wetzoeker

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

Besluit van 26 juli 1990, houdende vaststelling van een nieuw Reglement verkeersregels en verkeerstekens

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-07-2026
Afkortingen
RVV, RVV 1990
Rechtsgebied
Vervoersrecht
Ministerie
Infrastructuur en Milieu
BWB-id
BWBR0004825
Versie
2026-07-01_0
SHA-256 bron
bcf7b0e5b90a6a865f2b98212409126488e29e120ca7b317b2e6e3464c671db3

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (160)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 1a
  3. Artikel 2
  4. Artikel 2a
  5. Artikel 2b
  6. Artikel 3
  7. Artikel 4
  8. Artikel 5
  9. Artikel 6
  10. Artikel 7
  11. Artikel 8
  12. Artikel 9
  13. Artikel 10
  14. Artikel 11
  15. Artikel 12
  16. Artikel 13
  17. Artikel 14
  18. Artikel 15
  19. Artikel 15a
  20. Artikel 16
  21. Artikel 17
  22. Artikel 18
  23. Artikel 19
  24. Artikel 20
  25. Artikel 21
  26. Artikel 22
  27. Artikel 22a
  28. Artikel 23
  29. Artikel 24
  30. Artikel 25
  31. Artikel 26
  32. Artikel 27
  33. Artikel 28
  34. Artikel 29
  35. Artikel 30
  36. Artikel 30a
  37. Artikel 30b
  38. Artikel 30c
  39. Artikel 31
  40. Artikel 32
  41. Artikel 33
  42. Artikel 34
  43. Artikel 35
  44. Artikel 35a
  45. Artikel 35b
  46. Artikel 35c
  47. Artikel 36
  48. Artikel 37
  49. Artikel 38
  50. Artikel 39
  51. Artikel 40
  52. Artikel 41
  53. Artikel 41a
  54. Artikel 42
  55. Artikel 43
  56. Artikel 44
  57. Artikel 45
  58. Artikel 46
  59. Artikel 47
  60. Artikel 48
  61. Artikel 49
  62. Artikel 50
  63. Artikel 51
  64. Artikel 52
  65. Artikel 53
  66. Artikel 54
  67. Artikel 55
  68. Artikel 56
  69. Artikel 57
  70. Artikel 58
  71. Artikel 58a
  72. Artikel 59
  73. Artikel 59a
  74. Artikel 59b
  75. Artikel 60
  76. Artikel 61
  77. Artikel 61a
  78. Artikel 61b
  79. Artikel 62
  80. Artikel 63
  81. Artikel 63a
  82. Artikel 63b
  83. Artikel 64
  84. Artikel 64a
  85. Artikel 65
  86. Artikel 66
  87. Artikel 67
  88. Artikel 68
  89. Artikel 69
  90. Artikel 70
  91. Artikel 71
  92. Artikel 72
  93. Artikel 73
  94. Artikel 74
  95. Artikel 75
  96. Artikel 76
  97. Artikel 77
  98. Artikel 78
  99. Artikel 79
  100. Artikel 80
  101. Artikel 81
  102. Artikel 82
  103. Artikel 82a
  104. Artikel 83
  105. Artikel 84
  106. Artikel 85
  107. Artikel 86
  108. Artikel 86a
  109. Artikel 86b
  110. Artikel 86c
  111. Artikel 86d
  112. Artikel 86e
  113. Artikel 87
  114. Artikel 88
  115. Artikel 89
  116. Artikel 90
  117. Artikel 91
  118. Artikel 92
  119. Artikel 93
  120. Artikel 94
  121. Artikel 95
  122. Artikel 96
  123. Artikel 96a
  124. Artikel 96b
  125. Artikel 97
  126. Artikel 98
  127. Artikel 99
  128. Artikel 100
  129. Artikel 101
  130. Artikel 102
  131. Artikel 103
  132. Artikel 104
  133. Artikel 105
  134. Artikel 106
  135. Artikel 107
  136. Artikel 108
  137. Artikel 109
  138. Artikel 110
  139. Artikel 111
  140. Artikel 112
  141. Artikel 113
  142. Artikel 114
  143. Artikel 115
  144. Artikel 116
  145. Artikel 117
  146. Artikel 118
  147. Artikel 119
  148. Artikel 120
  149. Artikel 121
  150. Hoofdstuk A — Snelheid
  151. Hoofdstuk B — Voorrang
  152. Hoofdstuk C — Geslotenverklaring
  153. Hoofdstuk D — Rijrichting
  154. Hoofdstuk E — Parkeren en stilstaan
  155. Hoofdstuk F — Overige geboden en verboden
  156. Hoofdstuk G — Verkeersregels
  157. Hoofdstuk H — Bebouwde kom
  158. Hoofdstuk J — Waarschuwing
  159. Hoofdstuk K — Bewegwijzering
  160. Hoofdstuk L — Informatie

Hoofdstuk I — Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanhangwagens: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers;

ambulance: een voor het verlenen van zorg aan en vervoer van zieken en gewonden ingericht motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen;

autobus: motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;

autosnelweg: weg, aangeduid door bord G1 van bijlage I; langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autosnelweg uit;

autoweg: weg, aangeduid door bord G3 van bijlage I; langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit;

bedrijfsauto: bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

bestelauto: motorvoertuig, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg;

bestemmingsverkeer: bestuurders wier reisdoel één of meer bepaalde percelen betreft die zijn gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde categorieën bestuurders en die slechts via deze weg zijn te bereiken alsmede bestuurders van lijnbussen;

bestuurders: alle weggebruikers behalve voetgangers;

bestuurder van een motorvoertuig:

1. hij die het motorvoertuig bestuurt of

2. voor zover het betreft een motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs AM, B, C, D of E, is vereist en dat is voorzien van een dubbele bediening, hij die rijonderricht geeft of toezicht houdt in het kader van een vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid, niet zijnde een onderzoek als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet;

bevoegd gezag: gezag als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet;

brombakfiets: bromfiets op drie symmetrisch geplaatste wielen, met twee voorwielen en uitsluitend ingericht voor het vervoer van de bestuurder en van goederen en eventueel van een achter de bestuurder gezeten passagier;

brommobiel: bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie;

busbaan: rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht;

busstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht;

dag: de periode tussen zonsopgang en zonsondergang;

diensten voor spoedeisende medische hulpverlening: de op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen aangewezen Regionale Ambulancevoorzieningen, alsmede andere hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een Regionale Ambulancevoorziening als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen bezig houden met het verlenen van spoedeisende medische hulpverlening;

dierenambulance: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke en gewonde dieren;

doorgaande rijbaan: rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken;

driewielig motorvoertuig: driewielig motorrijtuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

fietsstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht;

gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is;

geslotenverklaring: verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken;

haaientanden: voorrangsdriehoeken op het wegdek;

invoegstrook: door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden;

kampeerwagen: kampeerwagen als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

kruispunt: kruising of splitsing van wegen;

ligplaats: ligplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

lijnbus: motorvoertuig, gebezigd voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000;

militaire colonne: een aantal zich achter elkaar bevindende militaire dan wel bij een onderdeel van de rampenbestrijdingsorganisatie in gebruik zijnde motorvoertuigen, onder één commandant, die de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie vastgestelde herkenningstekens voeren;

motorfiets: motorvoertuig op twee wielen al dan niet met zijspan- of aanhangwagen;

motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;

nacht: de periode tussen zonsondergang en zonsopgang;

overweg: kruising van een weg en een spoorweg die wordt aangeduid door middel van bord J12 of J13 van bijlage 1;

parkeerhaven of parkeerstrook: langs de rijbaan gelegen verharding die is bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen;

parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen;

personenauto: personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

puntstuk: meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen;

richtlijn 97/24/EG: richtlijn nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226);

rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden;

rijstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken;

snorfiets:

1. bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur, met uitzondering van de speed-pedelec, of

2. bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet;

speed-pedelec: elektrische bromfiets met trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht aanhoudt als het voertuig de snelheid van 25 km per uur overschrijdt;

spitsstrook: de vluchtstrook die als rijstrook is aangewezen blijkens bord C23-01 van bijlage 1;

T100-bus: autobus, ten aanzien waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs of uit het kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur.

Met een T100-bus als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een autobus die is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en ten aanzien waarvan uit het kentekenbewijs of uit een verklaring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling, afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd, blijkt dat de autobus geschikt is voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur;

uitrijstrook: door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten;

uitvaartstoet van motorvoertuigen: een stoet, bestaande uit motorvoertuigen, die een lijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de lijkbezorging of de as van een gecremeerd lijk begeleiden en die de in artikel 30c bedoelde herkenningstekens voeren;

veiligheidscel: onderdeel van de constructie van een bromfiets, een motorfiets of een driewielig motorvoertuig dat de bestuurder of passagiers beschermt tegen hoofdletsel;

verdrijvingsvlak: gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht;

verkeer: alle weggebruikers;

verkeersregelaar: persoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

verlicht transparant: verlicht transparant als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

vluchthaven of vluchtstrook: door een doorgetrokken streep van de rijbaan van de autosnelweg of autoweg afgescheiden weggedeelte, dat bestemd is voor gebruik in noodgevallen, behoudens voor de duur van openstelling als spitsstrook;

voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens;

voorrangsvoertuig: motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29;

voorrang verlenen: het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen;

vrachtauto: motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg;

weggebruikers: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen;

wet: Wegenverkeerswet 1994;

zitplaats: zitplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen.

Hoofdstuk I — Begripsbepalingen

Artikel 1a

Onder de vermelding in dit besluit van een EG-richtlijn of VN/ECE-reglement wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.2 van de Regeling voertuigen, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Regeling voertuigen bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.3, tweede lid, van de Regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk I — Begripsbepalingen

Artikel 2

1 De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn mede van toepassing op bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, indien zij van een voetpad of trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken.

2 De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede op personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen.

3 De regels van dit besluit betreffende wagens zijn mede van toepassing op door voetgangers gevormde colonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen.

Hoofdstuk I — Begripsbepalingen

Artikel 2a

De regels van dit besluit betreffende motorvoertuigen en bestuurders en passagiers van motorvoertuigen zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen, bromfietsers en passagiers van bromfietsen, mede van toepassing op brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen, tenzij anders is bepaald.

Hoofdstuk I — Begripsbepalingen

Artikel 2b

De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders is bepaald.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 1 — Plaats op de weg

Artikel 3

1 Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.

2 Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 1 — Plaats op de weg

Artikel 4

1 Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.

2 Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.

3 Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.

4 In afwijking van het eerste en het tweede lid gebruiken personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken de rijbaan indien een fietspad, een fiets/bromfietspad, een trottoir of een voetpad ontbreekt.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 1 — Plaats op de weg

Artikel 5

1 Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad.

2 Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.

3 Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor.

4 Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter en van fietsen met aanhangwagen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter mogen de rijbaan gebruiken.

5 Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet mogen het trottoir en het voetpad gebruiken indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten.

6 Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet gebruiken het trottoir of het voetpad indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten.

7 Het eerste lid, het tweede lid en het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde lid.

8 Bestuurders van snorfietsen gebruiken de rijbaan indien dit bij verkeersbesluit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet, is bepaald en bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft een onderbord dit aanduidt.

9 Het achtste lid is niet van toepassing op snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet en op bestuurders van snorfietsen zijnde bestuurders als bedoeld in het vijfde en zesde lid van dit artikel.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 1 — Plaats op de weg

Artikel 6

1 Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad.

2 Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.

3 Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, gebruiken de rijbaan.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 1 — Plaats op de weg

Artikel 7

Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 1 — Plaats op de weg

Artikel 8

1 Ruiters gebruiken het ruiterpad.

2 Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 1 — Plaats op de weg

Artikel 9

Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken, indien zij een colonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 1 — Plaats op de weg

Artikel 10

1 Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

2 Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 2 — Inhalen

Artikel 11

1 Inhalen geschiedt links.

2 Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald.

3 Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen.

4 Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen.

5 Bestuurders mogen trams rechts inhalen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 2 — Inhalen

Artikel 12

Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 3 — Files

Artikel 13

1 Bij fileverkeer behoeft, indien de rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd.

2 Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 4 — Oprijden van kruispunten

Artikel 14

Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 5 — Verlenen van voorrang

Artikel 15

1 Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.

2 Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen:

a. bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg;

b. bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 5a — Gedrag bij overwegen

Artikel 15a

1 Weggebruikers mogen een overweg opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken.

2 Bij overwegen laten weggebruikers een spoorvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 6 — Doorsnijden militaire colonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen

Artikel 16

Weggebruikers mogen militaire colonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 7 — Afslaan

Artikel 17

1 Bestuurders die willen afslaan, mogen voorsorteren door:

a. indien zij naar rechts willen afslaan tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde te gaan rijden;

b. indien zij naar links willen afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden of bij rijbanen bestemd voor bestuurders in één richting daarop zoveel mogelijk links te houden.

2 Bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 7 — Afslaan

Artikel 18

1 Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.

2 Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan.

3 Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 8 — Maximumsnelheid

Artikel 19

De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 8 — Maximumsnelheid

Artikel 20

Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

a. voor motorvoertuigen 50 km per uur;

b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:

1. op het fiets/bromfietspad 30 km per uur;

2. op de rijbaan 45 km per uur;

3. op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 30 km per uur;

c. voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 8 — Maximumsnelheid

Artikel 21

Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

a. voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur;

b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:

1. op het fiets/bromfietspad 40 km per uur;

2. op de rijbaan 45 km per uur;

3. op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 40 km per uur;

c. voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 8 — Maximumsnelheid

Artikel 22

Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden:

a. voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur;

b. voor T100-bussen 100 km per uur;

c. voor brommobielen 45 km per uur;

d. voor snorfietsen 25 km per uur;

e. voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur;

f. voor andere dan de in onderdeel e genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 8 — Maximumsnelheid

Artikel 22a

1 Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, geldt als maximumsnelheid voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, al dan niet met aanhangwagen: 25 km per uur.

2 In afwijking van het eerste lid geldt, voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, als maximumsnelheid voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, al dan niet met aanhangwagen, op wegen:

a. buiten de bebouwde kom; en

b. binnen de bebouwde kom:

1°. die zijn voorzien van een vrijliggend fietspad of fiets/bromfietspad;

2°. die gesloten zijn voor fietsers; of

3°. waar een maximumsnelheid van 70 km per uur geldt:

40 km per uur.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 9 — Stilstaan

Artikel 23

1 De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:

a. op een kruispunt of een overweg;

b. op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;

c. op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan;

d. in een tunnel;

e. bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord;

f. op de rijbaan langs een busstrook en

g. langs een gele doorgetrokken streep.

2 Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 10 — Parkeren

Artikel 24

1 De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

a. bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan;

b. voor een inrit of een uitrit;

c. buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;

d. op een parkeergelegenheid:

1°. voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen;

2°. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven;

3°. op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden;

e. langs een gele onderbroken streep;

f. op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen;

g. op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.

2 Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren.

3 De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren.

4 Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 10 — Parkeren

Artikel 25

1 Het is verboden in een parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep.

2 Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.

3 Op de parkeerschijf staat aan de getoonde zijde slechts één cijferreeks, die een aanduiding geeft van de kalenderuren, en die vanaf het begin van het parkeren in duidelijk leesbare cijfers tegen een contrasterende achtergrond in hele of halve uren het tijdstip weergeeft waarop met het parkeren is begonnen. Een parkeerschijf voorzien van een mechanisme dat tijdens het parkeren het tijdstip van aankomst automatisch verschuift, mag niet worden gebruikt.

4 Bij het instellen mag het tijdstip van aankomst naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele of halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken.

5 Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lid slechts gedurende die dagen of uren.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 10 — Parkeren

Artikel 26

1 Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

a. een gehandicaptenvoertuig, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte;

b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt; of

c. indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig.

2 Indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld, is artikel 25, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauwe streep.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 11 — Het plaatsen van fietsen en bromfietsen

Artikel 27

Fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 12 — Signalen en herkenningstekens

Artikel 28

Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 12 — Signalen en herkenningstekens

Artikel 29

1 Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.

2 De in het eerste lid genoemde bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting overdag knipperende koplampen voeren.

3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht, de tweetonige hoorn en de knipperende koplampen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 12 — Signalen en herkenningstekens

Artikel 30

1 Bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. De in artikel 29, eerste lid, genoemde bestuurders voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren.

2 Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze signalen worden gevoerd.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 12 — Signalen en herkenningstekens

Artikel 30a

1 Bestuurders van de in artikel 29, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen mogen onder nader aan te geven omstandigheden extra richtingaanwijzers voeren.

2 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de in het eerste lid bedoelde richtingaanwijzers en de omstandigheden waarin deze worden gebruikt.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 12 — Signalen en herkenningstekens

Artikel 30b

De artikelen 29 tot en met 30a zijn niet van toepassing op Belgische en Duitse motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, in gebruik bij diensten voor spoedeisende hulpverlening alsmede motorvoertuigen van Belgische en Duitse hulpverleningsdiensten, aangewezen bij of krachtens artikel 29, eerste lid, mits deze voertuigen elk de signalen voeren overeenkomstig de voor hen in hun eigen land geldende wettelijke regels.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 12 — Signalen en herkenningstekens

Artikel 30c

De motorvoertuigen die onderdeel uitmaken van een uitvaartstoet van motorvoertuigen voeren een herkenningsteken. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het herkenningsteken en de wijze waarop dit wordt gevoerd.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 12 — Signalen en herkenningstekens

Artikel 31

Signalen mogen niet worden gegeven en de in artikel 30c bedoelde herkenningstekens mogen niet worden gevoerd in andere gevallen of op andere wijze dan bij of krachtens de artikelen in deze paragraaf is bepaald.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 13 — Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 32

1 Bestuurders van een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, niet zijnde een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet, een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de in artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling voertuigen bedoelde lichten.

2 Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen:

a. bij dag;

b. bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en

c. bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig.

3 Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 13 — Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 33

Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 13 — Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 34

1 Bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert, mogen bestuurders van een motorvoertuig en van een gehandicaptenvoertuig mistlicht aan de voorzijde voeren. In dat geval hoeven die bestuurders geen dimlicht te voeren.

2 Bij mist of sneeuwval, die het zicht beperkt tot een afstand van minder dan 50 meter mag mistachterlicht worden gevoerd.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 13 — Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 35

1 Fietsers voeren tijdens het rijden bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, verlichting overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid.

2 Een fiets op twee wielen en een fiets op drie wielen met één voorwiel moeten zijn voorzien van een wit of geel licht dat aan de voorzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder een wit of geel licht voert op zijn borst.

3 Op een fiets op meer dan twee wielen met twee voorwielen moeten aan de voorzijde twee witte of twee gele symmetrisch links en rechts van het midden bevestigde lichten worden gevoerd.

4 Een fiets moet zijn voorzien van een rood achterlicht dat aan de achterzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder of een achter de bestuurder gezeten passagier een rood licht voert op zijn rug.

5 Een fiets mag zijn voorzien van twee ambergeel licht stralende richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde.

6 Er mogen niet meer lichten worden gevoerd op een fiets, door de bestuurder daarvan of door een achter de bestuurder gezeten passagier dan de in het tweede tot en met vijfde lid genoemde lichten.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 13 — Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 35a

1 De in artikel 35 bedoelde verlichting mag andere weggebruikers niet verblinden.

2 De in artikel 35, eerste tot en met vierde lid, bedoelde verlichting mag niet knipperen.

3 De in artikel 35, eerste tot en met vierde lid, bedoelde verlichting moet:

a. aan de voorzijde voortdurend zichtbaar zijn voor tegemoetkomende weggebruikers;

b. aan de achterzijde voortdurend zichtbaar zijn voor van achteren naderende weggebruikers.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 13 — Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 35b

1 Bestuurders van een wagen voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht.

2 Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, dat niet is uitgerust met een motor, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht indien zij gebruik maken van de rijbaan, het fietspad of het fiets-/bromfietspad.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 13 — Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 35c

De artikelen 35, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, en 35a zijn van overeenkomstige toepassing op bestuurders van snorfietsen, zijnde bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 13 — Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 36

Ruiters en geleiders van rij- of trekdieren en vee moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht moet stralen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 13 — Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 37

Door voetgangers gevormde colonnes en optochten moeten buiten de bebouwde kom bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht aan de linker voorzijde een naar alle zijden wit of geel licht uitstralende lantaarn en aan de linker achterzijde een naar alle zijden rood licht uitstralende lantaarn meevoeren.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 14 — Gebruik van lichten tijdens het stilstaan

Artikel 38

Bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom stilstaan op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht stadslicht en achterlicht voeren.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 14 — Gebruik van lichten tijdens het stilstaan

Artikel 39

Stilstaande aanhangwagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 14 — Gebruik van lichten tijdens het stilstaan

Artikel 40

Stilstaande wagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht voor- en achterlicht voeren.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 15 — Bijzondere lichten

Artikel 41

1 Onverminderd artikel 32, eerste lid, mogen bestuurders van een motorvoertuig bij dag dagrijlicht voeren. Het dagrijlicht wordt niet tegelijk met enig ander licht aan de voorzijde van het voertuig gevoerd.

2 Bestuurders van een motorvoertuig mogen, indien deze verlichting krachtens de Regeling voertuigen voor dat motorvoertuig is toegestaan, tegelijk met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bochtlicht, hoeklicht, manoeuvreerlichten, markeringslichten of staaklichten voeren, waarbij voor het mogen voeren van manoeuvreerlichten een maximumsnelheid geldt van 10 km per uur.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 15 — Bijzondere lichten

Artikel 41a

1 Verlichte transparanten die informatie bieden over de bestemming of het gebruik van het voertuig mogen worden gevoerd door:

a. personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen:

1°. in gebruik bij de politie of bij de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

2°. in gebruik bij de brandweer;

3°. in gebruik bij pechhulpdiensten;

4°. in gebruik bij Rijkswaterstaat, bij de Inspectie Leefomgeving en Transport of bij de douane;

5°. die worden gebruikt door artsen;

6°. die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef;

7°. die worden gebruikt door de Regionale Ambulancevoorzieningen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen;

8°. van hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een Regionale Ambulancevoorziening als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen bezig houden met het verlenen van spoedeisende hulpverlening;

b. autobussen van openbaar vervoerdiensten;

c. bedrijfsauto’s van transportbegeleiders;

d. personen- en bedrijfsauto’s ingericht als dierenambulance;

e. taxi’s.

2 Personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef mogen slechts zijn voorzien van een verlicht transparant die de ingevolge het Reglement rijbewijzen voorgeschreven letter «L» weergeeft.

3 Onverminderd het eerste lid mogen:

a. verlichte transparanten die worden gevoerd door de voertuigen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4° en onderdeel c, aanwijzingen weergeven voor het overige wegverkeer,

b. taxi’s zijn voorzien van verlichte transparanten die de volgende informatie weergeven:

1°. tarieven;

2°. naam van het taxibedrijf; en

3°. telefoonnummer van het taxibedrijf.

4 Taxi’s die zijn voorzien van verlichte transparanten die tarieven weergeven, mogen deze verlichting slechts voeren wanneer zij zich op een taxistandplaats bevinden.

5 Verlichte transparanten worden niet gevoerd door andere voertuigen dan genoemd in het eerste lid en worden niet gevoerd op een andere wijze dan bepaald in het eerste tot en met vierde lid.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 16 — Autosnelwegen en autowegen

Artikel 42

1 Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden.

2 Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 50 km per uur mag en kan worden gereden.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 16 — Autosnelwegen en autowegen

Artikel 43

1 Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden.

2 Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan.

3 Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.

4 Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 17 — Erven

Artikel 44

Voetgangers mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 17 — Erven

Artikel 45

Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km per uur.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 17 — Erven

Artikel 46

1 Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden binnen een erf te parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.

2 Indien het erf tevens is aangeduid als parkeerschijf-zone, zijn ten aanzien van het parkeren van voertuigen artikel 25 en 26 van toepassing.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 18 — Rotondes

Artikel 47

Het is bestuurders van een motorvoertuig en bromfietsers die de rijbaan volgen toegestaan vlak voor of op rotondes anders dan aan de rechterzijde van de rijbaan te rijden.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 18 — Rotondes

Artikel 48

Het is bestuurders toegestaan vlak voor of op rotondes rechts in te halen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 19 — Voetgangers

Artikel 49

1 Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.

2 Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.

3 Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.

4 Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid, van toepassing is.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 20 — Voorrangsvoertuigen

Artikel 50

Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 21 — Loslopend vee

Artikel 51

1 Het is verboden rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.

2 Het eerste lid geldt niet ten aanzien van wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 22 — In- en uitstappende passagiers

Artikel 52

Bestuurders die een stilstaande tram of autobus willen voorbijrijden aan de zijde waar passagiers in- en uitstappen, moeten aan hen daartoe gelegenheid geven.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 23 — Slepen

Artikel 53

Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 24 — Bijzondere manoeuvres

Artikel 54

Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 24 — Bijzondere manoeuvres

Artikel 55

Bestuurders van een motorvoertuig respectievelijk bromfietsers moeten een teken met hun richtingaanwijzer geven respectievelijk een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven, indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten en indien zij van rijstrook willen wisselen alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 24 — Bijzondere manoeuvres

Artikel 56

1 Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt.

2 Het eerste lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 25 — Onnodig geluid

Artikel 57

Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 26 — Gevarendriehoek

Artikel 58

1 Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt.

2 De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert.

3 Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 26a — Zitplaatsen

Artikel 58a

1 Tijdens deelname aan het verkeer zitten bestuurders en passagiers op de voor hen bestemde zitplaatsen.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. staande passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan;

b. passagiers van autobussen zonder staanplaatsen bij incidenteel gebruik van het gangpad of toilet;

c. passagiers die worden vervoerd overeenkomstig artikel 61b, tweede lid, onderdelen a, b en d;

d. passagiers, jonger dan 3 jaar, in autobussen;

e. passagiers jonger dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter die gebruik maken van een voor deze passagiers geschikte zitgelegenheid die deel uitmaakt van de constructie van het voertuig, hierin deugdelijk is bevestigd en is voorzien van autogordels;

f. het vervoer van passagiers die gebruik maken van een rolstoel als bedoeld in artikel 59, vierde lid;

g. het vervoer van één persoon van 8 jaar of ouder op de bagagedrager door fietsers met uitzondering van snorfietsers.

h. passagiers die gebruik maken van een ligplaats, indien op één ligplaats ten hoogste één passagier is gelegen.

3 In afwijking van het eerste lid worden op fietsen en bromfietsen passagiers jonger dan 8 jaar alleen vervoerd indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige voorziening met voldoende steun voor rug, handen en voeten.

4 Het is bestuurders verboden passagiers te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 27 — Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

Artikel 59

1 Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet. Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn.

2 Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.

3 Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar, worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld.

4 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van:

a. de voor hen beschikbare veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig,

b. de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, of

c. een door Onze Minister aangewezen constructie.

5 Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s. In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.

6 Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 81, tweede lid, van die wet, of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de Regeling voertuigen.

7 De autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaar en ouder en personen onder de 18 jaar die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, kunnen een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen.

8 Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

9 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 27 — Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

Artikel 59a

1 Bestuurders van een autobus en hun passagiers van 3 jaar of ouder gebruiken de autogordel of het kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer.

2 Passagiers van een autobus die in beweging is, wordt meegedeeld dat het verplicht is gebruik te maken van het in het eerste lid genoemde beveiligingsysteem wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. Deze mededeling gebeurt op één of meer van de volgende manieren:

a. door de bestuurder, de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon;

b. door audiovisuele middelen;

c. door opschriften of het volgende pictogram:

Het pictogram wordt bij gebruikmaking daarvan duidelijk op iedere zitplaats aangebracht.

3 In afwijking van het eerste lid behoeven passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan geen beveiligingssysteem te gebruiken en behoeven passagiers van autobussen die volgens een dienstregeling stads- of streekvervoer uitvoeren binnen de bebouwde kom geen beveiligingssysteem te gebruiken.

4 Het is bestuurders van een autobus verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

5 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 27 — Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

Artikel 59b

1 In afwijking van artikel 59, eerste en achtste lid, mag anders dan op de voorste zitplaatsen in personenauto’s en bestelauto’s, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, een derde passagier die 3 jaren of ouder is en met een lengte van minder dan 1,35 meter, worden vervoerd wanneer deze een autogordel gebruikt. Artikel 59, zevende lid, is van toepassing.

2 In afwijking van artikel 59, eerste lid, tweede volzin, en achtste lid, mogen in incidentele gevallen en over korte afstand in personenauto's en bestelauto's op andere dan de voorste zitplaatsen passagiers die 3 jaar of ouder zijn en met een lengte van minder dan 1,35 meter worden vervoerd wanneer deze passagiers een autogordel gebruiken. Dit geldt niet met betrekking tot passagiers waarvan een ouder de auto bestuurt dan wel daarvan eigenaar of houder is.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 28 — Helmen

Artikel 60

1 De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, snorfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuring als bedoeld in artikel 21 van de wet en een bij ministeriële regeling aangeduid goedkeuringskenmerk.

2 Het eerste lid geldt niet voor:

a. de bestuurder en de passagiers van een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet.

b. de bestuurder en de achter hem zittende passagier van een brombakfiets;

c. de bestuurder of de passagier van een door de Dienst Wegverkeer aangewezen type bromfiets, niet zijnde een brommobiel, of motorfiets van wie de zitplaats beschermd wordt door een veiligheidscel en voorzien is van een autogordel, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt. Bij de aanwijzing kan onderscheid gemaakt worden tussen de bestuurder en de passagiers ten aanzien van de gelding van het eerste lid. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld betreffende de eisen waaraan een type bromfiets of motorfiets moet voldoen om te kunnen worden aangewezen. Deze regels zien in elk geval op de eisen die gesteld worden aan de veiligheidscel en de autogordels;

d. de bestuurders of de passagiers van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat motorvoertuig is voorzien van twee bevestigingspunten onder en één bevestigingspunt boven voor een autogordel overeenkomstig de typegoedkeuring van het voertuig zoals die gold op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en waarbij de autogordel voldoet aan artikel 5.6.47, derde en vierde lid, van de Regeling voertuigen of aan artikel 5.5.47, vierde en vijfde lid, van de Regeling voertuigen, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt.

3 Het is bestuurders verboden passagiers beneden de twaalf jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 29 — Zitplaats kinderen op fietsen en bromfietsen

Artikel 61

Vervallen

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 30 — Gebruik van mobiele telecommunicatieapparatuur

Artikel 61a

Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.

Hoofdstuk II — Verkeersregels › § 31 — Vervoer van personen in of op aanhangwagens en in laadruimten

Artikel 61b

1 Het is verboden personen te vervoeren in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig of bromfiets en in of op een aanhangwagen achter een motorvoertuig of bromfiets.

2 Het eerste lid is niet van toepassing:

a. op het vervoer van personen in de laadruimte van een ambulance of dierenambulance en op het vervoer van rolstoelinzittenden op de daarvoor ingerichte plaatsen in de laadruimte van een voertuig dat blijkens een aantekening op het kentekenbewijs speciaal is uitgerust voor rolstoelvervoer.

b. op het vervoer van personen in de laadruimte van motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer en van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

c. op het vervoer van een persoon op de bestuurderszitplaats in een motorvoertuig of op een bromfiets op meer dan twee wielen die door een ander motorvoertuig of een andere bromfiets op meer dan twee wielen wordt voortgetrokken en op het vervoer van passagiers van het getrokken voertuig als hier bedoeld, voor wie geen zitplaats in het trekkende voertuig als hier bedoeld beschikbaar is;

d. in het geval het vervoer van personen geschiedt in het kader van een evenement of optocht waarvoor een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening is afgegeven;

e. op het vervoer van personen met een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen indien voor dit vervoer een vergunning door het bevoegd gezag is afgegeven.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 62

Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 63

Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 63a

Tijdelijke geplaatste of toegepaste verkeerstekens op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens onverenigbaar zijn.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 63b

1 Wanneer verkeerstekens die een maximumsnelheid aanduiden een hogere snelheid aangeven dan :

a. de in de artikelen 20, onderdeel b, 21, onderdeel b, 22 en 22a vastgestelde maximumsnelheden, of

b. de ingevolge een ministeriële regeling krachtens artikel 86a geldende maximumsnelheid, of

c. de in artikel 45 aangegeven snelheid,

geldt de laagste aangegeven snelheid.

2 Indien zowel door verkeerstekens op borden als door elektronische signaleringsborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 64

Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 2 — Verkeersborden

Artikel 64a

Verkeersborden mogen op een elektronisch signaleringsbord worden weergegeven.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 2 — Verkeersborden

Artikel 65

1 Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot één of meer rijstroken.

2 De verkeersborden E1, E2 en E3 van bijlage I gelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst.

3 Het parkeren van een voertuig en het plaatsen van een fiets en van een bromfiets is echter toegestaan op de daartoe bestemde weggedeelten.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 2 — Verkeersborden

Artikel 66

1 Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht en een aanduiding van het gebied van de zone is toegevoegd, geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide gebied.

2 Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.

3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, als bord E 10 van bijlage 1 is geplaatst.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 2 — Verkeersborden

Artikel 67

1 Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden:

a. een nadere uitleg van het verkeersbord;

b. ingeval op een onderbord uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag;

c. ingeval op een onderbord het woord "uitgezonderd" in combinatie met symbolen voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag.

2 Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord.

3 Symbolen op onderborden hebben dezelfde betekenis als die welke in bijlage 1 zijn opgenomen.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 3 — Verkeerslichten

Artikel 68

1 Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

a. groen licht: doorgaan;

b. geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

c. rood licht: stop.

2 Indien in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting.

3 Indien een verlichte afbeelding van een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.

4 Bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden.

5 Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan.

6 Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken met verkeer in dezelfde richting, kan de toepassing van een verkeerslicht worden beperkt tot één van deze rijstroken. In dat geval heeft het verkeerslicht slechts betrekking op het verkeer op de aangeduide rijstrook.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 3 — Verkeerslichten

Artikel 69

1 Bij tweekleurige verkeerslichten betekent:

a. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

b. rood licht: stop.

2 Het tweede tot en met zevende lid van artikel 68 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 3 — Verkeerslichten

Artikel 70

1 Bij tram/buslichten betekent:

a. wit licht of wit knipperlicht: doorgaan;

b. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

c. rood licht: stop.

2 Het witte licht en het witte knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen.

3 De tram/buslichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus, die de richting volgen waarop het licht betrekking heeft.

4 De tram/buslichten gelden tevens voor bestuurders van voertuigen, niet zijnde een lijnbus, die een busbaan of een busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 3 — Verkeerslichten

Artikel 71

Bij overweglichten betekent:

a. wit knipperlicht: er nadert geen trein;

b. rood knipperlicht: stop.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 3 — Verkeerslichten

Artikel 72

Bij bruglichten betekent rood licht of rood knipperlicht: stop.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 3 — Verkeerslichten

Artikel 73

Bij rijstrooklichten betekent:

a. groene pijl of maximumsnelheid, aangeduid door bord A3 van bijlage I: de rijstrook mag worden gebruikt;

b. rood kruis: de rijstrook mag niet worden gebruikt. De vluchtstrook mag alleen in noodgevallen worden gebruikt;

c. witte pijl: voorwaarschuwing rood kruis;

d. het woord «BUS»: de rijstrook mag slechts gebruikt worden door bestuurders van een lijnbus en bestuurders van een autobus;

e. het woord «LIJNBUS»: de rijstrook mag slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 3 — Verkeerslichten

Artikel 74

1 Bij voetgangerslichten betekent:

a. groen licht: voetgangers mogen oversteken;

b. groen knipperend licht: voetgangers mogen oversteken; het rode licht verschijnt spoedig;

c. rood licht: voetgangers mogen niet meer beginnen over te steken; reeds overstekende voetgangers moeten zo snel mogelijk doorlopen.

2 Indien het rode licht is vervangen door een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 75, mogen voetgangers oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 3 — Verkeerslichten

Artikel 75

Geel knipperlicht betekent: gevaarlijk punt; voorzichtigheid geboden.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 4 — Verkeerstekens op het wegdek

Artikel 76

1 Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden. Bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen.

2 Het eerste lid is niet van toepassing:

a. indien de streep wordt overschreden om een naast de gevolgde rijstrook gelegen vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken of te verlaten;

b. indien aan de zijde vanwaar men de streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht;

c. op bestuurders die een fietsstrook mogen gebruiken, indien er tussen die fietsstrook en de ernaast gelegen rijstrook een doorgetrokken streep is aangebracht.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 4 — Verkeerstekens op het wegdek

Artikel 77

1 Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken.

2 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders een spitsstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert.

3 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders rechtmatig een busbaan of busstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 4 — Verkeerstekens op het wegdek

Artikel 78

1 Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook.

2 Bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten en daartoe een uitrijstrook volgen, zijn ter hoogte van de daarin aangebrachte pijlen verplicht om de richting te volgen die de uitrijstrook waarop zij zich bevinden, aangeeft.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 4 — Verkeerstekens op het wegdek

Artikel 79

Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 4 — Verkeerstekens op het wegdek

Artikel 80

Haaientanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.

Hoofdstuk III — Verkeerstekens › § 4 — Verkeerstekens op het wegdek

Artikel 81

Busbanen en busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram. Busbanen en busstroken waarop het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus of een tram.

Hoofdstuk IV — Aanwijzingen › § 1 — Verplichtingen weggebruikers

Artikel 82

1 Weggebruikers zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die mondeling of door middel van gebaren worden gegeven door:

a. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren,

b. de militairen van de Koninklijke Marechaussee voor zover niet behorend tot de in onderdeel a bedoelde ambtenaren,

c. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersregelaars, en

d. de personen die optreden tijdens de praktijklessen of het praktijkexamen in het kader van een opleiding tot verkeersregelaar of een cursus voor verkeersregelaars, voor de duur van deze praktijklessen of dit praktijkexamen en voor zover gebruik wordt gemaakt van de bij ministeriële regeling voor verkeersregelaars voorgeschreven kleding.

2 Bij het geven van aanwijzingen door middel van gebaren worden, voor zover mogelijk, de in bijlage II vastgestelde aanwijzingen gegeven.

3 Bestuurders zijn tevens verplicht de in bijlage II, onderdeel 8, vastgestelde aanwijzing om te stoppen op te volgen die wordt gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersbrigadiers.

4 Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen door een begeleider van een railvoertuig een stopteken volgens model F10 van bijlage 1, een rode vlag of een rode lamp wordt getoond.

Hoofdstuk IV — Aanwijzingen › § 1 — Verplichtingen weggebruikers

Artikel 82a

Weggebruikers zijn voorts verplicht de aanwijzingen op te volgen die worden gegeven door middel van de verlichte transparanten op personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen in gebruik bij de in artikel 41a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 4°, genoemde diensten en op bedrijfsauto’s van transportbegeleiders.

Hoofdstuk IV — Aanwijzingen › § 1 — Verplichtingen weggebruikers

Artikel 83

Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen een stopteken wordt getoond dat bestaat uit een rode lamp dan wel uit een aan een voertuig van de politie of van weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat aangebracht verlicht transparant, waarin de woorden "stop" of "stop politie" in rode letters tegen donkere achtergrond worden verlicht.

Hoofdstuk IV — Aanwijzingen › § 2 — Rangorde aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels

Artikel 84

Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.

Hoofdstuk V — Bijzondere bepalingen ten behoeve van gehandicapten › § 1 — Uitzonderingen voor gehandicapten

Artikel 85

1 Op bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, 46 en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.

2 Op bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.

3 Het eerste en tweede lid zijn uitsluitend van toepassing, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte.

4 In de gevallen, waarin niet langer dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen.

Hoofdstuk V — Bijzondere bepalingen ten behoeve van gehandicapten › § 2 — Buiten Nederland afgegeven gehandicaptenparkeerkaarten

Artikel 86

Met een gehandicaptenparkeerkaart worden gelijkgesteld de door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven parkeerkaarten voor gehandicapten, voor zover deze bij ministeriële regeling zijn aangewezen.

Hoofdstuk VA — Tijdelijke verlaging maximumsnelheid in geval van verstoring olie-aanvoer

Artikel 86a

1 In geval van een ernstige verstoring van de olieaanvoer kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat op autosnelwegen en op autowegen, in afwijking van artikel 21, aanhef en onderdeel a, voor motorvoertuigen een maximumsnelheid geldt van 90 kilometer per uur.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op vrachtauto’s, motorvoertuigen met aanhangwagen of autobussen, niet zijnde T100-bussen.

3 Onze Minister stelt de regeling, als bedoeld in het eerste lid, vast in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Economische Zaken.

4 De regeling, als bedoeld in het eerste lid, vervalt uiterlijk met ingang van de eerste dag van de vijfde kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding.

Hoofdstuk VA — Tijdelijke verlaging maximumsnelheid in geval van verstoring olie-aanvoer

Artikel 86b

Het is de bestuurders van de in artikel 86a, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen verboden de ingevolge artikel 86a bepaalde maximumsnelheid te overschrijden.

Hoofdstuk VB — Milieuzones en nul-emissiezones

Artikel 86c

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en bijlage 1 wordt verstaan onder:

bedrijfsauto: bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg;

emissieklasse: klasse van uitstoot van broeikasgassen, verontreinigende gassen en deeltjes door een voertuig als bedoeld in de bijlage van het Kentekenreglement;

kermis- en circusvrachtauto: vrachtauto die feitelijk gebruikt wordt als kermis- en circusvoertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen en in het kentekenregister aangeduid als kermis- en circusvoertuig;

emissieloos voertuig: voertuig zonder uitlaatemissie van broeikasgassen, verontreinigende gassen en deeltjes (emissieklasse Z);

opleggertrekker: opleggertrekker als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen met de voertuigclassificatie N2 of N3;

verhuisauto: vrachtauto die gebruikt wordt door een verhuisonderneming en bestemd voor het vervoeren van inboedels;

voor rolstoelen toegankelijke personen- of bedrijfsauto: personen- of bedrijfsauto die in het kentekenregister is voorzien van de aanduiding voor speciale doeleinden voor rolstoelen toegankelijk voertuig (code SH) of van de bijzonderheidscodes 70, 145, 146, 147 of 149;

vrachtauto voor exceptioneel transport: vrachtauto voor exceptioneel transport als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Besluit ontheffingverlening exceptioneel vervoer.

Hoofdstuk VB — Milieuzones en nul-emissiezones

Artikel 86d

1 De geslotenverklaring krachtens verkeersbord C22e van bijlage 1 vanwege een milieuzone is van toepassing op personenauto’s, bedrijfsauto’s, vrachtauto’s of autobussen met een dieselmotor.

2 Onder verkeersbord C22e worden de in bijlage 1 opgenomen onderborden C22e4, C22e5, C22e6, C22e7, C22e8, C22e9 of C22e10 geplaatst.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. kampeerwagens, voor zover het betreft een geslotenverklaring vanwege een milieuzone waarin de houder van het kenteken van het betreffende voertuig woonachtig is;

b. voertuigen met een datum van eerste toelating van veertig jaar of ouder;

c. voor rolstoelen toegankelijke personen- of bedrijfsauto’s;

d. vrachtauto’s, met de in het kentekenregister vastgelegde carrosseriecode 15, 16, 19, 23, 26, 27, 31 of de aanduiding voor speciale doeleinden SB en SF, en met een datum van eerste toelating van twaalf jaar of jonger.

4 Een ontheffing als bedoeld in artikel 87, voor zover het betreft het verkeersteken C22e, wordt door het bevoegd gezag in ieder geval verleend voor de volgende voertuigen en is geldig voor het gehele land:

a. voertuigen van gehandicapten, welke zijn aangepast voor € 500 of meer;

b. kermis- en circusvrachtauto’s, vrachtauto’s voor exceptioneel transport, verhuisauto’s en vrachtauto’s met een laadkraan met een hefvermogen van 35 tonmeter of meer, en met een datum van eerste toelating van twaalf jaar of jonger.

Hoofdstuk VB — Milieuzones en nul-emissiezones

Artikel 86e

1 De geslotenverklaring krachtens verkeersbord C22e van bijlage 1 vanwege een nul-emissiezone is van toepassing op bedrijfsauto’s en vrachtauto’s, met uitzondering van emissieloze voertuigen.

2 Onder verkeersbord C22e wordt het in bijlage 1 opgenomen onderbord C22e1 geplaatst.

3 Tot en met 31 december 2026 is het eerste lid niet van toepassing op bedrijfsauto’s met emissieklasse 5.

4 Tot en met 31 december 2027 is het eerste lid niet van toepassing op bedrijfsauto’s met minimaal emissieklasse 6.

5 Tot en met 31 december 2029 is het eerste lid niet van toepassing op:

a. de voertuigen, bedoeld in artikel 86d, derde lid, onderdelen b tot en met d;

b. opleggertrekkers met emissieklasse 6 met een datum van eerste toelating vanaf 1 januari 2017;

c. vrachtauto’s met emissieklasse 6 voor zover die niet onder onderdeel b vallen en met een datum van eerste toelating vanaf 1 januari 2020.

6 Een ontheffing als bedoeld in artikel 87, voor zover het betreft het verkeersteken C22c, wordt door het bevoegd gezag in ieder geval verleend voor de volgende voertuigen:

a. voertuigen van gehandicapten, welke zijn aangepast voor € 500 of meer;

b. kermis- en circusvrachtauto’s, vrachtauto’s voor exceptioneel transport, verhuisauto’s en vrachtauto’s met een laadkraan met een hefvermogen van 35 tonmeter of meer, en met een datum van eerste toelating van twaalf jaar of jonger.

7 Het derde, vierde en vijfde lid, onderdelen b en c, zijn niet van toepassing op bedrijfs- en vrachtauto’s die na 31 december 2024 op kenteken zijn gezet.

Hoofdstuk VI — Ontheffingen en vrijstellingen › § 1 — Algemeen

Artikel 87

Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen 3, eerste lid, 4, artikel 5, eerste, tweede en achtste lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 8, 10, 23, eerste lid, 24, 25, 26, 42, 43, 46, 53, 61b, alsmede artikel 62 voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, C22e, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 73, 76, 77, 78 en 81.

Hoofdstuk VI — Ontheffingen en vrijstellingen › § 2 — Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

Artikel 88

1 Indien op grond van medische noodzaak toepassing wordt gevraagd van artikel 149, tweede lid, van de wet voor wat betreft ontheffing van de verplichting tot gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen, kan een schriftelijke verklaring van een arts worden verlangd.

2 De ontheffing vermeldt een geldigheidsduur van maximaal twintig jaar.

3 Op de ontheffing wordt het symbool zoals aangeduid in artikel 5 van de richtlijn nr 91/671/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton (PbEG L 373) aangebracht.

4 Een wijziging van de richtlijn nr 91/671/EEG gaat voor de toepassing van het derde lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

5 De aan de behandeling van de aanvraag van een ontheffing van het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen verbonden kosten worden ten laste van de aanvrager gebracht.

Hoofdstuk VI — Ontheffingen en vrijstellingen › § 3

Artikel 89

Vervallen

Hoofdstuk VI — Ontheffingen en vrijstellingen › § 4

Artikel 90

Vervallen

Hoofdstuk VI — Ontheffingen en vrijstellingen › § 5 — Voorrangsvoertuigen

Artikel 91

Bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.

Hoofdstuk VII — Strafbepalingen

Artikel 92

1 Overtreding van de artikelen 3 tot en met 12, 14 tot en met 27, 30, eerste lid, 31 tot en met 43, 45, 46, 49 tot en met 61b, 62, met uitzondering van verkeersbord C22 van bijlage 1, 68, zesde lid, 74, tweede lid, 82, 82a, 83 en 86b is een strafbaar feit.

2 Bij de veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.

Hoofdstuk VIII — Overgangsbepalingen

Artikel 93

Vervallen

Hoofdstuk VIII — Overgangsbepalingen

Artikel 94

Vervallen

Hoofdstuk VIII — Overgangsbepalingen

Artikel 95

Vervallen

Hoofdstuk VIII — Overgangsbepalingen

Artikel 96

1 De in de rechterkolom genoemde borden volgens het model van bijlage 2, behorende bij het met ingang van 1 november 1991 ingetrokken Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Stb. 1966, 181), blijven van kracht. Zij hebben de betekenis die is toegekend aan de overeenkomstige in de linker kolom genoemde borden opgenomen in bijlage 1 van het RVV 1990.

2 In afwijking van het eerste lid behouden de in de rechter kolom genoemde borden 46 en 47 de betekenis die daaraan is toegekend in het in het eerste lid, eerste volzin, genoemde reglement. Zij blijven van kracht tot 1 januari 2009.

Bijlage I RVV 1990 | Bijlage II RVV 1966

A1 | 1

A2 | 2

A4 | 1a (eerste model)

A5 | 2a (eerste model)

B1 | 6

B2 | 7

B3 | 8

B4 | 8 (uitgevoerd conform onderschrift)

B5 | 8 (uitgevoerd conform onderschrift)

B7 | 10

C3 | 13

C4 | 14

C6 | 17

C7 | 17a

C8 | 17b

C10 | 18

C11 | 19

C12 | 20

C13 | 21

C14 | 22

C15 | 23

C16 | 27

C17 | 32

C18 | 33

C19 | 34

C20 | 35

C21 | 36

C22 | 98a

D1 | 15

D2 | 16

D3 | 63

D4 tot en met D6 | 46 en 47

E3 | 52

E4 | 99

E5 | 54a

E6 | 54b en 54c

E7 | 54d

E8 | 99 (met onderbord waarop de betrokken categorie is aangegeven)

E9 | 99a

E10 | 53

E11 | 54

F1 | 40

F2 | 41

F3 | 42

F4 | 43

F5 | 44

F6 | 45

F7 | 48

F8 | 55

G1 | 57a

G2 | 58a

G3 | 57b

G4 | 58b

G5 | 57c

G6 | 58c

G7 | 61

G11 | 59

G13 | 60

H1 | 3 en 4

H2 | 5

J2 | 66

J3 | 67

J4 | 69

J5 | 68

J1 | 73

J15 | 79

J16 | 80

J20 | 82

J21 | 83

J22 | 84

J23 | 84

J24 | 87

J25 | 85

J26 | 86

J27 | 88

J28 | 89

J29 | 91

J31 | 93

J33 | 94a

J34 | 94b

J35 | 94c

J37 | 90

K14 | 98

L2 | 96

L3 | 102

L4 | 100

L8 | 101, onderdeel a

L9 | 101, onderdeel b

Hoofdstuk VIII — Overgangsbepalingen

Artikel 96a

Verkeersborden die zijn geplaatst voor de inwerkingtreding van Besluit van 20 oktober 2022 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer in verband met diverse aanpassingen (onderhoudswijziging Reglement verkeersregels verkeerstekens 1990) (Stb.2022,413), die niet voldoen aan dit Reglement, voldoen aan het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze wijziging.

Hoofdstuk VIII — Overgangsbepalingen

Artikel 96b

Vervallen

Hoofdstuk VIII — Overgangsbepalingen

Artikel 97

Bewegwijzeringsborden, geplaatst voor 1 november 1991, blijven van kracht totdat zij door in bijlage I vastgestelde borden zijn vervangen.

Hoofdstuk VIII — Overgangsbepalingen

Artikel 98

Vervallen

Hoofdstuk VIII — Overgangsbepalingen

Artikel 99

Vervallen

Hoofdstuk IX — Wijziging van het wegenverkeersreglement

Artikel 100

Vervallen

Hoofdstuk X — Wijziging van de bijlage, behorende bij het Wegenverkeersreglement

Artikel 101

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 102

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 103

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 104

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 105

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 106

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 107

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 108

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 109

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 110

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 111

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 112

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 113

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 114

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 115

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 116

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 117

Vervallen

Hoofdstuk XI — Wijziging van andere Besluiten

Artikel 118

Vervallen

Hoofdstuk XII — Intrekking RVV 1966

Artikel 119

Vervallen

Hoofdstuk XIII — Inwerkingtreding

Artikel 120

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Hoofdstuk XIV — Citeertitel

Artikel 121

Dit besluit kan worden aangehaald als "Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" of als "RVV 1990".

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk A — Snelheid

Hoofdstuk A — Snelheid

Bord | Omschrijving | A1

Maximumsnelheid

Bord | Omschrijving | A2

Einde maximumsnelheid

Bord | Omschrijving | A3

Maximumsnelheid op een electronisch signaleringsbord

Bord | Omschrijving | A4

Adviessnelheid

Bord | Omschrijving | A5

Einde adviessnelheid

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk B — Voorrang

Hoofdstuk B — Voorrang

Bord | Omschrijving | B1

Voorrangsweg

Bord | Omschrijving | B2

Einde voorrangsweg

Bord | Omschrijving | B3

Voorrangskruispunt

Bord | Omschrijving | B4

Voorrangskruispunt Zijweg links

Bord | Omschrijving | B5

Voorrangskruispunt Zijweg rechts

Bord | Omschrijving | B6

Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg

Bord | Omschrijving | B7

Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk C — Geslotenverklaring

Hoofdstuk C — Geslotenverklaring

Bord | Omschrijving | C1

Gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee

Bord | Omschrijving | C2

Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee

Bord | Omschrijving | C3

Eenrichtingsweg

Bord | Omschrijving | C4

Eenrichtingsweg

Bord | Omschrijving | C5

Inrijden toegestaan

Bord | Omschrijving | C6

Gesloten voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen

Bord | Omschrijving | C7

Gesloten voor vrachtauto's

Bord | Omschrijving | C7a

Gesloten voor autobussen

Bord | Omschrijving | C7b

Gesloten voor autobussen en vrachtauto’s

Bord | Omschrijving | C8

Gesloten voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines

Bord | Omschrijving | C9

Gesloten voor ruiters, vee, wagens, landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines, brommobielen, fietsen, snorfietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen

Bord | Omschrijving | C10

Gesloten voor motorvoertuigen met aanhangwagen

Bord | Omschrijving | C11

Gesloten voor motorfietsen

Bord | Omschrijving | C12

Gesloten voor alle motorvoertuigen

Bord | Omschrijving | C13

Gesloten voor bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen, met in werking zijnde motor

Bord | Omschrijving | C14

Gesloten voor fietsen en voor gehandicaptenvoertuigen zonder motor

Bord | Omschrijving | C15

Gesloten voor fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen

Bord | Omschrijving | C16

Gesloten voor voetgangers

Bord | Omschrijving | C17

Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan op het bord is aangegeven

Bord | Omschrijving | C18

Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven

Bord | Omschrijving | C19

Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord is aangegeven

Bord | Omschrijving | C20

Gesloten voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord is aangegeven

Bord | Omschrijving | C21

Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen, waarvan de totaalmassa of de som van de aslasten hoger is dan op het bord is aangegeven

Bord | Omschrijving | C22

Gesloten voor voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen

Bord | Omschrijving | C22e

Gesloten voor personenauto’s, bedrijfsauto’s, vrachtauto’s of autobussen vanwege emissie-eisen (milieuzone of nul-emissiezone)

Bord | Omschrijving | C22e1

Onderbord bij C22e: nul-emissiezone voor bedrijfsauto’s en vrachtauto’s, toegankelijk voor emissieloze voertuigen

Bord | Omschrijving | C22e4

Onderbord bij C22e: milieuzone voor dieselpersonenauto’s, toegankelijk voor emissieklasse 4 tot en met 6

Bord | Omschrijving | C22e5

Onderbord bij C22e: milieuzone voor dieselpersonenauto’s, toegankelijk voor emissieklasse 5 en 6

Bord | Omschrijving | C22e6

Onderbord bij C22e: milieuzone voor dieselpersonenauto’s en bedrijfsauto’s, toegankelijk voor emissieklasse 4 tot en met 6

Bord | Omschrijving | C22e7

Onderbord bij C22e: milieuzone voor dieselpersonenauto’s en bedrijfsauto’s, toegankelijk voor emissieklasse 5 en 6

Bord | Omschrijving | C22e8

Onderbord bij C22e: milieuzone voor vrachtauto’s, toegankelijk voor vrachtauto’s emissieklasse 6

Bord | Omschrijving | C22e9

Onderbord bij C22e: milieuzone voor autobussen, toegankelijk voor autobussen emissieklasse 6

Bord | Omschrijving | C22e10

Onderbord bij C22e: milieuzone voor vrachtauto’s en autobussen, toegankelijk voor vrachtauto’s en autobussen emissieklasse 6

Bord | Omschrijving | C22f

Einde geslotenverklaring vanwege emissie-eisen (milieuzone of nul-emissiezone)

Bord | Omschrijving | C23-01

Spitsstrook open

Bord | Omschrijving | C23-02

Spitsstrook vrijmaken

Bord | Omschrijving | C23-03

Einde spitsstrook

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk D — Rijrichting

Hoofdstuk D — Rijrichting

Bord | Omschrijving | D1

Rotonde; verplichte rijrichting

Bord | Omschrijving | D2

Gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft

Bord | Omschrijving | D3

Bord mag aan beide zijden worden voorbijgegaan

Bord | Omschrijving | D4

Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven

Bord | Omschrijving | D5

Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven

Bord | Omschrijving | D6

Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven

Bord | Omschrijving | D7

Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk E — Parkeren en stilstaan

Hoofdstuk E — Parkeren en stilstaan

Bord | Omschrijving | E1

Parkeerverbod

Bord | Omschrijving | E2

Verbod stil te staan

Bord | Omschrijving | E3

Verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen

Bord | Omschrijving | E4

Parkeergelegenheid

Bord | Omschrijving | E5

Taxistandplaats

Bord | Omschrijving | E6

Gehandicaptenparkeerplaats

Bord | Omschrijving | E7

Gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen

Bord | Omschrijving | E8

Parkeergelegenheid alleen bestemd voor de voertuigcategorie of groep voertuigen die op het bord is aangegeven

Bord | Omschrijving | E8a

Parkeergelegenheid alleen bestemd voor kampeerwagens

Bord | Omschrijving | E8b

Parkeergelegenheid voor het parkeren met twee wielen op het trottoir

Bord | Omschrijving | E8c

Parkeergelegenheid alleen bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen

Bord | Omschrijving | E9

Parkeergelegenheid alleen bestemd voor vergunninghouders

Bord | Omschrijving | E10

Parkeerschijf-zone met verplicht gebruik van parkeerschijf, tevens parkeerverbod indien er langer wordt geparkeerd dan de parkeerduur die op het bord is aangegeven

Bord | Omschrijving | E11

Einde parkeerschijf-zone met verplicht gebruik van parkeerschijf

Bord | Omschrijving | E12

Parkeergelegenheid ten behoeve van overstappers op het openbaar vervoer

Bord | Omschrijving | E13

Parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk F — Overige geboden en verboden

Hoofdstuk F — Overige geboden en verboden

Bord | Omschrijving | F1

Verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen

Bord | Omschrijving | F2

Einde verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen

Bord | Omschrijving | F3

Verbod voor vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen

Bord | Omschrijving | F4

Einde verbod voor vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen

Bord | Omschrijving | F5

Verbod voor bestuurders door te gaan bij nadering van verkeer uit tegengestelde richting

Bord | Omschrijving | F6

Bestuurders uit tegengestelde richting moeten verkeer dat van deze richting nadert voor laten gaan

Bord | Omschrijving | F7

Keerverbod

Bord | Omschrijving | F8

Einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden

Bord | Omschrijving | F9

Einde van alle op een elektronisch signaleringsbord aangegeven verboden

Bord | Omschrijving | F10

Stop. In het bord kan worden aangegeven door wie of waarom het bord wordt toegepast

Bord | Omschrijving | F11

Verplicht gebruik passeerbaan of passeerstrook (rijbaan of -strook om ingehaald te kunnen worden), uitsluitend bestemd voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines

Bord | Omschrijving | F12

Einde verplicht gebruik passeerbaan of passeerstrook (rijbaan of -strook om ingehaald te kunnen worden), uitsluitend bestemd voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines

Bord | Omschrijving | F13

Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van lijnbussen

Bord | Omschrijving | F14

Einde busbaan of -strook

Bord | Omschrijving | F15

Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van trams

Bord | Omschrijving | F16

Einde trambaan of -strook

Bord | Omschrijving | F17

Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van lijnbussen en trams

Bord | Omschrijving | F18

Einde bus- en trambaan of -strook

Bord | Omschrijving | F19

Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van vrachtauto’s en lijnbussen

Bord | Omschrijving | F20

Einde rijbaan of -strook voor vrachtauto’s en lijnbussen

Bord | Omschrijving | F21

Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van vrachtauto’s

Bord | Omschrijving | F22

Einde rijbaan of -strook voor vrachtauto’s

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk G — Verkeersregels

Hoofdstuk G — Verkeersregels

Bord | Omschrijving | G1

Autosnelweg

Bord | Omschrijving | G2

Einde Autosnelweg

Bord | Omschrijving | G3

Autoweg

Bord | Omschrijving | G4

Einde autoweg

Bord | Omschrijving | G5

Erf

Bord | Omschrijving | G6

Einde erf

Bord | Omschrijving | G7

Voetpad

Bord | Omschrijving | G8

Einde voetpad

Bord | Omschrijving | G9

Ruiterpad

Bord | Omschrijving | G10

Einde ruiterpad

Bord | Omschrijving | G11

Verplicht fietspad

Bord | Omschrijving | G12

Einde verplicht fietspad

Bord | Omschrijving | G12a

Fiets/bromfietspad

Bord | Omschrijving | G12b

Einde fiets/bromfietspad

Bord | Omschrijving | G13

Onverplicht fietspad

Bord | Omschrijving | G14

Einde onverplicht fietspad

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk H — Bebouwde kom

Hoofdstuk H — Bebouwde kom

Bord | Omschrijving | H1

Bebouwde kom

Bord | Omschrijving | H2

Einde bebouwde kom

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk J — Waarschuwing

Hoofdstuk J — Waarschuwing

Bord | Omschrijving | J1

Slecht wegdek

Bord | Omschrijving | J2

Bocht naar rechts

Bord | Omschrijving | J3

Bocht naar links

Bord | Omschrijving | J4

S-bocht(en), eerst naar rechts

Bord | Omschrijving | J5

S-bocht(en), eerst naar links

Bord | Omschrijving | J6

Steile helling

Bord | Omschrijving | J7

Gevaarlijke daling

Bord | Omschrijving | J8

Gevaarlijk kruispunt

Bord | Omschrijving | J9

Rotonde

Bord | Omschrijving | J10

Overweg met slagbomen

Bord | Omschrijving | J11

Overweg zonder slagbomen

Bord | Omschrijving | J12

Overweg met enkel spoor

Bord | Omschrijving | J13

Overweg met twee of meer sporen

Bord | Omschrijving | J14

Tram(kruising)

Bord | Omschrijving | J15

Beweegbare brug

Bord | Omschrijving | J16

Werk in uitvoering

Bord | Omschrijving | J17

Rijbaanversmalling

Bord | Omschrijving | J18

Rijbaanversmalling rechts

Bord | Omschrijving | J19

Rijbaanversmalling links

Bord | Omschrijving | J20

Slipgevaar

Bord | Omschrijving | J21

Kinderen

Bord | Omschrijving | J22

Voetgangersoversteekplaats

Bord | Omschrijving | J23

Voetgangers

Bord | Omschrijving | J24

Fietsers en bromfietsers

Bord | Omschrijving | J25

Losliggende stenen

Bord | Omschrijving | J26

Kade of rivieroever

Bord | Omschrijving | J27

Groot wild

Bord | Omschrijving | J28

Vee

Bord | Omschrijving | J29

Tegenliggers

Bord | Omschrijving | J30

Laagvliegende vliegtuigen

Bord | Omschrijving | J31

Zijwind

Bord | Omschrijving | J32

Verkeerslichten

Bord | Omschrijving | J33

File

Bord | Omschrijving | J34

Ongeval

Bord | Omschrijving | J35

Slecht zicht door sneeuw, regen of mist

Bord | Omschrijving | J36

IJzel of sneeuw

Bord | Omschrijving | J37

Gevaar (de aard van het gevaar is aangegeven op het onderbord

Bord | Omschrijving | J38

Verkeersdrempel

Bord | Omschrijving | J39

Waarschuwing voor elektrische in- en uitschuifbare paal in de rijbaan (poller) waarmee toegankelijkheid van straten en gebieden kan worden geregeld.

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk K — Bewegwijzering

Hoofdstuk K — Bewegwijzering

Bord | Omschrijving | K1

Lage beslissingwegwijzer langs autosnelweg voor de doorgaande richting, met interlokale doelen en routenummer autosnelweg

Bord | Omschrijving | K2

Voorwegwijzer langs autosnelweg voor de afgaande richting, met afstandaanduiding, afritnummer, interlokale doelen (bovenste doel = afritnaam), verwijzing naar vliegveld/luchthaven en routenummer niet-autosnelweg

Bord | Omschrijving | K3

Beslissingswegwijzer langs autosnelweg voor de afgaande richting naar een verzorgingsplaats, met de naam van de parkeerplaats en symbolen die de aard van de voorzieningen aangeven

Bord | Omschrijving | K4

Hoge beslissingswegwijzer langs autosnelweg met rijstrookpaneel voor de doorgaande richting en aftakkingspaneel voor de afgaande richting, met interlokale doelen, routenummers autosnelwegen en Europese hoofdroutes

Bord | Omschrijving | K5

Voorwegwijzer langs niet-autosnelweg, met interlokale doelen, routenummers, viaductsymbool en aanduiding industrieterrein

Bord | Omschrijving | K6

Beslissingswegwijzer langs niet-autosnelweg met interlokale doelen en routenummer niet-autosnelweg

Bord | Omschrijving | K7

Wegwijzer voor fietsers en bromfietsers (handwijzer), met lokaal doel, interlokaal doel, stedelijk fietsroutenummer (boven), en met interlokale doelen en interlokaal fietsroutenummer (onder)

Bord | Omschrijving | K8

Wegwijzer voor fietsers en bromfietsers (stapelbord), met interlokale doelen en een via een alternatieve route te bereiken doel (cursief)

Bord | Omschrijving | K9

Omleiding. Maatregel op voorwegwijzer langs niet-autosnelweg

Bord | Omschrijving | K10

Voorwegwijzer binnen de bebouwde kom met interlokaal doel, lokaal doel, een dagrecreatiecentrum, objecten en stadsroutenummers

Bord | Omschrijving | K11

Voorsorteren op niet-autosnelweg. Bord met interlokale doelen, routenummers en verwijzing naar autosnelweg

Bord | Omschrijving | K12

Wijkwegwijzer binnen de bebouwde kom, met wijknamen (in verkeersgebieden)

Bord | Omschrijving | K13

Wijkwegwijzer binnen de bebouwde kom, met wijknummers (in verkeersgebieden)

Bord | Omschrijving | K14

Route voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen

Bijlage 1 — Verkeersborden › Hoofdstuk L — Informatie

Hoofdstuk L — Informatie

Bord | Omschrijving | L1

Hoogte onderdoorgang

Bord | Omschrijving | L2

Voetgangersoversteekplaats

Bord | Omschrijving | L3

Bushalte / tramhalte

Bord | Omschrijving | L4

Voorsorteren

Bord | Omschrijving | L5

Einde rijstrook

Bord | Omschrijving | L6

Splitsing

Bord | Omschrijving | L7

Aantal doorgaande rijstroken

Bord | Omschrijving | L8

Doodlopende weg

Bord | Omschrijving | L9

Vooraanduiding doodlopende weg

Bord | Omschrijving | L10

Vooraanduiding verkeersmaatregel voor de aangegeven richting

Bord | Omschrijving | L11

Verkeersbord geldt alleen voor de aangegeven rijstrook/rijstroken

Bord | Omschrijving | L12

Verkeersbord geldt alleen voor de aangegeven rijstrook

Bord | Omschrijving | L13

verkeerstunnel

Bord | Omschrijving | L14

Vluchthaven

Bord | Omschrijving | L15

Vluchthaven voorzien van een noodtelefoon en brandblusapparaat

Bord | Omschrijving | L16

Noodtelefoon

Bord | Omschrijving | L17

Brandblusapparaat

Bord | Omschrijving | L18

Noodtelefoon en brandblusapparaat

Bord | Omschrijving | L19

Dichtstbijzijnde uitgang of twee dichtstbijzijnde uitgangen in de op het bord aangegeven richting en afstand

Bord | Omschrijving | L20

Uitwijkplaats rechts van de weg

Bord | Omschrijving | L21

Uitwijkplaats links van de weg