wetzoeker

Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten (herziening voorlopige maatregelen kinderbescherming)

Wet van 23 januari 1997 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de herziening van de voorlopige maatregelen van kinderbescherming

Soort
Wet
Geldend vanaf
17-02-1999
Rechtsgebied
Jeugdrecht (m.u.v. jeugdstrafrecht), Personen- en familierecht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0008509
Versie
1999-02-17_0
SHA-256 bron
0429078c84190fd5b90f15f45fca6e03f61d923f63e53f31f12b793c39d2c283

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (11)
  1. ARTIKEL I
  2. ARTIKEL II
  3. ARTIKEL III
  4. ARTIKEL IV
  5. ARTIKEL V
  6. ARTIKEL VI
  7. ARTIKEL VII
  8. ARTIKEL VIII
  9. ARTIKEL IX
  10. ARTIKEL X
  11. ARTIKEL XI

ARTIKEL I

Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL II

Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

ARTIKEL III

Wijzigt de Wet op de Jeugdhulpverlening.

ARTIKEL IV

Wijzigt de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen.

ARTIKEL V

Wijzigt de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan (Stb. 1990, 202).

ARTIKEL VI

Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL VII

Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

ARTIKEL VIII

Op de voorlopige toevertrouwing van een minderjarige aan de raad voor de kinderbescherming die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet heeft plaatsgevonden, is het voor de inwerkingtreding van deze wet geldende recht van toepassing, behoudens de artikelen IX en X van deze wet.

ARTIKEL IX

1 Een voorlopige toevertrouwing van een minderjarige aan de raad voor de kinderbescherming die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet heeft plaatsgevonden ingevolge artikel 241 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, vervalt na verloop van zes weken, tenzij de raad voor de kinderbescherming zich voor het einde van de termijn tot de rechter heeft gewend teneinde een voorziening in het gezag over de minderjarige te verkrijgen.

2 De in het eerste lid bedoelde voorlopige toevertrouwing kan worden ingetrokken door de in het eerste lid bedoelde rechter.

3 De termijn van het eerste lid vangt aan met ingang van de dag na die waarop deze wet in werking treedt.

ARTIKEL X

1 Wanneer de officier van justitie voor de inwerkingtreding van deze wet een kind ingevolge artikel 272, eerste lid, of artikel 332 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, aan de raad voor de kinderbescherming heeft toevertrouwd en na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig artikel 272, tweede lid, van de rechtbank haar bekrachtiging vordert, bepaalt de rechtbank, indien zij het kind overeenkomstig artikel 271, vierde lid, aan de raad voor de kinderbescherming toevertrouwt, de duur van de voorlopige toevertrouwing.

2 De maatregel, bedoeld in het eerste lid, vervalt na verloop van zes weken, tenzij voor het einde van de termijn een verzoek of vordering tot ontzetting of ontheffing aanhangig is gemaakt. In dat laatste geval blijft de maatregel van kracht totdat bij gewijsde over de ontzetting of de ontheffing is beslist, tenzij de rechter een kortere termijn heeft vastgesteld.

3 De in het eerste lid bedoelde voorlopige toevertrouwing kan worden ingetrokken.

4 De termijn, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, vangt aan met ingang van de dag na die waarop deze wet in werking treedt.

ARTIKEL XI

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.