wetzoeker

De examenstof Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs

Domein A: Reflectie op klassieke teksten en antieke cultuur

subdomein 1: Reflectie op klassieke teksten

1. De kandidaat kan zijn begrip van Griekse en klassieke, vertaalde teksten demonstreren door:

– een ongeziene passage te vertalen;

– een passage te analyseren en interpreteren vanuit taalkundig, letterkundig en cultuurhistorisch perspectief;

– een passage vanuit taalkundig, letterkundig en cultuurhistorisch perspectief te vergelijken met andere cultuuruitingen uit de oudheid of latere perioden.

subdomein 2 : (alleen van toepassing op het schoolexamen) Reflectie op antieke cultuur

2. De kandidaat kan:

– antieke cultuuruitingen van verschillende cultuurdomeinen plaatsen in hun historische en culturele context en met elkaar in verband brengen;

– antieke cultuuruitingen onderzoeken en zijn bevindingen formuleren.

Domein B: Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur

3. De kandidaat kan door de bestudering van de Griekse en klassieke, vertaalde teksten tegen de achtergrond van de antieke cultuur:

– onderwerpen actualiseren die voortvloeien uit een confrontatie tussen deze teksten en eigentijdse ontwikkelingen;

– de eigentijdse cultuur plaatsen in het perspectief van de klassieke traditie waarin Europa staat.

4. (Alleen van toepassing op het schoolexamen):

De kandidaat kan

– voorbeelden uit de receptiegeschiedenis herkennen, deze plaatsen in de context van de betreffende periode in de Europese cultuur en de van toepassing zijnde werkingsmechanismen noemen;

– cultuuruitingen uit de latere Europese cultuur vergelijken met antieke cultuuruitingen.

Domein C: Zelfstandige oordeelsvorming

5. De kandidaat kan een beargumenteerde reactie formuleren op de inhoud van voorgelegde teksten en andere cultuuruitingen (uit de Oudheid en latere tijden).

6. (Alleen van toepassing op het schoolexamen)

De kandidaat kan cultuuruitingen uit de latere Europese cultuur vergelijken met antieke cultuuruitingen en daarover een beargumenteerd oordeel geven.

Domein D: Oriëntatie op studie en beroep

Domein E: Informatievaardigheden

7. De kandidaat kan:

– doelgericht informatie en bronnenmateriaal zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken, o.a. met behulp van het woordenboek;

– (verworven) informatie verwerken en daaruit beredeneerde conclusies trekken;

– gebruik maken van verschillende ICT-toepassingen bij GTC;

– adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied;

– bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

Regeling
Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-08-2026
BWB-id
BWBR0022061
Versie
2026-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl