daarbij elkaar helpen, op veiligheid letten, elkaars mogelijkheden respecteren en eigen mogelijkheden verkennen. Het is eigen aan bewegen dat er plezier aan te beleven valt. Dat plezier is van groot belang voor een blijvende deelname aan bewegingsactiviteiten.
Ter voorbereiding op arbeid zitten in veel bewegingsactiviteiten aspecten die van belang zijn voor lichamelijke arbeid, zoals tillen, kracht zetten en op hoogte werken. Deze aspecten zullen gekoppeld aan passende activiteiten aan de orde komen.
Veiligheid in bewegingssituaties en fitheid in relatie tot bewegen is ook een thema dat samen met verschillende activiteiten aan de orde komt.
De motorische ontwikkeling bij leerlingen met een fysieke of zintuiglijke beperking is veelal achter vergeleken met leeftijdsgenoten. Bewegen in de ruimte kan voor deze leerlingen omgeven zijn met onzekerheid en angst. De uiteenlopende lichamelijke beperkingen kunnen een motorisch actieve deelname aan activiteiten voor sommige leerlingen moeilijk of zelfs onmogelijk maken. Voor zover mogelijk zullen voor deze leerlingen alternatieven worden aangeboden waarin ze op een andere en passende manier actief betrokken kunnen zijn bij een bewegingsactiviteit.
Voor blinde leerlingen zijn balspelen slechts beperkt mogelijk. Activiteiten als zwemmen, skiën, schaatsen, klimmen, fitness en kanoën zijn wel mogelijk. Met aangepast sportmateriaal kan veel worden bereikt. Slechtziende leerlingen kunnen bijna alle spelvormen op een eenvoudig niveau beoefenen.
Ook bij leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking kan sprake zijn van een achterstand in de motorische ontwikkeling, veroorzaakt door beperktere ervaring in verschillende vormen van bewegen en spelen. Ook komen stoornissen in de coördinatie en de planning van bewegingen voor. Door de stoornis van het gehoor kunnen dove en slechthorende leerlingen problemen met hun evenwicht hebben. Spelactiviteiten met andere leerlingen kunnen lastig zijn door problemen in de onderlinge communicatie.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Bewegen en sport › Kerndoelen
Kerndoelen
48. De leerling leert deel te nemen aan activiteiten uit verschillende bewegingsgebieden.
49. De leerling leert deel te nemen aan verschillende spelvormen en sportactiviteiten.
50. De leerling leert deel te nemen aan verschillende vormen van bewegen op muziek.
51. De leerlingen leren zelfstandig met elkaar bewegingssituaties te reguleren.
52. De leerlingen leren met elkaar bewegingssituaties positief te beleven.
53. De leerling leert over de waarde van bewegen voor gezondheid en welzijn en ontwikkelt een gewoonte van regelmatig en verantwoord bewegen.
54. De leerling oriënteert zich op sport- en bewegingsmogelijkheden in zijn omgeving, leert een voor hem passende keuze te maken uit dit aanbod en leert actief deel te nemen aan bewegingsactiviteiten buiten schoolverband.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Kerndoelen «Voorbereiding op arbeid» › Karakteristiek
Karakteristiek
In het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht worden leerlingen voorbereid op participatie op de arbeidsmarkt. Allereerst wordt bij «arbeidsmarkt» in relatie tot schoolverlaters van het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht gedacht aan passende werkgelegenheid in de regio waar de leerling woont.
«Passende werkgelegenheid» moet hier individueel bekeken worden: passend voor de individuele leerling, met zijn of haar wensen, mogelijkheden en beperkingen.
De kerndoelen ter voorbereiding op arbeid zijn erop gericht dat leerlingen zich oriënteren op geschikte werkvelden en beroepen en hun loopbaan-, arbeidsmarkt- en beroepsvaardigheden maximaal kunnen ontwikkelen, rekening houdend met hun mogelijkheden en beperkingen. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met het arbeidsmarktperspectief in de regio.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Kerndoelen «Voorbereiding op arbeid» › Karakteristiek › Loopbaansturing
Loopbaansturing
Een integrale benadering is belangrijk. Tegelijkertijd met het leren uitvoeren van praktische taken, oriënteert de leerling zich ook op een concrete en praktische manier wat die arbeid in de betreffende sector of branche voor hem betekent. De leerling oriënteert zich daarnaast actief op het werk- en beroepenveld, bijvoorbeeld door middel van bedrijfsexcursies en oriënterende stages in meerdere branches of sectoren.
De leerling leert om zijn eigen affiniteit met en motivatie voor verschillende werkvelden en branches te onderzoeken, ook in relatie tot de behoeften en mogelijkheden van de regionale arbeidsmarkt, en stapsgewijs tot conclusies te komen met betrekking tot de eigen loopbaan. Hierop kan de leerling bij de start van zijn loopbaan als werknemer zijn keuzes baseren.
De leerling leert loopbaanvaardigheden als effectief werk te zoeken, een sollicitatieprocedure te doorlopen en zijn rechten en plichten als werknemer naar behoren uit te oefenen. Het leren vinden en behouden van werk, en het (zo nodig) leren veranderen van baan is tevens onderdeel van de voorbereiding op de arbeidsmarkt.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Kerndoelen «Voorbereiding op arbeid» › Karakteristiek › Arbeidscompetenties
Arbeidscompetenties
De leerling ontwikkelt algemene competenties voor de arbeidsmarkt (kerndoel 61) en specifieke beroepscompetenties (kerndoel 62). De beschrijvingswijze van de kerndoelen is ontleend aan de beroepsgerichte kwalificatiestructuur van het mbo, omdat deze beschrijvingswijze herkend wordt door bedrijven en roc’s. Hierdoor kunnen doorgaande ontwikkelingslijnen voor leerlingen ontstaan van vso naar bedrijven en, indien mogelijk, naar vervolgtrajecten met een combinatie van werk en opleiding.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Kerndoelen «Voorbereiding op arbeid» › Karakteristiek › Maatwerk
Maatwerk
Voor leerlingen met uiteenlopende beperkingen of stoornissen zal de voorbereiding op arbeid maatwerk zijn. Dit onderdeel moet duidelijk gekoppeld worden aan de eigen keuzes en het verwachte en gewenste niveau van uitstroom en daarmee evenredig zijn. Bij uitstroom naar bijvoorbeeld de beschermde arbeidsmarkt zal het accent op andere kerndoelen liggen als bij uitstroom naar een reguliere baan. Veel leerlingen zullen wellicht altijd begeleiding of ondersteuning nodig hebben om te kunnen werken.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 2 — Kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht › Kerndoelen «Voorbereiding op arbeid» › Kerndoelen
Kerndoelen
59. De leerling verkent actief werkvelden en beroepen, bij voorkeur in de eigen regio.
60. De leerling leert vaardigheden om werk te verwerven, te behouden en om van werk te veranderen.
61. De leerling ontwikkelt algemene competenties voor arbeid, met name de volgende:
61.1 De leerling leert samen te werken en te overleggen.
61.2 De leerling leert instructies en procedures op te volgen.
61.3 De leerling leert bij arbeidsmatige taken de juiste materialen en middelen op een doelmatige en doelgerichte manier in te zetten.
61.4 De leerling leert de eigen beroepsmatige werkzaamheden te plannen en te organiseren.
61.5 De leerling leert kwaliteit te leveren in arbeidsmatige situaties.
61.6 De leerling leert ethisch en integer te handelen in beroepssituaties.
61.7 De leerling leert om te gaan met veranderingen en zich aan te passen.
61.8 De leerling leert met druk en tegenslag om te gaan.
62. De leerling ontwikkelt specifieke beroepsvaardigheden die passen bij de eigen keuzes, mogelijkheden en beperkingen. Afhankelijk van het gekozen beroep kan dat een combinatie zijn van vakspecifieke fysieke, manuele en/of mentale vaardigheden, kwaliteiten of vermogens.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Mens, natuur en techniek › Karakteristiek
Karakteristiek
Het brede leergebied «Mens natuur en techniek» biedt leerlingen een oriëntatie op levende en niet-levende natuur en op techniek in de eigen omgeving, op school, in eigen leef- en woonomgeving en (toekomstige) werk- en dagactiviteiten. Het leren zorgen voor zichzelf en anderen is een centraal thema in dit leergebied. Dit leergebied is gericht op een zo groot mogelijke zelfredzaamheid en participatie van leerlingen op het gebied van (zelf)zorg, wonen, dagelijkse werkzaamheden of activiteiten, vrije tijdsbesteding en burgerschap.
Kenmerkend is dat de leerlingen op een praktische manier ervaringen opdoen waar ze in hun dagelijks leven, nu en in de toekomst, gebruik van kunnen maken. Ze komen in aanraking met organismen, materialen, voorwerpen en verschijnselen. Ook leren leerlingen om te gaan met eigen lichaam, andere mensen, planten, dieren, het milieu en technische producten en processen. In kerndoel 16 is ook de seksuele gezondheid opgenomen als onderdeel van het onderwijs in het leergebied Mens, natuur en techniek. Het accent ligt hier op «seksuele voorlichting» dat voor deze groep kwetsbare leerlingen belangrijk is en is niet te verwarren met het aspect omgaan met seksuele diversiteit in kerndoel 27.
Het leergebied Mens, natuur en techniek in het uitstroomprofiel Dagbesteding kent verschillende thema’s:
• zorg voor voeding, hygiëne en gezondheid (kerndoelen 14–16)
• planten en dieren (kerndoel 17)
• duurzaamheid en zorg voor de omgeving, milieu (kerndoel 18)
• techniek, hulpmiddelen en veiligheid (kerndoelen 19–21)
In het leren over de onderwerpen in dit brede leergebied komen veel begrippen aan de orde, en het hangt daardoor samen met het niveau van taal- en woordenschatontwikkeling dat bereikt kan worden. Het leren zal voornamelijk met concrete situaties, taken en routines verbonden zijn.
Algemeen is voor leerlingen met een beperking belangrijk dat zij ICT, technologische hulpmiddelen en aanpassingen steeds beter leren benutten om de eigen redzaamheid te vergroten. De apparatuur en hulpmiddelen waarmee de leerlingen zelf dagelijks (zullen) omgaan kunnen hierbij worden betrokken.
In het leergebied Mens, natuur en techniekwordt er tevens naar gestreefd dat leerlingen de mogelijkheden van ICT benutten bij het vinden, verwerken en verstrekken van informatie en bij de communicatie.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Mens, natuur en techniek › Kerndoelen
Kerndoelen
14. De leerling leert zorg te dragen voor gezonde voeding en het verzorgen van de maaltijden.
15. De leerling leert over aspecten van hygiëne en leert hygiënisch te handelen in de eigen school-, leef- en werkomgeving.
16. De leerling leert hoofdzaken van bouw en functie van het menselijk lichaam en de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling, en leert zorg te dragen voor de eigen lichamelijke, seksuele en psychische gezondheid.
17. De leerling leert te zorgen voor planten en dieren in de eigen leefomgeving, en leert veel voorkomende planten en dieren in de eigen leefomgeving te onderscheiden.
18. De leerling leert over aspecten van duurzaamheid en leert met zorg omgaan met het milieu.
19. De leerling leert technische toepassingen herkennen en gebruiken, mede om de eigen redzaamheid te vergroten.
20. De leerling leert eenvoudig technisch onderhoud in de eigen leef- en woonomgeving uit te voeren.
21. De leerling leert over veiligheidsaspecten en leert zorg te dragen voor veiligheid voor zichzelf en anderen op school, thuis en op de werkplek.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Mens en maatschappij › Karakteristiek
Karakteristiek
In dit leergebied staat centraal de toerusting van leerlingen voor hun functioneren in sociale en maatschappelijke verbanden en rol als burger in de Nederlandse maatschappij. Door middel van praktische ervaringen en reflectie daarop leren de leerlingen deze rol op verschillende manieren in te vullen: eerst op school, later ook op stages in voor hen passende situaties met betrekking tot wonen, werken/dagactiviteiten en vrijetijdsbesteding en in de bredere maatschappij.
Het leergebied Mens en maatschappij in het vso-uitstroomprofiel Dagbesteding is gericht op zo groot mogelijke zelfredzaamheid en participatie van leerlingen in het private en publieke domein op de gebieden consumeren/budgetteren, mobiliteit, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap, en op de participatie in werkverbanden in (arbeidsmatige) dagbesteding of activiteiten.
Voor het functioneren op deze gebieden is belangrijk voor leerlingen met een beperking dat zij onder andere technologische hulpmiddelen en aanpassingen leren gebruiken om de eigen redzaamheid te vergroten.
In het leergebied Mens en maatschappij wordt tevens ernaar gestreefd dat leerlingen de mogelijkheden van ICT benutten bij het zoeken en gebruiken van informatie.
Bij de invulling van hun rol als burger en functioneren in de maatschappij hebben leerlingen in dit profiel verschillende vormen van ondersteuning nodig. Het stellen van (hulp-)vragen en het omgaan met ondersteuning en ondersteuners behoort voor deze leerlingen eveneens tot de te ontwikkelen burgerschapscompetenties.
Hierin ligt ook een relatie met de competenties die in de leergebiedoverstijgende doelen worden aangegeven.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Mens en maatschappij › Kerndoelen
Kerndoelen
22. De leerling leert wat hij voor een bescheiden bedrag kan kopen op basis van eigen voorkeuren.
23. De leerling leert zich te oriënteren op de ruimtelijke omgevingen waarin hij zich bevindt met aandacht voor basale verkeersregels.
24. De leerling leert deel te nemen aan werk en activiteitengroepen en daarin sociale gedragsregels te onderkennen en toepassen.
25. De leerling leert over het begeleid wonen in woongroepen, in het bijzonder over het naleven van leefregels, het belang van huishoudelijke taken en het milieu.
26. De leerling leert over verschillende mogelijkheden om zijn vrije tijd te besteden.
27. De leerlingen leren herkennen dat in de samenleving, onder meer op het gebied van seksualiteit, verschillen en overeenkomsten zijn tussen mensen en groepen van mensen in de wijze waarop ze leven.
28. De leerling leert hoe hij betrokken kan zijn in medezeggenschap en besluitvormingsprocessen en welke bijdragen hij kan leveren aan een plezierige en stimulerende leer-, werk- en woonomgeving.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Culturele oriëntatie en creatieve expressie › Karakteristiek
Karakteristiek
In het voortgezet speciaal onderwijs staat in het uitstroomprofiel Dagbesteding de voorbereiding op participatie in dagbesteding, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap centraal. Het leergebied «culturele oriëntatie en creatieve expressie» draagt daaraan bij door het stimuleren van de persoonlijke, creatieve en kunstzinnige ontwikkeling van leerlingen, de ontwikkeling van de verbeeldingskracht en de ontwikkeling van competenties om de vrije tijd op een passende en bevredigende manier vorm te geven. Het richt zich op situaties, nu en in de toekomst, van dagelijks leven in de privésfeer (wonen, vrije tijd) en op het stimuleren van deelname aan sociaal-culturele activiteiten. Daarmee is culturele oriëntatie en creatieve expressie niet alleen een leergebied, maar ook een vormingsgebied, waarin leerlingen hun kennismaking met culturele activiteiten en kunstzinnige en creatieve uitingen verbreden en verdiepen, voortbouwend op de kunstzinnige oriëntatie in het speciaal onderwijs. Als vormingsgebied is culturele oriëntatie en creatieve expressie uitermate geschikt voor het ontwikkelen van competenties voor, en bewustwording van, een zinvolle en bevredigende besteding van vrije tijd.
Binnen de culturele oriëntatie ligt het accent op de verkenning van het cultureel aanbod in de omgeving van de leerling. De leerling maakt kennis met instellingen of organisaties met een voor de leerling(en) passend cultureel aanbod. Kunst-, media- en erfgoededucatie hebben betrekking op het verkennen van de diversiteit van het aanbod in de omgeving van de leerling en het deelnemen aan verschillende culturele en kunstzinnige activiteiten.
In de creatieve expressie verkennen de leerlingen op een actieve manier hun eigen expressieve mogelijkheden binnen verschillende kunstzinnige disciplines: beeldend, audiovisueel, muziek, dans, drama. Van daaruit krijgen zij zicht op eigen voorkeuren en talenten, op basis waarvan een keuze gemaakt kan worden voor verbreding en/of verdieping van vaardigheden in de gekozen discipline(s). Bij het maken van keuzes leren leerlingen omgaan met de mogelijkheden vanuit handicap-specifieke aspecten. In de gekozen discipline(s) worden verschillende functies verkend: uitdrukken van eigen gevoelens en ervaringen, vorm geven aan verbeelding, leren communiceren door middel van beelden, muziek, taal, spel en beweging, afhankelijk van hun individuele talenten. De leerlingen leren daarbij hun kunstzinnige en creatieve uitingen aan anderen te presenteren.
Daarbij en daarnaast leren de leerlingen oog te krijgen voor de diversiteit in kunstzinnige en creatieve uitingen van anderen. Die «anderen» kunnen medeleerlingen zijn, maar ook professionele kunstenaars.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Culturele oriëntatie en creatieve expressie › Kerndoelen
Kerndoelen
29. De leerling maakt kennis met het (sociaal-)culturele aanbod in zijn omgeving door actief deel te nemen aan culturele activiteiten.
30. De leerling leert vaardigheden waarmee hij zich creatief en kunstzinnig wil en kan uiten, passend bij de eigen mogelijkheden, talenten en voorkeuren.
31. De leerling leert eigen kunstzinnig werk, alleen of binnen een groep, aan anderen (medeleerlingen, ouders) te presenteren.
32. De leerling leert te communiceren over eigen kunstzinnig werk en dat van anderen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Bewegen en sport › Karakteristiek
Karakteristiek
Bewegingsonderwijs is erop gericht dat de leerlingen deel leren nemen aan bewegingsactiviteiten, waardoor zij een uitgangspositie verwerven om deel te nemen aan bewegingsactieve vrijetijdsbesteding, nu en later.
De ontwikkeling van het eigen motorisch vermogen, het kunnen omgaan met de eigen motorische (on)mogelijkheden, staat centraal bij het leren deelnemen aan activiteiten uit de bewegingsgebieden. Leerlingen leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat daarbij om bewegingsvormen als balanceren, springen, zwaaien, klimmen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen als tik- en afgooispelen, doelspelen en terugslagspelen en spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken en jongleren en zelfverdediging.
Veel spelvormen en sportactiviteiten worden gezamenlijk ondernomen. Daarbij is het van belang dat leerlingen leren af te spreken wat de regels zijn en hoe die na te leven, elkaar helpen, op veiligheid letten, elkaars mogelijkheden respecteren en eigen mogelijkheden verkennen. Hierdoor leren de leerlingen het bewegen te reguleren.
In veel activiteiten zitten aspecten die van belang zijn voor lichamelijke arbeid, zoals tillen en kracht zetten. Deze aspecten zullen gekoppeld aan passende activiteiten aan de orde komen. Veiligheid in bewegingssituaties en fitheid in relatie tot bewegen is ook een thema dat samen met verschillende activiteiten aan de orde komt. Op deze manier leren de leerlingen gezond te bewegen.
Het plezier beleven aan deelname aan verschillende bewegingsactiviteiten is belangrijk. Een positieve beleving van bewegingsactiviteiten op school vergroot het enthousiasme voor deelname aan bewegingsactiviteiten op andere momenten. Sport kan leerlingen aantrekkelijke spel- en bewegingsactiviteiten bieden. Er zijn tegenwoordig veel bewegingsactiviteiten met een vrijblijvender en individueler deelname dan in de georganiseerde sport. Wanneer de leerlingen worden voorbereid op deelname aan de bewegingscultuur, dan gebeurt dat via uitnodigende en bij hun leeftijd en mogelijkheden passende spel- en bewegingsvormen, bijvoorbeeld met aangepaste regels en materialen. Hierdoor kunnen de leerlingen deelnemen aan activiteiten van speciale sportclubs en blijft integratie in de reguliere sportwereld ook tot de mogelijkheden behoren.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Bewegen en sport › Kerndoelen
Kerndoelen
33. De leerling leert deelnemen aan activiteiten uit verschillende bewegingsgebieden.
34. De leerling leert deel te nemen aan verschillende spelvormen en sportactiviteiten.
35. De leerling leert deel te nemen aan verschillende vormen van bewegen op muziek.
36. De leerlingen leren gezamenlijke bewegingssituaties met elkaar te reguleren.
37. De leerling leert bewegingssituaties positief te beleven.
38. De leerling leert de betekenis van bewegen voor gezondheid waarderen.
39. De leerling leert deel te nemen aan bewegings- en sportactiviteiten buiten schoolverband.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Kerndoelen «Voorbereiding op dagbesteding» › Karakteristiek
Karakteristiek
In het vso-uitstroomprofiel dagbesteding worden leerlingen voorbereid op participatie in dagactiviteiten. Daarin bestaan verschillende vormen met te onderscheiden mogelijkheden en niveaus. Het kan gaan om arbeidsmatige, activiteitengerichte of belevingsgerichte dagbesteding, en combinaties daartussen geven weer tussenmogelijkheden. De range van leerlingen en hun mogelijkheden is in dit uitstroomprofiel zeer groot en dat komt tot uiting in de zeer verschillende toekomstsituaties waarop de school hen voorbereiding wil bieden. Er is een groot verschil tussen leerlingen die ondersteund en begeleid werk kunnen verrichten en leerlingen waarbij primair voor een veilige omgeving met stimulerende ervaringen gezorgd moet worden. Uiteindelijk is het de bedoeling dat voor elke leerling de best passende plaats mogelijk wordt. Als er sprake is van werk, wordt hier geen loonvormende arbeid bedoeld.
De kerndoelen ter voorbereiding op dagbesteding zijn erop gericht dat leerlingen hun competenties voor de praktijk van hun dagelijkse activiteiten optimaal kunnen ontwikkelen, rekening houdend met hun mogelijkheden en beperkingen.
De kerndoelen ter voorbereiding op dagbesteding sluiten aan op de doelen voorbereiding op arbeid in het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht. Reden hiervoor is dat leerlingen soms in het profiel dagbesteding alsnog kunnen doorgroeien naar het profiel arbeidsmarktgericht, als ze zich doorontwikkelen in later jaren.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Kerndoelen «Voorbereiding op dagbesteding» › Karakteristiek › Exploratie van werk en dagactiviteiten
Exploratie van werk en dagactiviteiten
Wat een passende plek is voor een leerling kan eigenlijk alleen tot uiting komen door kennismaking en ervaring met het scala aan mogelijkheden dat voor hem of haar in aanmerking komt. De leerling moet het zelf ervaren, zijn voorkeuren ontdekken en leren te kiezen. Deels kan deze werkexploratie op school, maar heel nuttig is ook het gebruik maken van stagemogelijkheden bij de regionaal beschikbare zorgvoorzieningen.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Kerndoelen «Voorbereiding op dagbesteding» › Karakteristiek › Kiezen en loopbaansturing
Kiezen en loopbaansturing
Een passende plek in werk en dagbesteding staat niet voor altijd vast. In de mogelijkheden van (werk-)activiteiten kunnen nieuwe perspectieven haalbaar worden en ook de jongere kan zijn mogelijkheden verder ontwikkelen of zijn voorkeuren veranderen, waardoor het te verwachten is dat men meer dan eens van situatie zal wisselen. De vaardigheden om hier zoveel mogelijk zelf sturing aan te geven, vormen het onderwerp van het tweede kerndoel. Dit doel zal in het algemeen met de nodige begeleiding en ondersteuning gepaard gaan, tegelijk met het ervaring opdoen in de praktijk. De begeleiding in school krijgt vaak vorm in een individueel transitieplan, als voorbereiding op hun loopbaan. Loopbaan wordt voor deze leerlingen breed en integraal opgevat: hun weg in het leven met betrekking tot wonen, werk- en dagactiviteiten, vrijetijdsbesteding en samenleving.
Het hangt van het niveau van de leerling af in hoeverre hij of zij dat in enigermate zelfstandig kan. Het streven is om de leerling, om wie het uiteindelijk gaat, hierin een zo groot mogelijk betrokkenheid en stem te laten hebben. Doel is om hun vermogens tot loopbaansturing te versterken en hen uit te dagen, zelf (mede)verantwoordelijkheid te leren dragen voor hun (toekomstige) loopbaan in het leven.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Kerndoelen «Voorbereiding op dagbesteding» › Karakteristiek › Werkcompetenties
Werkcompetenties
Voor leerlingen die arbeidsmatige dagactiviteiten kunnen verrichten gelden de kerndoelen 45 en 46. De leerling ontwikkelt algemene (kerndoel 45) en specifieke (kerndoel 46) competenties voor werk. De beschrijvingswijze van deze kerndoelen is ontleend aan de beroepsgerichte kwalificatiestructuur van het mbo, die ook gebruikt is bij het uitstroomprofiel Arbeidsmarktgericht om de afstemming en herkenbaarheid te bevorderen.
Het zijn vrij globale geformuleerde competentiecategorieën en zullen in de praktijk voor deze leerlingen een eigen passende invulling krijgen.
Het verschil tussen de algemene werkcompetenties (kerndoel 45) en de specifieke vaardigheden (kerndoel 46) is dat de eerste betrekking hebben op het algemene functioneren in een op werken gerichte situatie, en de tweede de concrete vaardigheden bij het uitvoeren van werkhandelingen omvatten. Deze zijn uiteraard per werksituatie zeer verschillend. In de schoolsituatie en/of stage wordt deze uitvoering geleerd of getraind, lettend op de verschillende mogelijkheden van uitvoeringsniveau en/of ondersteuning die daarbij nodig is.
Deze kerndoelen gelden niet voor leerlingen in het uitstroomprofiel Dagbesteding die geen arbeidsmatige activiteiten kunnen verrichten. De voorbereiding op andere vormen van dagbesteding is zo divers dat de school hiervoor een op het perspectief van de leerling passende specifieke invulling van het programma kan ontwikkelen in afstemming met de ontvangende instellingen. Stages om te wennen aan de nieuwe omgeving behoren ook hier tot de mogelijkheden.
In de praktijk wordt de term «werk» gehanteerd op de wijze waarop dat eveneens in deze karakteristiek wordt gedaan. Aangezien de term «werk» niet past binnen het juridische kader van de kerndoelen, wordt bij de kerndoelen hieronder in plaats van de term «werk» de term «arbeidsmatige dagbesteding» gehanteerd.
Bijlage 3 — bij Besluit kerndoelen WEC › Hoofdstuk 3 — Kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding › Kerndoelen «Voorbereiding op dagbesteding» › Kerndoelen
Kerndoelen
43. De leerling verkent de mogelijkheden van al dan niet arbeidsmatige dagbesteding die bereikbaar zijn.
44. De leerling leert vaardigheden die het kiezen voor deelname aan en veranderen van vormen van al dan niet arbeidsmatige dagbesteding mogelijk maken.
45. De leerling voor wie het functioneren in vormen van arbeidsmatige dagbesteding mogelijk is, ontwikkelt met name de volgende algemene competenties voor het functioneren daarin:
45.1 De leerling leert samen te werken en te overleggen.
45.2 De leerling leert instructies en procedures op te volgen.
45.3 De leerling leert bij arbeidsmatige taken de juiste materialen en middelen op een doelmatige en doelgerichte manier in te zetten.
45.4 De leerling leert de eigen arbeidsmatige taken te plannen en te organiseren.
45.5 De leerling leert kwaliteit te leveren in arbeidsmatige situaties.
45.6 De leerling leert ethisch en integer te handelen in arbeidsmatige situaties.
45.7 De leerling leert om te gaan met veranderingen en zich aan te passen.
45.8 De leerling leert met druk en tegenslag om te gaan.
46. De leerling voor wie het functioneren in vormen van arbeidsmatige dagbesteding mogelijk is, ontwikkelt specifieke arbeidsmatige vaardigheden die passen bij de eigen keuzes, mogelijkheden en beperkingen.