wetzoeker

Artikel 3 Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren

De aanvullende uitkering bij werkloosheid

1 De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, recht op een aanvullende uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende uitkering niet eerder ingaat dan op de dag waarop het ontslag in werking treedt.

2 Op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3, alsmede de artikelen 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.

3 In afwijking van het tweede lid, is artikel 41 van de Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, en is artikel 47a van de Werkloosheidswet slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering voor zover de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen.

Regeling
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren
Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2017
BWB-id
BWBR0011826
Versie
2017-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl