2.10 — maatschappijkunde Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs
maatschappijkunde
BB | KB | GL/TL
ML2/K/1 | Oriëntatie op leren en werken
De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van maatschappijkunde verwoorden. | X | X | X
ML2/K/2 | Basisvaardigheden
De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken. | X | X | X
ML2/K/3 | Leervaardigheden in het vak maatschappijkunde | CE | CE | CE
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: informatie verwerven en daarbij gebruik maken van verschillende informatiebronnen zelf verzamelde of aangereikte informatie over maatschappelijke verschijnselen/vraagstukken verwerken en interpreteren op basis van vakinhoudelijke kennis de principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in een tekst over een maatschappelijk vraagstuk of verschijnsel een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. | X
De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: ten aanzien van maatschappelijke vraagstukken verschillende typen vragen herkennen en zo zelfstandig mogelijk formuleren bij gegeven of zelf geformuleerde vragen informatie verwerven en daarbij gebruik maken van verschillende informatiebronnen aangereikte informatie over maatschappelijke verschijnselen/vraagstukken verwerken en interpreteren op basis van vakinhoudelijke kennis de principes en procedures die horen bij de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in informatiebronnen over een maatschappelijk vraagstuk, of toepassen op een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. | | X | X
ML2/K/4 | Politiek en beleid | CE | CE | CE
De kandidaat kan: Nederland typeren als een parlementaire democratie in een rechtsstaat uitleggen op welke wijze overheidsbeleid tot stand komt, de invloed van de Europese Unie daarin herkennen en noemen/herkennen hoe Europese besluiten tot stand komen mogelijkheden beschrijven die individuele burgers en belangen- of pressiegroepen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden van politieke partijen en stromingen standpunten en de uitgangspunten noemen en herkennen. | X
De kandidaat kan: Nederland typeren als een parlementaire democratie in een rechtsstaat en als een constitutionele monarchie uitleggen op welke wijze overheidsbeleid tot stand komt, de invloed van de Europese Unie daarin aangeven/herkennen, en noemen/herkennen hoe Europese besluiten tot stand komen mogelijkheden beschrijven die individuele burgers en belangen- of pressiegroepen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden van politieke partijen en stromingen standpunten en de uitgangspunten herkennen, noemen en verklaren. | | X | X
ML2/K/5 | Mens en werk
De kandidaat kan: functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de kenmerken van de verzorgingsstaat herkennen herkennen wat de invloed is van arbeidsverdeling op de sociale ongelijkheid op het gebied van arbeid verschillende belangen en belangenorganisaties herkennen en aangeven welke middelen er zijn om voor belangen op te komen in overleg- en conflictsituaties oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen. | X
De kandidaat kan: de functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen en beschrijven, en factoren noemen die van invloed zijn op de cultuur van een bedrijf de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de problematiek van de verzorgingsstaat herkennen en beschrijven uitleggen welke invloed maatschappelijke arbeidsverdeling heeft op de sociale ongelijkheid in de samenleving een beschrijving geven van de arbeidsverhoudingen in Nederland oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen en verklaren. | | X | X
ML2/K/6 | De multiculturele samenleving
De kandidaat kan: Nederland als multiculturele samenleving typeren en het overheidsbeleid ten aanzien hiervan herkennen en beschrijven de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect. | X
De kandidaat kan: de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven en verklaren aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect. | | X | X
ML2/K/7 | Massamedia
De kandidaat kan: de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen in voorbeelden de rol herkennen die media kunnen vervullen bij beeldvorming (waaronder vooroordelen en stereotypen), en bij de overdracht van waarden en normen informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin herkennen. | X
De kandidaat kan: de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen en beschrijven factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen benoemen wat de rol van de media is bij beeldvorming en aangeven hoe er sprake is van beïnvloeding door massamedia informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin verklaren. | | X | X
ML2/K/8 | Criminaliteit en rechtsstaat | CE | CE | CE
De kandidaat kan: de aard, ontwikkeling en omvang van criminaliteit als maatschappelijk probleem herkennen en beschrijven kenmerken van de rechtsstaat herkennen in het straf- en procesrecht, en de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden oorzaken van criminaliteit herkennen de rol van overheidsorganen ter bestrijding van criminaliteit aangeven en verschillende beleidsmaatregelen onderscheiden de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden. | X
De kandidaat kan: de aard, ontwikkeling en omvang van criminaliteit als maatschappelijk probleem herkennen en beschrijven principes van de rechtsstaat herkennen in het straf- en procesrecht oorzaken van criminaliteit herkennen en beschrijven de rol van overheidsorganen ter bestrijding van criminaliteit aangeven, verschillende beleidsmaatregelen en kenmerkende visies van politieke stromingen onderscheiden, en effectiviteit en wenselijkheid van beleidsmaatregelen beoordelen de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden. | | X | X
ML2/V/1 | Analyse maatschappelijk vraagstuk | | | CE
De kandidaat kan een maatschappelijk vraagstuk gerelateerd aan de exameneenheden analyseren door verbanden tussen de thema’s uit de eindtermen te leggen en door de benaderingswijze van maatschappijkunde erop toe te passen. | | | X
ML2/V/2 | Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk. | | | X
ML2/V/3 | Vaardigheden in samenhang | | | CE
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen. | | | X
- Regeling
- Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-08-2026
- BWB-id
- BWBR0022061
- Versie
- 2026-08-01_0