wetzoeker

Regeling spoorverkeer

Regeling ter uitvoering van de artikelen 1, onderdeel e, 2, 9, 20, 26 en 38 van het Besluit spoorverkeer (Regeling spoorverkeer)

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2026
Rechtsgebied
Vervoersrecht
Ministerie
Infrastructuur en Milieu
BWB-id
BWBR0017707
Versie
2026-01-01_0
SHA-256 bron
448f353f8c09db0eaf85aa7f7544a8c06363f0009b85268a1d2a8be59f746bb0

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (96)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 24a
  26. Artikel 25
  27. Artikel 26
  28. Artikel 27
  29. Artikel 28
  30. Artikel 29
  31. Artikel 30
  32. Artikel 31
  33. Artikel 32
  34. Artikel 33
  35. Artikel 34
  36. Artikel 35
  37. Artikel 36
  38. Artikel 37
  39. Artikel 38
  40. Artikel 39
  41. Artikel 40
  42. Artikel 40a
  43. Artikel 41
  44. Artikel 42
  45. Bijlage 1
  46. Bijlage 2 — behorende bij artikel 8, eerste lid, van de Regeling spoorverkeer
  47. Bijlage 3 — behorende bij artikel 20, tweede lid, van de Regeling spoorverkeer
  48. Inleiding
  49. Blad versie- en inhoudshistorie Bijlage 4
  50. Inhoudsopgave
  51. Seinbeelden
  52. Eerste kolom
  53. Tweede kolom
  54. Derde kolom
  55. Inhoud (deel 1)
  56. Inhoud (deel 2)
  57. 1.1 — Begripsomschrijvingen
  58. 1.2 — Toestemmingen en opdrachten
  59. 2.1 — Hoofdseinen
  60. 2.2 — Voorseinen
  61. 2.3 — Lichtseinen met borden met een zwarte driehoek
  62. 3 — Snelheidsborden
  63. 4.1 — Richtingaanwijzer en herhalingssein
  64. 4.2 — Borden aan lichtseinen
  65. 4.3 — Baken
  66. 5.1 — ATB-baanseinen
  67. 5.2 — ATB-cabineseinen
  68. 6 — Seinen voor tunnels en steile hellingen
  69. 7 — Seinen met stopopdrachten
  70. 8 — Seinen voor spoorvoertuigen met stroomafnemers
  71. 9 — Seinen op kracht- en overige spoorvoertuigen
  72. 10 — Remproefseinen
  73. 11 — Vertrekseinen
  74. 12 — Overige vaste seinen
  75. 13 — Seinen voor ETCS
  76. 14 — Handseinen voor materieelverplaatsing
  77. 15 — Gevaarseinen
  78. 16.1 — Vaste waarschuwingsinstallatie bij uitzichtbelemmerende objecten (wubo)
  79. 16.2 — Vaste waarschuwingsinstallatie op bruggen (wibr)
  80. 16.3 — Vaste waarschuwingsinstallatie voor dienstoverpaden (wido)
  81. 16.4 — Vaste waarschuwingsinstallatie in tunnels (wit)
  82. 16.5 — Geluids- en lichtseinen bij werkzaamheden
  83. 17 — 301
  84. 18 — Markeringen
  85. 19.1 — Amsterdam
  86. 19.2 — Venlo
  87. 19.3 — Kijfhoek
  88. 19.4 — Nederlands – Belgisch baanvakken
  89. 19.5 — Diverse baanvakken
  90. 19.6 — Baanvakken Tilburg – ‘s Hertogenbosch en Boxtel – Eindhoven
  91. 19.7 — Amersfoort
  92. 20 — Seinen op buitendienstgesteld spoor
  93. Bijlage 5
  94. Bijlage 6 — behorende bij artikel 38 van de Regeling spoorverkeer
  95. Bijlage 7
  96. Bijlage 8 — behorende bij artikel 40a van de Regeling spoorverkeer

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

besluit: Besluit spoorverkeer;

ETCS: European Train Control System;

hoofdsein: lichtsein dat rood licht kan uitstralen;

lichtsein: vast sein dat groen, geel, rood of wit licht kan uitstralen;

netverklaring: netverklaring als bedoeld in artikel 3, onderdeel 26, van de richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L343);

P-sein: hoofdsein voorzien van een P-bord;

perronfase: opdeling van een spoor langs een perron door middel van letters;

vast sein: niet verplaatsbaar sein;

voorsein: lichtsein dat aan een hoofdsein of bord met betekenis *stop* voorafgaat en geen rood licht kan uitstralen.

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 1 — Algemene bepaling

Artikel 2

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 1 — Algemene bepaling

Artikel 3

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 1 — Algemene bepaling

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 1 — Algemene bepaling

Artikel 5

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 1 — Algemene bepaling

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 2 — Noodremmingsprestaties

Artikel 7

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 2 — Noodremmingsprestaties

Artikel 8

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 2 — Noodremmingsprestaties

Artikel 9

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 3 — Remgewicht

Artikel 10

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 3 — Remgewicht

Artikel 11

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 3 — Remgewicht

Artikel 12

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 3 — Remgewicht

Artikel 13

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 3 — Remgewicht

Artikel 14

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 3 — Remgewicht

Artikel 15

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 4 — Treingewicht

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 4 — Treingewicht

Artikel 17

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 5 — Bijzondere beremmingsvoorschriften

Artikel 18

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 5 — Bijzondere beremmingsvoorschriften

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 6 — Kranen en krukken

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 6 — Kranen en krukken

Artikel 21

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Remvoorschriften › § 6 — Kranen en krukken

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 23

1 De beheerder draagt zorg voor de plaatsing en de bediening van de vaste seinen in en nabij hoofdspoorwegen.

2 De beheerder stelt de interne richtlijnen voor de veiligheidskritieke handelingen van de treindienstleider bij de bediening van seinen die de handelwijze van de bestuurder raken, vast na raadpleging van de spoorwegondernemingen en de Minister.

3 Het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de bediening van ETCS-cabineseinen, met dien verstande dat ETCS-cabineseinen door de beheerder worden bediend door het versturen van informatie.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 24

De aard, uitvoering en betekenis van de seinen anders dan ETCS-cabineseinen zijn opgenomen in bijlage 4.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 24a

1 Indien een tractievoertuig over ETCS beschikt, vindt besturing door middel van radiogestuurde apparatuur op met ETCS uitgeruste infrastructuur, plaats in ETCS SH-, FS-, OS-, SR- of SM-modus.

2 Het is verboden gebruik te maken van ETCS niveau 0.

3 Het tweede lid is niet van toepassing op spoorvoertuigen die rijden op buiten dienst gestelde gedeelten van de hoofdspoorwegen, genoemd in bijlage 1, punten 16 en 18, van het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 2 — Plaatsing van seinen

Artikel 25

1 Op hoofdspoorwegen waar de ter plaatse toegestane snelheid hoger is dan 40 kilometer per uur worden in ieder geval:

a. wissels;

b. gelijkvloerse kruisingen van sporen;

c. spooraansluitingen; en

d. beweegbare bruggen

beveiligd door seinen die tenminste rood licht kunnen uitstralen of door ETCS.

2 Op sporen waar de in het eerste lid bedoelde plaatsen met een snelheid van ten hoogste 40 kilometer per uur worden genaderd, mag de beveiliging ook bestaan uit een daarvoor geplaatst vast sein, dat de bestuurder gebiedt te stoppen.

3 De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 2 — Plaatsing van seinen

Artikel 26

1 Seinen worden geplaatst rechts naast of boven het spoor waarvoor zij zijn bestemd.

2 In afwijking van het eerste lid mogen seinen links naast het spoor worden geplaatst, indien de situatie ter plaatse dit noodzakelijk maakt en dit geen nadelige invloed heeft op de veiligheid van het spoorverkeer.

3 Seinen worden zodanig geplaatst of van zodanige aanduidingen voorzien, dat het voor de bestuurder duidelijk is welke seinen voor het door hem bereden spoor bestemd zijn.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 2 — Plaatsing van seinen

Artikel 27

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 3 — Onderling verband

Artikel 28

1 Tussen een wissel en een daarvoor ingevolge artikel 25, eerste lid, geplaatst sein bestaat een zodanig verband dat als dit sein voorbijrijden toestaat, het wissel niet kan worden omgelegd en de juiste stand van de tongen verzekerd is.

2 Tussen een beweegbare brug en een daarvoor ingevolge artikel 25, eerste lid, geplaatst sein bestaat een zodanig verband dat als dit sein voorbijrijden toestaat, de brug in de juiste stand is vastgelegd.

3 De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 3 — Onderling verband

Artikel 29

1 Indien op hoofdspoorwegen, waar de ten hoogste toegelaten snelheid meer dan 40 kilometer per uur bedraagt, en op door de Minister aangewezen sporen een vast sein of ETCS-cabinesein de bestuurder opdraagt te stoppen, leggen de voorafgaande seinen een zodanige snelheidsvermindering op dat de bestuurder de trein voor dit sein tot stilstand kan brengen.

2 Indien op hoofdspoorwegen als bedoeld in het eerste lid, een vast sein de bestuurder een beperkte snelheid opdraagt, leggen de voorafgaande seinen een zodanige snelheidsvermindering op dat de beperkte snelheid bij dit sein bereikt kan worden.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 4 — Het opvolgen van seinen

Artikel 30

1 Een door een sein opgedragen snelheidsverlaging wordt ingezet zodra het eerste spoorvoertuig van de trein dat sein heeft bereikt.

2 Een door een sein toegestane snelheidsverhoging mag worden uitgevoerd, nadat het laatste spoorvoertuig van de trein dit sein of het punt van toegestane snelheidsverhoging gepasseerd is.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 4 — Het opvolgen van seinen

Artikel 31

1 Een door een lichtsein of een ETCS-cabinesein gegeven gebod of toestemming geldt vanaf dit sein totdat de trein het volgende sein heeft bereikt of tot een ander ETCS-cabinesein wordt getoond. Daarbij worden geboden of toestemmingen van de specifieke snelheidsborden, zoals opgenomen in bijlage 4, in acht genomen.

2 Een door lichtsein nummer 214 a/b of bord nummer 317, zoals opgenomen in bijlage 4, gegeven toestemming geldt tot aan het eerstvolgende hoofdsein.

3 Bij gebruik van een hoofdspoorweg geldt in afwijking van het tweede lid, een in dat lid bedoelde toestemming tot het tijdstip waarop een ETCS-cabinesein wordt getoond indien dat tijdstip voor het tijdstip van het passeren van het eerstvolgende hoofdsein is gelegen.

4 Onverminderd het tweede lid kan bij dag en goed zicht de snelheid meteen worden verhoogd indien:

a. het eerste hoofdsein dat wordt voorbijgereden, toestaat om te rijden met een hogere snelheid dan waarmee de trein rijdt;

b. er tussen dit hoofdsein en de trein geen wissels zijn;

c. de trein in zijn geheel de wisselbogen is gepasseerd; en

d. het punt van de toegestane snelheidsverhoging is gepasseerd.

5 Onverminderd het tweede lid mag de snelheid worden verhoogd naar een door een specifiek snelheidsbord aangegeven snelheid hoger dan 40 kilometer per uur, indien het voorafgaande lichtsein groen licht uitstraalde.

6 De door een ETCS-cabinesein aangegeven toegestane snelheid treedt, bij gebruik van een hoofdspoorweg met een spoorvoertuig als bedoeld in het derde lid, indien in de ETCS FS-modus wordt gereden, in de plaats van de aangegeven toegestane snelheden door de in bijlage 4 opgenomen seinen nummers 201 tot en met 212 a/b, nummers 217 tot en met 219 en nummers 313 tot en met 316.

7 De op basis van het zesde lid geldende toegestane snelheid, geldt tot het tijdstip waarop het in punt 6.11.2 van het document, genoemd in aanhangsel A van de TSI Exploitatie en verkeersleiding bedoelde signaal is getoond of een daarmee overkomend bericht is ontvangen en één of meer van de in het zesde lid genoemde seinen wordt gepasseerd.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 5 — Gedoofde en onjuiste seinen

Artikel 32

1 De trein stopt zodra in een hoofdsein, met uitzondering van een P-sein, gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen en:

a. er geen toestemming is om een stoptonend sein te passeren;

b. het voorafgaande sein lichtsein nummer 212 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht uitstraalde, was;

c. het voorafgaande lichtsein een gedoofd sein was;

d. het voorafgaande sein baken nummer 249a, zoals opgenomen in bijlage 4, was; of

e. het voorafgaande sein lichtsein nummer 214, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht uitstraalde, of bord nummer 317, zoals opgenomen in bijlage 4, was.

In andere dan de onder a tot en met e genoemde gevallen wordt de snelheid begrensd tot 40 kilometer per uur, of de ter plaatse geldende lagere snelheid, om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.

2 Zodra in een P-sein gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen, wordt de snelheid begrensd tot 40 kilometer per uur om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.

3 Indien in een voorsein gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen, wordt gehandeld alsof dit sein overeenkomstig voorsein nummer 219 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, geel licht uitstraalt.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 6 — Het passeren van rode seinen

Artikel 33

1 Lichtseinen die rood licht uitstralen mogen voorbijgereden worden indien de treindienstleider toestemming heeft gegeven voor het passeren van een stoptonend sein.

2 Een P-sein dat rood licht uitstraalt mag ook voorbijgereden worden indien geen spreekverbinding met de treindienstleider tot stand kan worden gebracht.

3 Indien het P-sein, bedoeld in het tweede lid, voorbijgereden mag worden, mag ook daaropvolgende P-seinen die rood licht uitstralen voorbijgereden worden.

4 Na het voorbijrijden van een P-sein dat rood licht uitstraalt wordt:

a. met een zodanige snelheid gereden dat de trein in staat is om te kunnen stoppen binnen de afstand waarover de spoorweg is te overzien en deze vrij is; en

b. rekening gehouden met het niet goed functioneren van een overweg.

5 De treindienstleider geeft geen toestemming tot het voorbijrijden van het P-sein dat rood licht uitstraalt, bedoeld in het tweede lid, indien hij op de hoogte is van gevaar achter dit sein.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 7 — Overige bepalingen

Artikel 34

Aanwijzingen van de beheerder, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, tweede lid, 10, derde lid, 20, eerste lid, onderdeel b, en 26, eerste lid, van het besluit, gaan boven seinen.

Hoofdstuk 3 — Seinen › § 7 — Overige bepalingen

Artikel 35

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Standaardaanwijzingen

Artikel 36

De TSI Exploitatie en verkeersleiding, aanhangsel C, zoals gewijzigd in 2023, is vanaf 1 september 2023 van toepassing op de communicatie tussen de treindienstleider en de bestuurder.

Hoofdstuk 4 — Standaardaanwijzingen

Artikel 37

Bij het gebruik van een voertuig voor weg en spoorweg wordt gebruik gemaakt van GSM-R voice communicatie, waarmee gecommuniceerd kan worden met de treindienstleiding.

Hoofdstuk 5 — Spoorwegemplacementen

Artikel 38

Als spoorwegemplacementen, als bedoeld in artikel 30 van het besluit, zijn aangewezen de spoorwegemplacementen, opgenomen in bijlage 6.

Hoofdstuk 5 — Spoorwegemplacementen

Artikel 39

Tot een spoorwegemplacement behoren:

a. alle sporen, aangeduid met een cijfer;

b. de spoorgedeeltes van het wisselcomplex; en

c. alle sporen die grenzen aan de sporen als bedoeld in onderdeel a en b, tot een maximale afstand van 200 meter voor het toeleidende sein van het bedoelde emplacement of tot de maximale afstand voor het toeleidende sein zoals aangegeven in de netverklaring.

Hoofdstuk 5 — Spoorwegemplacementen

Artikel 40

Indien het veilige gebruik van de spoorweg dit vereist geeft de infrastructuurbeheerder met het bord nummer 302, genoemd in bijlage 4, op het spoorwegemplacement aan dat op dit spoor niet gerangeerd kan worden of dat beperkingen gelden ten aanzien van het rangeren.

Hoofdstuk 6 — Afmeting van de lading

Artikel 40a

Vervallen

Hoofdstuk 7 — Slotbepalingen

Artikel 41

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorverkeer in werking treedt.

Hoofdstuk 7 — Slotbepalingen

Artikel 42

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling spoorverkeer.

Bijlage 1

Bijlage 1

Vervallen

Bijlage 2 — behorende bij artikel 8, eerste lid, van de Regeling spoorverkeer

Bijlage 2 — behorende bij artikel 8, eerste lid, van de Regeling spoorverkeer

Vervallen

Bijlage 3 — behorende bij artikel 20, tweede lid, van de Regeling spoorverkeer

Bijlage 3 — behorende bij artikel 20, tweede lid, van de Regeling spoorverkeer

Vervallen

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › Inleiding

Inleiding

Bijlage 4, behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer.

De indeling is als volgt:

– blad bijgewerkte wijzigingsbladen;

– inhoudsopgave;

– seinbeelden.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › Inleiding › Blad versie- en inhoudshistorie Bijlage 4

Blad versie- en inhoudshistorie Bijlage 4

Het doel van het blad versie- en inhoudshistorie is, dat u dit invult nadat u een wijzigings-blad heeft ontvangen en heeft bijgewerkt in deze bijlage 4.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › Inleiding › Inhoudsopgave

Inhoudsopgave

In de inhoudsopgave zijn alle seinbeelden opgenomen per hoofdstuk.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › Inleiding › Seinbeelden

Seinbeelden

De pagina’s met seinbeelden zijn verdeeld in 3 kolommen:

– nummer en naam van het desbetreffende sein;

– afbeelding;

– betekenis.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › Inleiding › Eerste kolom

Eerste kolom

In de eerste kolom is het nummer en de naam van het sein opgenomen.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › Inleiding › Tweede kolom

Tweede kolom

In de tweede kolom ‘Afbeelding’ is de beeltenis van het sein geplaatst. Het dag- en nachtsein staan naast elkaar. In de praktijk komen verschillende uitvoeringsvormen van seinen voor.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › Inleiding › Derde kolom

Derde kolom

In de derde kolom ’Betekenis’ staat de betekenis van het sein.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › Inhoud

Inhoud (deel 1)

1 | Algemeen | 10

1.1 | Begripsomschrijvingen | 10

1.2 | Toestemmingen en opdrachten | 10

2 | Lichtseinen | 10

2.1 | Hoofdseinen | 10

Nr. 201 Hoog geplaatst groen licht | 10

Nr. 202 Hoog geplaatst knipperend groen licht met een door wit licht gevormd getal | 11

Nr. 206a/b Hoog geplaatst knipperend of laag geplaatst groen licht | 11

Nr. 209 Hoog geplaatst geel licht met een door knipperend wit licht gevormd getal | 11

Nr. 210 Hoog geplaatst geel licht met een door wit licht gevormd getal | 12

Nr. 212a/b Hoog of laag geplaatst geel licht | 12

Nr. 214a/b Hoog of laag geplaatst geel knipperend licht | 12

Nr. 215a/b Hoog of laag geplaatst rood licht | 13

Nr. 216 Hoog of laag geplaatst wit licht | 13

2.2 | Voorseinen | 13

Nr. 217a/b Hoog geplaatst groen licht | 13

Nr 218a/b Hoog geplaatst geel licht met een door wit licht gevormd getal | 13

Nr. 219a/b Hoog geplaatst geel licht | 14

2.3 | Lichtseinen met borden met een zwarte driehoek | 14

Nr. 222 Hoog geplaatst geel licht | 14

Nr. 215a Hoog of laag geplaatst rood licht | 14

Nr. 221 Hoog of laag geplaatst wit licht | 15

Nr. 220a/b Hoog of laag geplaatst wit licht | 15

3 | Snelheidsborden | 15

Nr. 313 Snelheidsverminderingsbord | 15

Nr. 314 Snelheidsbord | 16

Nr 316 Snelheidsbord | 16

Nr. 324 Snelheidsbord Overweg/Weegbrug | 16

Nr. 325a ‘L’-bord | 17

Nr. 325b Tijdelijk snelheidsbord | 17

Nr. 326a ‘A’-bord | 17

Nr. 327a ‘E’-bord | 17

4 | Aanvullende seinen | 18

4.1 | Richtingaanwijzer en herhalingssein | 18

Nr. 252 Richtingaanwijzer | 18

Nr. 272 Herhalingssein diagonaal | 18

Nr. 273 Herhalingssein horizontaal | 18

4.2 | Borden aan lichtseinen | 19

Nr. 291a Bord ‘Noodbediening overweg’ | 19

Nr 291b Voorseinbord | 19

Nr. 291c P-bord | 19

4.3 | Baken | 20

Nr. 249 Baken | 20

Nr. 249a Keperbaken | 20

Nr. 251 Reflectorplaatje | 20

Nr. 251a/l Bord ‘Bijzonder gevaarpunt’ | 21

Nr. 251a/II Gele bakens | 21

Nr. 251b Reflectorplaatje rechthoekig met schuine strepen | 21

5 | ATB-seinen | 22

5.1 | ATB-baanseinen | 22

Nr. 328a ATB-naderingsbord | 22

Nr. 328 ATB-inschakelbord | 22

Nr. 328b ATB-code bord | 22

Nr. 329 ATB-uitschakelbord | 22

Nr. 330 ATB-codewisselsein (wit licht) | 22

5.2 | ATB-cabineseinen | 23

Nr. 801 Groen licht/groen licht met snelheidsmeter | 23

Nr. 802 Geel licht | 23

Nr. 803 Geel met getal/ snelheidsmeter | 23

Nr. 804 Wit licht | 23

Nr. 805 Blauw licht | 23

Nr. 806 Rood licht | 24

Nr. 807 Eén gongslag | 24

Nr. 808 Meer gongslagen | 24

Nr. 809 Continu belsignaal | 24

Nr. 810 5 seconden belsignaal | 24

Nr. 811 Korte belsignalen | 24

Nr. 812 Zoemer | 24

Nr. 813 Elektrisch zicht | 24

6 | Seinen voor tunnels en steile hellingen | 25

Nr. 276 ´L´-sein | 25

Nr. 277 ´H´-sein | 25

Nr. 278 Knipperend witte ´X´ | 25

Nr. 279 Witte ´X´ | 25

Nr. 280 Witte ´G´ | 26

Nr. 281 Entreesnelheidsbord | 26

Nr. 282 Adviessnelheidsbord | 26

Nr. 282a Adviessnelheidsbord | 26

Nr. 286 Entreesnelheidsverminderingsbord | 26

7 | Seinen met stopopdrachten | 27

Nr. 300 Stopbord

Nr. 300a Stopbord met brandende witte lamp

Nr. 300b Stopbord met gedoofde lamp

Nr. 301 ‘S’-bord | 27

Nr. 301b Facultatief stopbord | 27

Nr. 301c Stopbord met brandende witte lamp | 27

Nr. 301d Stopbord met gedoofde lamp | 27

Nr. 301e Facultatief stopbord met brandende witte lamp | 27

Nr. 301f Facultatief stopbord met gedoofde lamp | 28

Nr. 242 Stopseinlantaarn/-bord | 28

Nr. 302 ‘R’-bord | 28

Nr. 322 ‘VS’-bord | 28

Nr. 513 Afsluitbord | 28

Nr. 243 Afsluitlantaarn/-bord | 29

Nr. 244 a/b Afsluitlantaarn veilig | 29

Nr. 512b Rood licht of rode vlag of rode lichtgevende balk | 29

Nr. 331 Blokbord | 29

Nr. 375 Opdrachtbord

8 | Seinen voor spoorvoertuigen met stroomafnemers | 29

Nr. 306a Uitschakelbord | 29

Nr. 307a Inschakelbord | 30

Nr. 308a Bord ‘Aankondiging stroomafnemers neer’ | 30

Nr. 309a Bord ‘Stroomafnemers neer’ | 30

Nr. 309c Bord ‘Stroomafnemers neer’ bij rijtuigwasinrichting | 30

Nr. 310a Bord ‘Stroomafnemers op’ | 31

Nr. 311(l/r) Bord ‘Einde bovenleiding’ | 31

Nr. 320 Aanduiding locatie omschakelen hoogspanning | 31

9 | Seinen op kracht- en overige spoorvoertuigen | 32

Nr. 401 Frontseinen | 32

Nr. 401b geduwde trein | 32

Nr. 401c Trein en locomotief op spoorwegemplacement | 32

Nr. 413 Twee rode lichten met één, twee of drie witte lichten | 33

Nr. 401d Twee afwisselend of gelijktijdig knipperende, witte lichten aan frontzijde | 33

Nr. 403 Sluitseinen | 33

Nr. 403-6 Internationaal sluitschild | 34

Nr. 410 Gele vlag(gen) | 34

Nr. 412a Rood zwaai- / knipper- / flitslicht | 34

10 | Remproefseinen | 34

Nr. 702a Remmen vast | 34

Nr. 702b Remmen los | 35

Nr. 702c Remmen in orde | 35

11 | Vertrekseinen | 35

Nr. 706 Vertrekseinlicht | 35

Nr. 700 Knipperend vertrekseinlicht | 35

12 | Overige vaste seinen | 36

Nr. 305 Verkenbord | 36

Nr. 312 Fluitbord | 36

Nr. 312a Facultatief fluitbord | 36

Nr. 253a/b Wisselsein | 36

Nr. 274 Weegbrugsein rond | 37

Nr. 275 Weegbrugsein driehoekig | 37

Nr. 350 Attentiebord ‘Lichtsein(en) buiten dienst’ | 37

Nr. 351 Afgekruist lichtsein | 37

Nr. 317 Bord ‘Rijden op zicht’ | 38

Nr. 333 Bord ‘Einde beveiligd gebied’ | 38

Nr. 318a Bord ‘Aankondiging overweg’ | 38

Nr. 318b Bord ‘Aankondiging overweg’ | 38

Nr. 338 GSM-R omschakelbord | 38

Nr. 303 Blauw licht (stopplaatssein) | 39

Nr. 304a Treinlengtebord | 39

Nr. 304b Treinlengtebord | 39

Nr. 304c Treinlengtebord | 39

Nr. 512a Blauwe vlag/blauw licht | 39

Nr. 226a Snelheidsverminderingsbord voor overweg | 39

Nr. 226b Wit licht met geel vlak (overwegsein) | 40

Nr. 226c Gedoofd wit licht met geel vlak (overwegsein) | 40

Nr. 360a Signaleringslichten voor spoorbezetting. Twee vaste lichten | 40

Nr. 360b Signaleringslichten voor spoorbezetting. | 40

Nr. 360c Signaleringslichten voor spoorbezetting. Twee knipperende witte lichten | 41

Nr. 370 Matrixbord met signalering ‘anti-icing in dienst ‘ voor een anti-icinginstallatie | 41

Nr. 371 Matrixbord met | 41

Nr. 372 Matrixbord met aanduiding actuele snelheid van een trein voor een | 41

Nr. 373 Treinlengtebord | 42

Nr. 374 Matrixbord met opdracht voor de machinist voor een anti-icinginstallatie | 42

13 | Seinen voor ETCS | 42

Nr. 336 ETCS cabineseingeving | 42

Nr. 337 Einde ETCS cabineseingeving | 42

Nr. 227b l/r/o Stopplaatsmarkering | 43

Nr. 227a l/r wit licht: ETCS niveau 1 actief, stopplaatsmarkering | 43

Nr. 227c l/r gedoofd licht: Stopplaatsmarkering | 44

Nr. 228 Stopplaatsmarkering

14 | Handseinen voor materieelverplaatsing | 44

Nr. 518a Van de seingever af | 44

Nr. 519a Naar de seingever toe | 44

Nr. 520a Afstoten | 45

Nr. 521 Snelheid verminderen | 45

Nr. 522a Stoppen | 45

Nr. 528a Bijdrukken/combineren | 45

15 | Gevaarseinen | 46

Nr. 605 Attentiesein, een matige lange toon | 46

Nr. 606 Gevaarsein, tenminste vijf korte tonen | 46

Nr. 508 Gevaarsein met rode vlag/rood licht | 46

Nr. 509 Gevaarsein met hand/wit licht | 46

16 | Seinen voor de persoonlijke veiligheid | 47

16.1 | Vaste waarschuwingsinstallatie bij uitzichtbelemmerende objecten (wubo) | 47

Nr. 708 WUBO Twee witte lichten | 47

Nr. 709 WUBO Twee wisselende witte lichten | 47

16.2 | Vaste waarschuwingsinstallatie op bruggen (wibr) | 47

Nr. 710 WIBR Twee verticale, witte lichten per spoor | 47

Nr. 711 WIBR Twee verticale, wisselende witte lichten per spoor | 47

16.3 | Vaste waarschuwingsinstallatie voor dienstoverpaden (wido) | 47

Nr. 720 WIDO Twee witte lichten | 47

Nr. 721 WIDO Twee knipperende witte lichten | 48

16.4 | Vaste waarschuwingsinstallatie in tunnels (wit) | 48

Nr. 722 WIT Twee verticaal, witte lichten | 48

Nr. 723 WIT Twee verticaal, wisselde witte lichten | 48

16.5 | Geluids- en lichtseinen bij werkzaamheden | 48

Nr. 614 Geluidssein een matig lange toon | 48

Nr. 616 Geluidssein tenminste vijf korte tonen | 48

Nr. 617 Geluidssein lange, korte en lange toon | 48

Nr. 618 Geluidssein een korte toon | 49

Nr 724a Oranje zwaai- of flitslicht en sirene. | 49

Nr. 724b Niet werkend oranje zwaai of flitslicht en sirene. | 49

17 | Kenborden | 49

Hectometerbord | 49

Hectometerbord overgang

Seinnummerbord | 49

Seinnummerbord met V | 49

Seinnummerbord met R | 50

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › Inhoud

Inhoud (deel 2)

Seinnummerbord met C | 50

Toegevoegd seinnummerbord | 50

Pijlbord | 50

Wisselnummerbord | 50

Krukkastbord | 51

Telefoonkastbord | 51

Bord ‘Einde looppad’ | 51

18 | Markeringen | 51

Wit/zwart vlak op contragewicht, omzetstoel of wisselstandaanwijzer | 51

Vrijbalk | 51

19 | Lokaal voorkomende seinen | 51

19.1 | Amsterdam | 51

Nr. 215b Rood met gele driehoek | 51

Nr. 223 Laag geplaatst wit licht met vierkant zwart bord met gele driehoek met de punt omlaag | 52

19.2 | Venlo | 52

Nr. 301a Stopbord E-Tractie | 52

Nr. 224 Wit licht bij gedoofd lichtsein met bord VS | 52

19.3 | Kijfhoek | 53

Nr. 270a Heuvelaanrijsein keper omhoog | 53

Nr. 270b Heuvelaanrijsein keper omlaag | 53

Nr. 270c Heuvelaanrijsein rode balk | 53

19.4 | Nederlands – Belgisch baanvakken | 53

Nr. 349 Bord ‘Seinen rechts naast spoor’ | 53

Nr. 349a Belgisch pijlbord | 54

19.5 | Diverse baanvakken | 54

Nr. 306b Uitschakelbord | 54

Nr. 307b Inschakelbord | 54

Nr. 308b stroomafnemers neer | 54

Nr. 309b stroomafnemers neer | 55

Nr. 310b stroomafnemers op | 55

19.6 | Baanvakken Tilburg – ‘s Hertogenbosch en Boxtel – Eindhoven | 55

Nr. 725a Gedoofd licht | 55

Nr. 725b Knipperen rood licht | 55

19.7 | Amersfoort | 56

Nr 268a/b Heuvelen verboden | 56

Nr 269a/b Heuvelen toegestaan | 56

20 | Seinen op buitendienstgesteld spoor | 57

Nr. 725b Knipperen rood licht (hoog en laag) | 57

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 1 — Algemeen › 1.1 — Begripsomschrijvingen

1.1 — Begripsomschrijvingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

groenvariant: de seinen 201, 202, 206a en 206b;

plaatselijke snelheid: de door een snelheidsbord 314 of 316 aangegeven maximale snelheid;

rijden op zicht: rijden met een zodanige snelheid, niet hoger dan 40 kilometer per uur of zoveel minder bij een lagere plaatselijke snelheid, dat in geval van bezet spoor of ander kenbaar gevaar op elk punt tijdig kan worden gestopt;

snelheidsaanduiding: snelheden worden aangegeven door getallen in seinen, waarbij geldt: snelheid is getal x 10 kilometer per uur;

snelheid begrenzen: opdracht de snelheid te verlagen tot de aangegeven snelheid en de toestemming te rijden met ten hoogste de aangegeven snelheid;

tijdelijke snelheidsbeperking: tijdelijke beperking op de plaatselijke snelheid.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 1 — Algemeen › 1.2 — Toestemmingen en opdrachten

1.2 — Toestemmingen en opdrachten

De in deze bijlage vermelde seinen geven toestemmingen en/of opdrachten.

Opdrachten om de snelheid te begrenzen worden op een zodanige afstand gegeven, dat deze opdracht tijdig kan zijn uitgevoerd. Tijdig betekent dat de beschikbare remweg voldoende is om de opgedragen lagere snelheid te bereiken.

Voor het verlagen of verhogen van de snelheid geldt, dat:

− een snelheidsverlaging moet zijn ingezet als het eerste voertuig het sein passeert dat een snelheidsverlaging opdraagt;

− een snelheidsverhoging pas mag worden uitgevoerd als het laatste voertuig het sein dat een snelheidsverhoging toestaat, helemaal is gepasseerd.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 2 — Lichtseinen › 2.1 — Hoofdseinen

2.1 — Hoofdseinen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 201 Hoog geplaatst groen licht | | Rijden toegestaan met de plaatselijke snelheid. Als bij vertrek de plaatselijke snelheid niet bekend is, is rijden toegestaan met een snelheid van ten hoogste 40 kilometer per uur.

Nr. 202 Hoog geplaatst knipperend groen licht met een door wit licht gevormd getal | | Rijden toegestaan met ten hoogste de aangegeven snelheid.

Nr. 206a/b Hoog geplaatst knipperend groen licht of laag geplaatst groen licht | | 206a (hoog geplaatst knipperend groen licht): rijden toegestaan met een snelheid van ten hoogste 40 kilometer per uur. 206b (laag geplaatst groen licht): rijden toegestaan met een snelheid van ten hoogste 40 kilometer per uur of de ter plaatse geldende lagere snelheid.

Nr. 209 Hoog geplaatst geel licht met een door knipperend wit licht gevormd getal | | Snelheid begrenzen tot de aangegeven snelheid. Deze snelheid kan niet in alle situaties bij het volgende hoofdsein bereikt zijn. In die situaties mag de remming niet onderbroken worden indien het volgende hoofdsein een verdere begrenzing van de snelheid opdraagt.

Nr. 210 Hoog geplaatst geel licht met een door wit licht gevormd getal | | Snelheid begrenzen tot de aangegeven snelheid. Deze snelheid moet vóór het volgende hoofdsein bereikt zijn.

Nr. 212a/b Hoog of laag geplaatst geel licht | | 212a (hoog geplaatst geel licht): Snelheid begrenzen tot 40 kilometer per uur of lager, om voor het eerstvolgende sein met betekenis ‘stop’ te kunnen stoppen. 212b (laag geplaatst geel licht): Rijden toegestaan met ten hoogste 40 kilometer per uur, of de ter plaatse geldende lagere snelheid, om voor het eerstvolgende sein met betekenis ‘stop’ te kunnen stoppen.

Nr. 214a/b Hoog of laag geplaatst geel knipperend licht | | Rijden op zicht.

Nr. 215a/b Hoog of laag geplaatst rood licht | | Stoppen vóór het sein.

Nr. 216a/b Hoog of laag geplaatst wit licht | | Door een bedieningshandeling uitgeschakeld sein. Rijden toegestaan na verkregen toestemming tot rangeren.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 2 — Lichtseinen › 2.2 — Voorseinen

2.2 — Voorseinen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 217a/b Hoog geplaatst groen licht: a. met een achtergrond-scherm met drie of vier rechte hoeken; b. zonder achtergrond-scherm met daaronder een voorseinbord 291b | | Rijden toegestaan met de plaatselijke snelheid. Een voorafgaande opdracht ‘Rijden op zicht’ blijft gelden.

Nr. 218a/b Hoog geplaatst geel licht met een door wit licht gevormd getal

a. met een achtergrondscherm met drie of vier rechte hoeken;

b. zonder achtergrondscherm met daaronder een voorseinbord 291b. | | Snelheid begrenzen tot de aangegeven snelheid. Deze snelheid moet vóór het volgende hoofdsein bereikt zijn. Een voorafgaande opdracht ‘Rijden op zicht’ blijft gelden.

Nr. 219a/b Hoog geplaatst geel licht

a. met een achtergrondscherm met drie of vier rechte hoeken;

b. zonder achtergrondscherm met daaronder een voorseinbord 291b. | | Snelheid begrenzen tot 40 kilometer per uur of lager, om voor het eerstvolgende sein met betekenis ‘stop’ te kunnen stoppen. Een voorafgaande opdracht ‘Rijden op zicht’ blijft gelden.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 2 — Lichtseinen › 2.2 — Voorseinen › 2.3 — Lichtseinen met borden met een zwarte driehoek

2.3 — Lichtseinen met borden met een zwarte driehoek

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 222 Hoog geplaatst geel licht met: – een achtergrond-scherm met rechte of afgeronde hoek, en – daaronder een wit vierkant bord met een zwarte driehoek met de punt omhoog | | Snelheid begrenzen tot 40 kilometer per uur of lager, om voor het eerstvolgende sein met betekenis ‘stop’ te kunnen stoppen. Een voorafgaande opdracht ‘Rijden op zicht’ blijft gelden.

Nr. 215a Hoog of laag geplaatst rood licht met een vierkant wit bord met een zwarte driehoek met de punt omhoog | | Stoppen vóór het sein.

Nr. 221 Hoog geplaatst wit licht met: – een achtergrond-scherm met rechte of afgeronde hoek en daaronder – een wit vierkant bord met een zwarte driehoek met de punt omhoog | | Rijden toegestaan. Aanduiding van een volgend sein nr. 220a/b dat wit licht uitstraalt. Een voorafgaande opdracht ‘Rijden op zicht’ blijft gelden.

Nr. 220a/b Hoog of laag geplaatst wit licht met een vierkant wit bord met een zwarte driehoek met de punt omhoog | | Voorbijrijden toegestaan. De inrichting achter het sein is veilig berijdbaar. Een voorafgaande opdracht ‘Rijden op zicht’ blijft gelden.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 3 — Snelheidsborden

3 — Snelheidsborden

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 313 Snelheidsverminderingsbord | | Snelheid begrenzen tot de aangegeven snelheid. Deze snelheid moet voor het eerstvolgende bord Nr. 314 bereikt zijn. Rijden met de aangegeven snelheid toegestaan indien voorgaand een groenvariant getoond werd.

Nr. 314 Snelheidsbord | | Aanduiding van de plaatselijke snelheid die voorbij het bord geldt. Snelheid verhogen naar een aangegeven snelheid hoger dan 40 kilometer per uur is alleen toegestaan indien voorafgaand een groenvariant getoond werd.

Nr. 316 Snelheidsbord | | Aanduiding van de plaatselijke snelheid die voorbij het bord geldt. Snelheid verhogen naar een aangegeven snelheid hoger dan 40 kilometer per uur is alleen toegestaan indien voorafgaand een groenvariant getoond werd.

Nr. 324 Snelheidsbord Overweg/Weegbrug | | De door het getal aangegeven snelheid mag niet worden overschreden totdat: a de voorkant van de trein de overweg is gepasseerd; of b de gehele trein de weegbrug is gepasseerd.

Nr. 325a ‘L’-bord | Dag | Nacht twee synchroon knipperende gele lichten | Aanduiding van een tijdelijk verlaagde plaatselijke snelheid.

Nr. 325b Tijdelijk snelheidsbord | | Snelheid begrenzen tot de door het getal aangegeven snelheid, met dien verstande dat bij een bord met twee getallen: • het onderste getal geldt voor treinen bestemd voor het vervoer van goederen en met een snelheid lager dan 120 kilometer per uur en voor losse locomotieven; en • het bovenste getal voor de overige treinen.

Nr. 326a ‘A’-bord | Dag | Nacht (een knipperend geel licht) | Aanduiding van het begin van een spoorgedeelte waarvoor een tijdelijke snelheidsbeperking volgens het voorafgaande tijdelijke snelheidsbord geldt.

Nr. 327a ‘E’-bord | | Aanduiding van het einde van een spoorgedeelte waarvoor de tijdelijke snelheidsbeperking geldt.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 4 — Aanvullende seinen › 4.1 — Richtingaanwijzer en herhalingssein

4.1 — Richtingaanwijzer en herhalingssein

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 252 Richtingaanwijzer | | Aanduiding van de bestemming van de ingestelde rijweg.

Nr. 272 Herhalingssein diagonaal | | Aanduiding dat het eerstvolgende lichtsein een ander seinbeeld uitstraalt dan rood of geel knipperend licht.

Nr. 273 Herhalingssein horizontaal | | Aanduiding dat het eerstvolgende lichtsein rood licht of geel knipperend licht uitstraalt.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 4 — Aanvullende seinen › 4.2 — Borden aan lichtseinen

4.2 — Borden aan lichtseinen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 291a Bord ‘Noodbediening overweg’ | | Aanduiding van een lichtsein met een voorziening om in geval van storing de spoorwegovergang te kunnen sluiten.

Nr. 291b Voorseinbord | | Aanduiding van een voorsein zonder achtergrondscherm.

Nr. 291c P-bord | | Aanduiding van een P-sein.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 4 — Aanvullende seinen › 4.3 — Baken

4.3 — Baken

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 249 Baken | | Aanduiding van de nadering van een voorsein.

Nr. 249a Keperbaken | | Snelheid begrenzen tot 40 kilometer per uur of zoveel minder als nodig om voor het eerstvolgende ‘stop’ tonende sein te kunnen stoppen.

Nr. 251 Reflectorplaatje | | Aanduiding van de nadering van een lichtsein of een stopplaatsmarkering nr. 227a of nr. 227b’.

Nr. 251a/l Bord ‘Bijzonder gevaarpunt’ | | Aanduiding van een achter het lichtsein gelegen bijzonder gevaarpunt.

Nr. 251a/II Gele bakens | | Aanduiding van de nadering van een lichtsein dat op ten minste remwegafstand voorafgaat aan een lichtsein voorzien van een bord bijzonder gevaarpunt nr. 251a/l.

Nr. 251b Reflectorplaatje rechthoekig met schuine strepen | | Aanduiding van de nadering van een P-sein dat voorafgaat aan een hoofdsein zonder P.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 5 — ATB-seinen › 5.1 — ATB-baanseinen

5.1 — ATB-baanseinen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 328a ATB-naderingsbord | | Aanduiding van de nadering van het bord ‘Nr. 328 ATB-inschakelbord’.

Nr. 328 ATB-inschakelbord | | Aanduiding van het begin van de inschakelsectie van het automatische treinbeïnvloeding systeem ATB.

Nr. 328b ATB-code bord | | Aanduiding van het begin van met ATB of ATBNG beveiligd gebied of de overgang tussen deze gebieden.

Nr. 329 ATB-uitschakelbord | | Aanduiding van het einde van het gebied waar het automatische treinbeïnvloeding systeem ATB of ATBNG functioneert.

Nr. 330 ATB-codewisselsein (wit licht) | | Aanduiding van het tonen van een cabinesein dat een snelheidsbegrenzing oplegt.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 5 — ATB-seinen › 5.2 — ATB-cabineseinen

5.2 — ATB-cabineseinen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

ALS VASTE SEINEN OF ‘L’-, ‘A’- EN ‘E’-BORDEN EEN LAGERE SNELHEID OPLEGGEN DAN DE ATB-CABINESEINEN, MOET DIE LAGERE SNELHEID WORDEN AANGEHOUDEN.

nr. 801 Groen licht/groen licht met snelheidsmeter | | Rijden toegestaan met de door de vaste seinen aangegeven snelheid.

Nr. 802 Geel licht | | Snelheid begrenzen tot 40 kilometer per uur.

Nr. 803 Geel met getal/snelheidsmeter | | Snelheid begrenzen tot de door borden en lichtseinen aangegeven snelheid.

Nr. 804 Wit licht | | Aanduiding van het voldoen aan het ATB-remkriterium.

Nr. 805 Blauw licht | | Aanduiding van het buiten dienst zijn van het automatisch treinbeveiligingssysteem.

Nr. 806 Rood licht | | Aanduiding van een door het automatisch treinbeveiligingssysteem ingezette remming.

Nr. 807 Eén gongslag | | Wijziging cabinesein.

Nr. 808 Meer gongslagen | | ATB schakelt ‘Buiten dienst’.

Nr. 809 Continu belsignaal | | De door de ATB opgedragen snelheid wordt overschreden.

Nr. 810 5 seconden belsignaal | | De door de ATB Nieuwe Generatie opgedragen snelheid wordt overschreden.

Nr. 811 Korte belsignalen | | De door de ATB opgedragen snelheid is bereikt.

Nr. 812 Zoemer | | Kwiteren

Nr. 813 Elektrisch zicht | | Vooraankondiging snelheidsbegrenzing. De snelheid moet begrensd zijn tot de snelheid vermeld in het display ‘doelsnelheid’ op een afstand aangegeven op de ‘afstandmeter doelsnelheid’. 255639

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 6 — Seinen voor tunnels en steile hellingen

6 — Seinen voor tunnels en steile hellingen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 276 ´L´-sein | | Snelheid zodanig begrenzen dat voor het eerstvolgende H-sein ‘Nr. 277’ kan worden gestopt. Geldt alleen voor bestuur-ders van treinen bestemd voor het vervoer van goederen, welke treinen door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 277 ´H´-sein | | Stoppen voor het sein. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van goederen, welke treinen door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 278 Knipperend witte ´X´ | | Snelheid zodanig begrenzen dat voor het eerstvolgende sein ‘Nr. 279 Witte ‘X’’ of een lichtsein, dat rood licht uitstraalt, kan worden gestopt. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van goederen en van treinen die door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 279 Witte ´X´ | | Stoppen vóór het sein. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van goederen en van treinen die door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 280 Witte ´G´ | | Voorbijrijden toegestaan met inachtneming van de bijbehorende lichtseinen en snelheid zodanig begrenzen dat bij het eerstvolgende sein ‘Nr. 281 Entreesnelheidsbord’ de door dat sein aangegeven snelheid niet wordt overschreden. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van goederen en van treinen die door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 281 Entreesnelheidsbord | | Aan het begin van de tunnel of dalende helling rijden toegestaan met de door het getal aangegeven snelheid. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van goederen en van treinen die door de betrokken spoor-wegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 282 Adviessnelheidsbord | | Aanduiding van de door het getal aangegeven adviessnelheid die de machinist moet trachten aan te houden. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van goederen en van treinen die door de betrokken spoor-wegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 282a Adviessnelheidsbord | | Aanduiding van de door het getal aangegeven adviessnelheid die de machinist moet trachten aan te houden. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van goederen en van treinen die door de betrokken spoor-wegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 286 Entreesnelheidsverminderingsbord | | Snelheid begrenzen tot de door het getal aangegeven snelheid. Deze snelheid moet bereikt zijn bij het eerstvolgende sein ‘Nr. 281 Entreesnelheidsbord’. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van goederen en van treinen die door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 7 — Seinen met stopopdrachten

7 — Seinen met stopopdrachten

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 300 Stopbord | | Stoppen vóór het bord. Na contact met en toestemming van de functionaris die op het onderbord staat vermeld, mag verder worden gereden. Als het onderbord meerdere opdrachten vermeldt, dan moeten deze worden uitgevoerd voordat het bord voorbij gereden mag worden.

Nr. 300a Stopbord met brandende witte lamp | | Stoppen vóór het bord. Na contact met en toestemming van de functionaris die op het onderbord staat vermeld, mag verder worden gereden. De wissels achter het sein liggen in de stand zoals aangegeven door het wisselsein, seinnummer 253a/b.

Nr. 300b Stopbord met gedoofde lamp | | Stoppen vóór het bord. Na contact met en toestemming van de functionaris die op het onderbord staat vermeld, mag verder worden gereden. De wissels achter het sein moeten lokaal worden bediend.

Nr. 301 Stopbord | | Stoppen vóór het bord en de opdracht die op het onderbord staat vermeld, uitvoeren. Als geen opdracht wordt vermeld, mag na het stoppen verder worden gereden.

Nr. 301b Facultatief stopbord | | Stoppen vóór het bord. Na contact met en toestemming van de functionaris die op het onderbord staat vermeld, mag verder worden gereden. Als de toestemming vooraf is verkregen, mag sein 301b zonder stoppen voorbij worden gereden.

Nr. 301c Stopbord met brandende witte lamp | | Stoppen voor het bord en de opdracht die op het onderbord vermeld staat, uitvoeren. De brandende witte lamp betekent dat de wissels achter het sein in de juiste stand van de aangevraagde rijweg liggen en veilig berijdbaar zijn.

Nr. 301d Stopbord met gedoofde lamp | | Stoppen voor het bord en de opdracht, die op het onderbord vermeld staat, uitvoeren. De gedoofde witte lamp betekent dat de wissels achter het sein lokaal moeten worden bediend.

Nr. 301e Facultatief stopbord met brandende witte lamp | | Stoppen voor het bord, tenzij de opdracht, vermeld op het onderbord, is uitgevoerd. De wissels achter het sein liggen in de stand zoals aangegeven door het wisselsein, seinnummer 253a/b.

Nr. 301f Facultatief stopbord met gedoofde lamp | | Stoppen voor het bord, tenzij de opdracht, vermeld op het onderbord, is uitgevoerd. De wissels achter het sein worden lokaal bediend.

Nr. 242 Stopseinlantaarn/-bord | | Stoppen vóór het sein. Geldt niet voor bestuurders van treinen waarmee wordt gerangeerd.

Nr. 302 ‘R’-bord | | Stoppen vóór het sein. Geldt alleen voor bestuurders van treinen waarmee wordt gerangeerd.

Nr. 322 ‘VS’-bord | | Stoppen vóór het sein, tenzij de bestuurder in het bezit is van een geldige aanwijzing Verkeerd Spoor voor het betrokken spoor.

Nr. 513 Afsluitbord | Dag | Nacht (rood licht of reflecterend) | Stoppen vóór het sein

Nr. 243 Afsluitlantaarn/-bord | of | Stoppen vóór het sein. Indien het sein op een beweegbare brug is geplaatst, stoppen voor de brug. Eventueel is het bord bij een stootjuk dubbel uitgevoerd en/of voorzien van een rode lamp.

Nr. 244a/b Afsluitlantaarn veilig | | De inrichting(en) achter het sein is veilig berijdbaar.

Nr. 512b Rood licht of rode vlag of rode lichtgevende balk | | Stoppen vóór het sein

Nr. 331 Blokbord | | Stoppen vóór het sein, tenzij de treindienstleider vooraf toestemming heeft gegeven om het sein voorbij te rijden.

Nr. 375 Opdrachtbord | | De opdracht vermeld op het onderbord uitvoeren alvorens het bord voorbij te rijden. Dit bord wordt onder meer toegepast op locaties waarover wegverkeer plaatsvindt en de machinist een overweg moet bedienen.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 8 — Seinen voor spoorvoertuigen met stroomafnemers

8 — Seinen voor spoorvoertuigen met stroomafnemers

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 306a Uitschakelbord | | Uitschakelen tractiestroom.

Nr. 307a Inschakelbord | | Inschakelen tractiestroom toegestaan. Indien een onderbord is aangebracht geldt: voor getrokken treinen: inschakelen tractiestroom mag slechts geschieden indien het aantal elektrische locomotieven ten hoogste het op het onderbord vermelde aantal bedraagt. en voor overige treinen: inschakelen tractiestroom mag slechts geschieden indien de trein de op het onderbord aangegeven treinlengte niet overschrijdt.

Nr. 308a Bord ‘Aankondiging stroomafnemers neer’ | | Aankondiging stroomafnemers neerlaten.

Nr. 309a Bord ‘Stroomafnemers neer’ | | Stroomafnemers moeten zijn neergelaten.

Nr. 309c Bord ‘Stroomafnemers neer’ bij rijtuigwasinrichting | | De stroomafnemers moeten zijn neergelaten bij gebruik van de wasinrichting.

Nr. 310a Bord ‘Stroomafnemers op’ | | Toestemming om de stroomafnemers op te zetten. Indien een onderbord is aangebracht geldt: voor getrokken treinen: inschakelen tractiestroom mag slechts geschieden indien het aantal elektrische locomotieven ten hoogste het op het onderbord vermelde aantal bedraagt. en voor overige treinen: inschakelen tractiestroom mag slechts geschieden indien de trein de op het onderbord aangegeven treinlengte niet overschrijdt.

Nr. 311(l/r) Bord ‘Einde bovenleiding’ | | Voorbijrijden met opgezette stroomafnemers niet toegestaan. Indien een bovenbord is aangebracht is voorbijrijden met opgezette stroomafnemers niet toegestaan in de richting waarnaar de pijl wijst.

Nr. 320 Aanduiding locatie omschakelen hoogspanning | | Aanduiding van de bovenleidingspanning voorbij het volgende bord ‘Nr. 310a Stroomafnemers op’. Op het onderste bord is deze bovenleidingspanning vermeld.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 9 — Seinen op kracht- en overige spoorvoertuigen

9 — Seinen op kracht- en overige spoorvoertuigen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 401 Frontseinen | | Tijdens het gebruik van de hoofdspoorweg gezien de rijrichting is de trein voorzien van: • drie brandende witte of gele lichten aan de voorzijde; • bij gebruik van het hogesnelheidsspoorwegsysteem drie brandende witte lichten aan de voorzijde. Indien treinstellen tijdens het gebruik van de hoofdspoorweg zijn gekoppeld, wordt de verlichting op de plaats van de koppeling gedoofd.

Nr. 401b geduwde trein | | Historische voertuigen die van oudsher de A-configuratie van de opstelling van de frontseinen niet kunnen tonen, mogen ook een L-configuratie tonen Uitsluitend voor historische voertuigen die daarvoor niet ingericht zijn, bij geduwd rangeren, twee naar voren gerichte witte lampen op gelijke hoogte op het voorste voertuig van een geduwde trein

Nr. 401c Trein en locomotief op spoorwegemplacement | | Een krachtvoertuig is tijdens het gebruik van een hoofdspoorweg uitsluitend binnen een spoorwegemplacement aan de voor- en aan de achterzijde voorzien van een brandend wit licht. Het aan de voor- en aan de achterzijde voorzien van tenminste een brandend wit licht is niet van toepassing gedurende de periode dat een locomotief of een trein op een hoofdspoorweg binnen een spoorwegemplacement is geparkeerd.

Nr. 413 Twee rode lichten met één, twee of drie witte lichten | | Stoppen in verband met gevaar.

Nr. 401d Twee afwisselend of gelijktijdig knipperende, witte lichten aan frontzijde | | Stoppen in verband met gevaar.

Nr. 403 Sluitseinen | | Bij treinen Twee brandende, al dan niet knipperende, rode lichten aan de achterzijde of twee schilden (403-1, 403-2 of 403-5). In het internationale verkeer moeten de schilden voldoen aan het model uit de TSI-OPE.

Bij treinen van het hogesnelheid spoorwegsysteem tijdens het gebruik van de hoofdspoorweg Twee brandende rode lichten aan de achterzijde (403-1).

Bij treinen op een buiten dienst gesteld spoor Een brandend, al dan niet knipperende, rood licht aan de achterzijde (403-3 of 403-4).

Bij treinen niet bestemd voor het vervoer van personen Aan de achterzijde zijn voorzien van een brandend, al dan niet knipperend, rood licht of twee schilden (403-3, 403-4 of 403-5).

Nr. 403-6 Internationaal sluitschild | | In het internationale verkeer moeten de schilden voldoen aan het model uit de TSI-OPE (paragraaf 4.2.2.1.3.2). Twee reflecterende platen met aan de zijkanten witte driehoeken en boven- en onderaan rode driehoeken

Nr. 410 Gele vlag(gen) | | Niet tegen het spoorvoertuig rangeren of afstoten.

Nr. 412a Rood zwaai- / knipper- / flitslicht | | Aanduiding aan het wegverkeer van een trein.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 10 — Remproefseinen

10 — Remproefseinen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 702a Remmen vast | Een blauw licht of een gebaar | Remmen vast.

Nr. 702b Remmen los | Twee blauwe lichten of een gebaar | Remmen lossen.

Nr. 702c Remmen in orde | Drie blauwe lichten of een gebaar. | Remproef geslaagd.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 11 — Vertrekseinen

11 — Vertrekseinen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 706 Vertrekseinlicht | | Toestemming voor het starten van de vertrekprocedure.

Nr. 700 Knipperend vertrek-seinlicht Wit knipperend licht met daaronder een V | | Er is toestemming voor het starten van de vertrekprocedure.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 12 — Overige vaste seinen

12 — Overige vaste seinen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 305 Verkenbord | | Aanduiding van de nadering van een perron voor reizigers op remwegafstand.

Nr. 312 Fluitbord | | Geef een geluidssignaal overeenkomstig sein ‘Nr. 605 Een matige lange toon’.

Nr. 312a Facultatief fluitbord | | Geef een geluidssignaal overeenkomstig sein ‘Nr. 605 Een matige lange toon’, indien personen het overpad naderen.

Nr. 253a/b Wisselsein | | Aanduiding van de stand van het wissel: a. linksleidend, en b. rechtsleidend.

Nr. 274 Weegbrugsein rond | | Berijden van de weegbrug toegestaan met de voor die brug geldende snelheid overeenkomstig sein ‘Nr. 324 Snelheidsbord Overweg/Weegbrug’.

Nr. 275 Weegbrugsein driehoekig | | Berijden van de weegbrug toegestaan met de plaatselijke snelheid.

Nr. 350 Attentiebord ‘Lichtsein(en) buiten dienst’ | | Aanduiding van een of meer volgende lichtseinen overeenkomstig ‘Nr. 351 Afgekruist lichtsein’ die zo mogelijk zijn gedoofd.

Nr. 351 Afgekruist lichtsein | | Aanduiding dat het lichtsein geen betekenis heeft.

Nr. 317 Bord ‘Rijden op zicht’ | | Voorbijrijden toegestaan met een zodanige snelheid, die niet hoger is dan 40 kilometer per uur, om op elke plaats achter dit sein te kunnen stoppen in verband met een mogelijke belemmering dan wel het ontbreken van de zekerheid dat de inrichtingen, gelegen tussen dit sein en het eerstvolgende lichtsein, goed functioneren.

Nr. 333 Bord ‘Einde beveiligd gebied’ | | Aanduiding van het einde van een beveiligd gebied.

Nr. 318a Bord ‘Aankondiging overweg’ | | Aanduiding van het beginpunt van de aankondiging van een overweg. De cijfers op het bord geven de kilometer- en hectometeraanduiding van de spoorwegovergang aan.

Nr. 318b Bord ‘Aankondiging overweg’ | | Aanduiding van het beginpunt van de aankondiging van twee achter elkaar gelegen overwegen. De cijfers op de borden geven de kilometer- en hectometeraanduiding van de spoorwegovergangen aan, waarbij het bovenste cijfer betrekking heeft op de verst verwijderde spoorwegovergang.

Nr. 338 GSM-R omschakelbord | | GSM-R handmatig omschakelen naar het aangegeven nationale netwerk.

Nr. 303 Blauw licht (stopplaatssein) | | Aanduiding van de plaats waar de voorzijde van een trein tot stilstand moet komen voor een goede dienstuitvoering. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van personen.

Nr. 304a Treinlengtebord | | Aanduiding van de plaats waar de voorzijde van een trein tot stilstand moet komen voor een goede dienstuitvoering. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van personen.

Nr. 304b Treinlengtebord | | Aanduiding van de plaats waar de voorzijde van een trein, bestaande uit ten hoogste het aantal door het getal aangegeven spoorvoertuigen, tot stilstand moet komen voor een goede dienstuit-voering. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van personen.

Nr. 304c Treinlengtebord | | Aanduiding van de plaats waar de voorzijde van een trein bij perrons met perronfases tot stilstand moet komen voor een goede dienstuitvoering. Het bovenste getal geldt voor treinen die op beide perronfases kunnen halteren. Het onderste getal geldt voor treinen die in hun geheel langs de tweede of volgende perronfase tot stilstand moeten komen omdat deze de wissels langs het perron in de afbuigende stand berijden of omdat de bestuurder hiervoor expliciet instructie heeft gekregen. Geldt alleen voor bestuurders van treinen bestemd voor het vervoer van personen.

Nr. 512a Blauwe vlag/blauw licht | | Aanduiding van de plaats waar de voorzijde van een trein tot stilstand moet komen voor een goede dienstuitvoering. Geldt alleen voor bestuurders van treinen voor het vervoer van personen.

Nr. 226a Snelheidsverminderingsbord voor overweg | | Snelheid zodanig begrenzen om vóór de aangegeven overweg(en) te kunnen stoppen.

Nr. 226b Wit licht met geel vlak (overwegsein) | | Berijden van de overweg(en) toegestaan.

Nr. 226c Gedoofd wit licht met geel vlak (overwegsein) | | Stoppen vóór de overweg(en).

Nr. 360a Signaleringslichten voor spoorbezetting. Twee vaste lichten | | Rangeren toegestaan.

Nr. 360b Signaleringslichten voor spoorbezetting. Boven: knipperend wit licht, onder: wit licht | | Aanduiding van de afstand tussen het voorste spoorvoertuig en het einde van het spoor die minder dan 200 meter en meer dan 50 meter bedraagt.

Nr. 360c Signaleringslichten voor spoorbezetting. Twee knipperende witte lichten | | Aanduiding van de afstand tussen het voorste spoorvoertuig en het einde van het spoor die minder dan 50 meter bedraagt.

Nr. 370 Matrixbord met signalering ‘anti-icing in dienst ‘ voor een anti-icinginstallatie | | Wanneer ijskristal wit oplicht: Anti-icinginstallatie is in dienst. Indien bord gedoofd is dan is de anti-icinginstallatie niet in dienst.

Nr. 371 Matrixbord met snelheidsinstructie voor een anti-icinginstallatie | | Wanneer snelheidsindicatie wit oplicht: De anti-icinginstallatie behandelt de trein. De adviessnelheid voor het rijden door de anti-icinginstallatie is 5 kilometer per uur. Indien bord gedoofd is dan conform de instructie het proces vervolgen.

Nr. 372 Matrixbord met aanduiding actuele snelheid van een trein voor een anti-icinginstallatie | | Matrix geeft de actuele snelheid aan in kilometer per uur. Toelichting; Bord is een hulpmiddel voor de machinist om de trein met 5 kilometer per uur door een anti-icinginstallatie te rijden. Indien bord gedoofd is dan conform de instructie het proces vervolgen.

Nr. 373 Treinlengtebord voor anti-icing | | Aanduiding van de plaats waar een met anti-icing behandelde trein de anti-icinginstallatie heeft verlaten. Het onderbord geeft de lengte van de trein aan in rijtuigen. De trein heeft de anti icing installatie verlaten indien deze uit het aantal op het onderbord vermelde spoorvoertuigen bestaat.

Nr. 374 Matrixbord met opdracht voor de machinist voor een anti-icinginstallatie | | Wanneer matrixbord oplicht moet de machinist de opdracht uitvoeren. Daarbij houdt de machinist rekening met de voor het materieeltype geldende remvoorschriften. Indien bord gedoofd is dan conform de instructie het proces vervolgen.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 13 — Seinen voor ETCS

13 — Seinen voor ETCS

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 336 ETCS cabineseingeving | | ETCS-cabine-seingeving actief. Treinen zonder ETCS cabinesignalering zo spoedig mogelijk stoppen en opdracht van de treindienstleiding opvolgen.

Nr. 337 Einde ETCS cabineseingeving | | Einde ETCS-cabine-seingeving of ETCS-rijtoestemming.

Nr. 227b l/r/o Stopplaats-markering | | Stopplaatsmarkering voor treinen die onder ETCS-cabineseingeving of een ETCS-rijtoestemming rijden of in SR mode rijden. De punt wijst naar het spoor waarvoor het sein geldt.

Nr. 227a l/r wit licht: ETCS niveau 1 actief, stopplaatsmarkering Hoog of laag geplaatst wit licht | | ETCS level 1 achter het sein. Voorbijrijden toegestaan; daarna ETCS-cabineseingeving opvolgen. De punt wijst naar het spoor waarvoor het sein geldt

Nr. 227c l/r gedoofd licht: Stopplaats-markering | | Stopplaatsmarkering voor treinen die onder ETCS-cabineseingeving of een ETCS-rijtoestemming of in SR mode rijden. De punt wijst naar het spoor waarvoor het sein geldt.

Nr. 228 Stopplaatsmarkering | | Stopplaatsmarkering voor treinen die onder ETCS-cabineseingeving of een ETCS-rijtoestemming rijden. Treinen zonder cabineseingeving: stop.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 14 — Handseinen voor materieelverplaatsing

14 — Handseinen voor materieelverplaatsing

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 518a Van de seingever af | Dag (gebaar) – Nacht (wit licht) | Rijden van de seingever af.

Nr. 519a Naar de seingever toe | Dag (gebaar) – Nacht (wit licht) | Rijden naar de seingever toe.

Nr. 520a Afstoten | Dag (gebaar) – Nacht (wit licht) | Afstoten.

Nr. 521 Snelheid verminderen | Dag (gebaar) – Nacht (wit licht) | Snelheid verminderen en rekenen op sein ‘Nr. 522a Stoppen’.

Nr. 522a Stoppen | Dag (gebaar) – Nacht (wit licht) | Stoppen.

Nr. 528a Bijdrukken/combineren | Dag (gebaar) – Nacht (wit licht) | Bijdrukken/combineren

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 15 — Gevaarseinen

15 — Gevaarseinen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 605 Attentiesein, een matige lange toon | | Opletten.

Nr. 606 Gevaarsein, tenminste vijf korte tonen | | Er dreigt gevaar.

Nr. 508 Gevaarsein met rode vlag/rood licht | Dag (rode vlag) – Nacht (rood licht) | Stoppen in verband met gevaar.

Nr. 509 Gevaarsein met hand/wit licht | Dag (gebaar) – Nacht (wit licht) | Stoppen in verband met gevaar.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 16 — Seinen voor de persoonlijke veiligheid › 16.1 — Vaste waarschuwingsinstallatie bij uitzichtbelemmerende objecten (wubo)

16.1 — Vaste waarschuwingsinstallatie bij uitzichtbelemmerende objecten (wubo)

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 708 WUBO Twee witte lichten | | Er nadert geen trein, vanuit de richting van het uitzichtbelemmerende object, over het spoor waarop het sein betrekking heeft.

Nr. 709 WUBO Twee wisselende witte lichten | | Er nadert een trein, vanuit de richting van het uitzichtbelemmerende object, over het spoor waarop het sein betrekking heeft.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 16 — Seinen voor de persoonlijke veiligheid › 16.2 — Vaste waarschuwingsinstallatie op bruggen (wibr)

16.2 — Vaste waarschuwingsinstallatie op bruggen (wibr)

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 710 WIBR Twee verticale, witte lichten per spoor | | Er nadert geen trein over het spoor van de brug waarop het sein betrekking heeft.

Nr. 711 WIBR Twee verticale, wisselende witte lichten per spoor | | Er nadert een trein over het spoor van de brug waarop het sein betrekking heeft.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 16 — Seinen voor de persoonlijke veiligheid › 16.3 — Vaste waarschuwingsinstallatie voor dienstoverpaden (wido)

16.3 — Vaste waarschuwingsinstallatie voor dienstoverpaden (wido)

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 720 WIDO Twee witte lichten | | Er nadert geen trein over het spoor waarop het sein betrekking heeft.

Nr. 721 WIDO Twee knipperende witte lichten | | Er nadert een trein over het spoor waarop het sein betrekking heeft.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 16 — Seinen voor de persoonlijke veiligheid › 16.4 — Vaste waarschuwingsinstallatie in tunnels (wit)

16.4 — Vaste waarschuwingsinstallatie in tunnels (wit)

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 722 WIT Twee verticaal, witte lichten | | Er nadert geen trein over het spoor waarop het sein betrekking heeft.

Nr. 723 WIT Twee verticaal, wisselde witte lichten | | Er nadert een trein over het spoor waarop het sein betrekking heeft.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 16 — Seinen voor de persoonlijke veiligheid › 16.5 — Geluids- en lichtseinen bij werkzaamheden

16.5 — Geluids- en lichtseinen bij werkzaamheden

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 614 Geluidssein een matig lange toon | | Opletten in verband met de nadering van een trein over het spoor waarnaast men zich bevindt.

Nr. 616 Geluidssein tenminste vijf korte tonen | | Er dreigt gevaar!

Nr. 617 Geluidssein lange, korte en lange toon | | Opletten in verband met de nadering van een trein over het spoor waarin men zich bevindt.

Nr. 618 Geluidssein een korte toon | | De werkzaamheden kunnen beginnen of hervat worden.

Nr. 724a Oranje zwaai- of flitslicht en sirene. | | Er nadert een trein.

Nr. 724b Niet werkend oranje zwaai of flitslicht en sirene. | | Er nadert geen trein.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 17 — 301

17 — 301

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Hectometer-bord | | Hectometer-aanduiding

Hectometer-bord overgang | | Hectometer-aanduiding van een overgang

Seinnummerbord | | Aanduiding van het nummer van het sein

Seinnummerbord met V | | Aanduiding van het nummer van een voorsein.

Seinnummerbord met R | | Aanduiding van het nummer van een herhalingssein Nr. 272 of 273 dat is gekoppeld aan een lichtsein met hetzelfde nummer.

Seinnummerbord met C | | Aanduiding van het nummer van een codewisselsein Nr. 330 dat is gekoppeld aan een lichtsein met hetzelfde nummer.

Toegevoegd seinnummerbord | | Aanduiding van een lichtsein zonder origineel nummer.

Pijlbord | | Aanduiding van het spoor waarvoor het sein bestemd is. Aanduiding van de sporen waarvoor het sein bestemd is.

Wisselnummerbord | | Aanduiding van het nummer van een wissel.

Krukkastbord | | Aanduiding van een kast waarin zich een wisselkruk bevindt.

Telefoonkastbord | | Aanduiding van een kast waarin zich een telefoon bevindt waarmee rechtstreeks contact kan worden opgenomen met de treindienstleider.

Bord ‘Einde looppad’ | | Aanduiding van het einde van een looppad.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 18 — Markeringen

18 — Markeringen

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Wit/zwart vlak op contragewicht, omzetstoel of wisselstandaanwijzer | | Aanduiding van de normaalstand van een ter plaatse te bedienen wissel, indien het witte vlak boven is. Na het berijden wordt het wissel in de in normaalstand teruggelegd.

Vrijbalk | | Aanduiding van de uiterste grens op een spoor waar spoorvoertuigen geplaatst kunnen worden zonder in aanraking te komen met spoorvoertuigen op het nevenspoor.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 19 — Lokaal voorkomende seinen › 19.1 — Amsterdam

19.1 — Amsterdam

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 215b Rood met gele driehoek | | Stoppen vóór het sein.

Nr. 223 Laag geplaatst wit licht met vierkant zwart bord met gele driehoek met de punt omlaag | | Bij nadering van het lichtsein: het lichtsein heeft geen betekenis. Bij vertrek vanuit de stilstand: rijden toegestaan met een zodanige snelheid, die niet hoger is dan 40 kilometer per uur, om op elke plaats achter dit sein, waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is, te kunnen stoppen.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 19 — Lokaal voorkomende seinen › 19.2 — Venlo

19.2 — Venlo

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 301a Stopbord E-Tractie | | Stoppen voor het bord. Geldt alleen voor bestuurders van losse, elektrische locomotieven die niet geschikt zijn voor 15.000 V wisselspanning. Geldt alleen voor bestuurders van losse, elektrische locomotieven die niet geschikt zijn voor 1.500 V gelijkspanning.

Nr. 224 Wit licht bij gedoofd lichtsein met bord VS | | Rijden toegestaan met een snelheid van ten hoogste 40 kilometer per uur, als de bestuurder in het bezit is van een geldige aanwijzing Verkeerd Spoor voor het betrokken spoor.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 19 — Lokaal voorkomende seinen › 19.3 — Kijfhoek

19.3 — Kijfhoek

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 270a Heuvelaanrijsein keper omhoog | | Rijden over de rangeerheuvel naar de verdeelsporen toegestaan.

Nr. 270b Heuvelaanrijsein keper omlaag | | Opduwen van te heuvelen spoorvoertuigen toegestaan. Niet toegestaan met de locomotief het sein voorbij te rijden.

Nr. 270c Heuvelaanrijsein rode balk | | Voorbijrijden van het sein alleen toegestaan na toestemming van de treindienstleider.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 19 — Lokaal voorkomende seinen › 19.4 — Nederlands – Belgisch baanvakken

19.4 — Nederlands – Belgisch baanvakken

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 349 Bord ‘Seinen rechts naast spoor’ | | Aanduiding van de plaatsing van de seinen aan de rechterzijde van het spoor waarvoor zij bestemd zijn.

Nr. 349a Belgisch pijlbord | | Aanduiding van het spoor waarvoor het sein bestemd is.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 19 — Lokaal voorkomende seinen › 19.5 — Diverse baanvakken

19.5 — Diverse baanvakken

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 306b Uitschakelbord | | Uitschakelen tractiestroom. Geldt alleen voor bestuurders van treinen, voorzien van stroomafnemers, die door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 307b Inschakelbord | | Inschakelen tractiestroom toegestaan. Indien een onderbord is aangebracht, mag het inschakelen van de tractiestroom slechts geschieden indien de trein uit niet meer dan het aantal op het onderbord vermelde spoorvoertuigen bestaat. Geldt alleen voor bestuurders van treinen, voorzien van stroomafnemers, die door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 308b stroomafnemers neer | | Binnen driehonderd meter de stroomafnemers neerlaten. Geldt alleen voor bestuurders van treinen die door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 309b stroomafnemers neer | | De stroomafnemers moeten zijn neergelaten. Geldt alleen voor bestuurders van treinen die door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Nr. 310b stroomafnemers op | | Toestemming om de stroomafnemers op te zetten. Geldt alleen voor bestuurders van treinen die door de betrokken spoorwegonderneming zijn aangewezen.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 19 — Lokaal voorkomende seinen › 19.6 — Baanvakken Tilburg – ‘s Hertogenbosch en Boxtel – Eindhoven

19.6 — Baanvakken Tilburg – ‘s Hertogenbosch en Boxtel – Eindhoven

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 725a Gedoofd licht | | Sein geeft geen opdracht.

Nr. 725b Knipperen rood licht | | Aanduiding van de activering van de werkzoneschakelaar voor het spoor waarop de werkzonelamp betrekking heeft.

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 19 — Lokaal voorkomende seinen › 19.7 — Amersfoort

19.7 — Amersfoort

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr 268a/b Heuvelen verboden a | | Niet toegestaan spoorvoertuigen naar of over de heuvel te duwen.

b

Nr 269a/b Heuvelen toegestaan a | | Duwen van spoorvoertuigen naar of over de heuvel Toegestaan.

b

Bijlage 4 — behorende bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer › 20 — Seinen op buitendienstgesteld spoor

20 — Seinen op buitendienstgesteld spoor

Nr. / Sein | Afbeelding | Betekenis

Nr. 725b Knipperen rood licht (hoog en laag) | | Voor werktreinen: Stop vóór het sein. Voor de persoonlijke veiligheid: De werkzoneschakelaar voor de werkzone die ligt voor het betreffende sein is geactiveerd.

Bijlage 5

Bijlage 5

Vervallen

Bijlage 6 — behorende bij artikel 38 van de Regeling spoorverkeer

Bijlage 6 — behorende bij artikel 38 van de Regeling spoorverkeer

Lijst met Emplacementen

A

Ah | Arnhem

Ahg | Arnhem Goederenstation

Amf | Amersfoort

Amfs | Amersfoort Schothorst

Almo | Almere Oostvaarders

Aml | Almelo

Amr | Alkmaar

Apd | Apeldoorn

Apn | Alphen aan den Rijn

Asb | Amsterdam Bijlmer

Asd | Amsterdam Centraal

Asdma | Amsterdam Muiderpoort ASL

Asdta | Amsterdam Transformatorweg

Asdwpl | Amsterdam Werkplaats

Asn | Assen

Ass | Amsterdam Sloterdijk

At | Acht

Awhv | Amsterdam Westhaven

B

Bd | Breda

Bgn | Bergen op Zoom

Bkd | Amersfoort Bokkeduinen

Bkh | Binckhorst

Bkhn | Binckhorst Noord

Bkhz | Binckhorst Zuid

Bkl | Breukelen

Bkp | Blauwkapel

Bnva | Barneveld Aansluiting

Bon | Born

Bot | Botlek

Br | Blerick

Brn | Baarn

Btl | Boxtel

Bv | Beverwijk

C

Co | Coevorden

Cr | Crailoo

D

Ddn | Delden

Ddr | Dordrecht

Ddri | Dordrecht Aansluiting Industrieterrein De Staart

Dgr | Amsterdam Dijksgracht

Dld | Den Dolder

Dn | Deurne

Dt | Delft

Dtc | Doetinchem

Dv | Deventer

Dvaw | Duivendrecht Aansluiting West

Dvd | Duivendrecht

Dz | Delfzijl

E

Ed | Ede-Wageningen

Eem | Eemshaven

Ehv | Eindhoven

Ekz | Enkhuizen

Emn | Emmen

Erp | Europoort

Es | Enschede

Esta | Elst Aansluiting

F

Fo | Feijenoord

G

Gbr | Glanerbrug

Gd | Gouda

Gdg | Gouda Goverwelle

Gdm | Geldermalsen

Gn | Groningen

Gnl | Groningen Losplaats

Gs | Goes

Gv | Den Haag HS

Gvc | Den Haag Centraal

H

Han | Haanrade

Har | De Haar Aansluiting

Hde | ‘t Harde

Hdr | Den Helder

Hfd | Hoofddorp

Hfdo | Hoofddorp Opstel

Hgl | Hengelo

Hgv | Hoogeveen

Hlg | Harlingen

Hlgh | Harlingen Haven

Hlm | Haarlem

Hlmw | Haarlem Hoofdwerkplaats (wgl-groep)

Hmla | Harmelen Aansluiting

Hn | Hoorn

Hnk | Hoorn Kersenboogerd

Hrl | Heerlen

Hsbda | Breda Aansluiting

Hsbdg | Breda Grens

Hszha | Zevenbergschehoek Aansluiting

Ht | ’s Hertogenbosch

Hvs | Hilversum

Hwd | Heerhugowaard

I

IJsm | IJsselmonde Rangeerterrein

J

– | –

K

Kfh | Kijfhoek

Kpn | Kampen

Krd | Kerkrade

Ktr | Kesteren

L

Ldd | Leidschendam

Ledn | Leiden

Lls | Lelystad

Llso | Lelystad Opstelterrein

Lw | Leeuwarden

Lwd | Lewedorp

M

Mas | Maarssen

Mbga | Muiderberg ASL

Mdk | Moerdijk raccordementstamlijn

Mdsa | Muiderstraatweg Aansluiting

Mp | Meppel

Mrb | Mariënberg

Mrg | Maarn (GE)

Mss | Maassluis

Mt | Maastricht

Mtr | Maastricht Randwijck

Mvt | Maasvlakte

N

Ndb | Naarden-Bussum

Nm | Nijmegen

Nmge | Nijmegen Goederen

Nmrep | Nijmegen Opstel

Nsch | Nieuweschans

Nwh | Noordwijkerhout

O

O | Oss

Obpa | Overbrakepolder

Odz | Oldenzaal

On | Onnen

Onz | Onnen Zuid

Otw | Oosterhout raccordement Weststad

P

Pon | Amersfoort raccordement Pon

Ps | Pernis

Q

– | –

R

Rd | Roodeschool

Rhn | Rhenen

Rlb | Rotterdam Lombardijen

Rm | Roermond

Rsd | Roosendaal

Rtd | Rotterdam CS

Rtng | Rotterdam Noord Goederen

Rtst | Rotterdam Stadion

S

Sdm | Schiedam

Shl | Schiphol

Sloe | Sloehaven

Std | Sittard

Stv | Stavoren

Svg | Sas van Gent

Swd | Sauwerd

Swk | Steenwijk

T

Tb | Tilburg

Tbge | Tilburg Goederenemplacement

Tbu | Tilburg Universiteit

Tl | Tiel

Tnz | Terneuzen

U

Ut | Utrecht CS

Utcw | Utrecht Cartesiusweg

Utg | Uitgeest

Utge | Utrecht Goederen

Utls | Utrecht Landstraat

Utlw | Utrecht Lage Weide

Utm | Utrecht Maliebaan

Utoz | Utrecht Opstelterrein Zuid

V

Vam | VAM-terrein Wijster

Vdm | Veendam

Vk | Valkenburg

Vl | Venlo

Vry | Venray

Vs | Vlissingen

Vspa | Venserpolder ASL

W

Wd | Woerden

Wdn | Wierden

Wgm | Watergraafsmeer

Whz | Rotterdam Waalhaven Zuid

Wp | Weesp

Wspl | Westelijke Splitsing

Wt | Weert

Ww | Winterswijk

X

– | –

Y

Ypb | Den Haag Ypenburg

Z

Zb | Zuidbroek

Zd | Zaandam

Zl | Zwolle

Zlw | Lage Zwaluwe

Zp | Zutphen

Zst | Amsterdam Zaanstraat

Zv | Zevenaar

Zvt | Zandvoort

Zwdl | Zwijndrecht Groote Lindt

Afkortingen buitenland

Wr | Weener

Lar | Laarwald

Bh | Bad Bentheim

G | Gronau

Em | Emmerich

Kn | Kaldenkirchen

Dh | Dalheim

Hz | Herzogenrath

Fvs | Visé

Lnp | Neerpelt

Esn | Essen

Fsz | Zelzate

Bijlage 7

Bijlage 7

Vervallen

Bijlage 8 — behorende bij artikel 40a van de Regeling spoorverkeer

Bijlage 8 — behorende bij artikel 40a van de Regeling spoorverkeer

Vervallen