wetzoeker

Artikel C Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de Rijksoverheid

Toelichting op de aanwijzingen

De aanwijzingen in deze paragraaf hebben betrekking op de technische en organisatorische voorzieningen die de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ook metterdaad mogelijk moeten maken. Aangezien de inhoud van deze aanwijzingen voor deskundigen op het gebied van de organisatie en beveiliging van geautomatiseerde systemen weinig toelichting zal behoeven, kan hier met enkele algemene opmerkingen worden volstaan.

In de eerste plaats zij erop gewezen dat de aanwijzingen een voor alle registraties geldend minimum bevatten. Zij hebben betrekking op kleine, maar ook op omvangrijke registraties en houden rekening met de omstandigheid dat in computercentra verschillende registraties kunnen zijn ondergebracht. Omdat bij de uitwerking per registratie allerlei bijzonderheden een rol kunnen spelen, zijn de aanwijzingen vaak globaal geformuleerd en volstaan zij met het noemen van onderwerpen waarin in elk geval moet worden voorzien.

Dit verhindert uiteraard niet dat in ieder afzonderlijk geval nadere eisen aan de organisatie en de beveiliging kunnen worden gesteld. De te treffen voorzieningen dienen aan de concrete situatie te zijn aangepast. Van belang zijn de aard van de registratie, de gevoeligheid van de opgenomen gegevens en in verband daarmede de belangstelling die derden voor die gegevens kunnen hebben. Zoals in de inleiding van deze toelichting reeds is vermeld, kan bij het overleg over deze punten zo nodig advies worden ingewonnen van de Directie Overheidsorganisatie en -automatisering van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Intussen is het mogelijk dat bepaalde voorzieningen die de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten goede komen, reeds uit anderen hoofde zijn getroffen. Een goede organisatie en beveiliging zijn immers bij geautomatiseerde systemen ook uit een oogpunt van bedrijfszekerheid van belang. In de toelichting op de aanwijzingen 8 en 11 is reeds een en ander gezegd over de verantwoordelijkheid voor een voldoende organisatie en beveiliging. Met betrekking tot iedere afzonderlijke registratie draagt de houder zorg voor de aanwezigheid van de nodige voorzieningen op dit gebied. Bij hem berust immers de zeggenschap over de werking van de registratie ( aanwijzing 1). Deze verantwoordelijkheid geldt zowel voor het geval waarin de technische verwerking van de gegevens binnenshuis plaatsvindt rechtstreeks onder de houder, als voor gevallen waarin de verwerking is uitbesteed aan een computercentrum binnen of buiten de overheid. In het eerste geval kan de houder zijn zeggenschap rechtstreeks aanwenden om voor een voldoende organisatie en beveiliging zorg te dragen. In de andere gevallen zal hij erop moeten toezien dat het computercentrum de nodige voorzieningen heeft getroffen, dan wel bij ontbreken daarvan treft. De verantwoordelijkheid van de houder brengt met zich mee, dat de externe verwerking van gegevens in het uiterste geval wordt beëindigd of elders voortgezet waar de juiste voorzieningen zijn gewaarborgd.

Het spreekt vanzelf na het vorenstaande dat met name computercentra binnen de overheid, die uit verschillende registraties gegevens verwerken en die dus met verschillende houders te maken kunnen krijgen, ervoor dienen te zorgen dat de noodzakelijke voorzieningen ook kunnen worden getroffen. Hoewel de verantwoordelijkheid voor het opvolgen van de aanwijzingen in deze paragraaf bij de houders van registraties is gelegd, is het immers duidelijk dat deze instellingen in beslissende mate bij de uitvoering van de aanwijzingen zijn betrokken.

Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de daadwerkelijke bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet alleen een zaak is van voldoende technische en organisatorische voorzieningen, hoezeer deze ook noodzakelijk zijn. De Staatscommissie-Koopmans heeft er terecht op gewezen (interim-rapport, blz. 18), dat alle betrokkenen zelf doordrongen moeten zijn van het besef dat het privacy-aspect in de opzet en het functioneren van registratiesystemen verdisconteerd behoort te zijn.

Regeling
Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de Rijksoverheid
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-04-1975
BWB-id
BWBR0002958
Versie
1975-04-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl