Wet op de Raad van State
Wet van 9 maart 1962, op de Raad van State
- Soort
- Wet
- Geldend vanaf
- 01-05-2022
- Afkortingen
- RvS, Wet RvS
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Staats- en bestuursrecht
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- BWB-id
- BWBR0002367
- Versie
- 2022-05-01_0
- SHA-256 bron
- 0c6e1836528074ad7ab8c814f1549f17e49f84e6e42f35b9cc869569032cac89
Inhoud (145)
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 7
- Artikel 7a
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 13a
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 16a
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 20
- Artikel 21
- Artikel 21a
- Artikel 22
- Artikel 23
- Artikel 24
- Artikel 25
- Artikel 26
- Artikel 27
- Artikel 27a
- Artikel 27b
- Artikel 27c
- Artikel 27d
- Artikel 27e
- Artikel 28
- Artikel 29
- Artikel 30
- Artikel 30a
- Artikel 30b
- Artikel 31
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 34
- Artikel 35
- Artikel 36
- Artikel 37
- Artikel 38
- Artikel 39
- Artikel 40
- Artikel 41
- Artikel 42
- Artikel 43
- Artikel 44
- Artikel 45
- Artikel 46
- Artikel 47
- Artikel 48
- Artikel 49
- Artikel 50
- Artikel 51
- Artikel 52
- Artikel 53
- Artikel 54
- Artikel 55
- Artikel 56
- Artikel 57
- Artikel 58
- Artikel 59
- Artikel 60
- Artikel 60a
- Artikel 60b
- Artikel 60c
- Artikel 60d
- Artikel 60e
- Artikel 60f
- Artikel 60g
- Artikel 60h
- Artikel 61
- Artikel 62
- Artikel 62a
- Artikel 63
- Artikel 64
- Artikel 65
- Artikel 66
- Artikel 67
- Artikel 68
- Artikel 69
- Artikel 70
- Artikel 71
- Artikel 72
- Artikel 73
- Artikel 74
- Artikel 75
- Artikel 76
- Artikel 77
- Artikel 78
- Artikel 79
- Artikel 80
- Artikel 81
- Artikel 82
- Artikel 83
- Artikel 84
- Artikel 85
- Artikel 86
- Artikel 87
- Artikel 88
- Artikel 89
- Artikel 90
- Artikel 91
- Artikel 92
- Artikel 93
- Artikel 94
- Artikel 95
- Artikel 96
- Artikel 97
- Artikel 98
- Artikel 99
- Artikel 100
- Artikel 101
- Artikel 102
- Artikel 103
- Artikel 104
- Artikel 105
- Artikel 106
- Artikel 107
- Artikel 108
- Artikel 109
- Artikel 110
- Artikel 111
- Artikel 112
- Artikel 113
- Artikel 114
- Artikel 115
- Artikel 116
- Artikel 117
- Artikel 118
- Artikel 119
- Artikel 120
- Artikel 121
- Artikel 122
- Artikel 123
- Artikel 124
- Artikel 125
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 1
1 De Raad van State bestaat, buiten de Koning als voorzitter, uit een vice-president en ten hoogste tien leden.
2 De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van rechtswege zitting in de Raad.
3 Bij koninklijk besluit kan ook andere leden van het koninklijk huis wanneer zij meerderjarig zijn, zitting in de Raad worden verleend.
4 De leden van het koninklijk huis die zitting in de Raad hebben, kunnen aan de beraadslagingen deelnemen, doch onthouden zich van stemmen.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 2
1 De vice-president en de leden worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie voor het leven benoemd. Vacatures worden in de Staatscourant gepubliceerd onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of kandidaten. De Tweede Kamer der Staten-Generaal voert ten minste eenmaal per jaar overleg met de vice-president over de vacatures.
2 Voor de benoeming van de vice-president wordt de Raad gehoord. Voor de benoeming van de leden doet de Raad een aanbeveling. De aanbeveling wordt gedaan gehoord de afdeling of afdelingen van de Raad waarvan het te benoemen lid deel zal uitmaken.
3 De leden worden bij koninklijk besluit benoemd in de Afdeling advisering of de Afdeling bestuursrechtspraak, dan wel in beide afdelingen. Het aantal leden dat in beide afdelingen wordt benoemd, bedraagt ten hoogste 10. De benoeming kan worden gewijzigd, met dien verstande dat een benoeming in de Afdeling bestuursrechtspraak slechts op verzoek van het lid kan worden beëindigd.
4 Een lid kan slechts deelnemen aan de rechtsprekende taak indien:
a. hem op grond van het afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. hij op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten.
5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het vierde lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.
6 In bijzondere gevallen kan van het vierde lid worden afgeweken.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 3
1 De vice-president en de leden worden bij koninklijk besluit ontslagen:
a. op eigen verzoek, en
b. met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin zij de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt.
2 De vice-president en de leden worden voorts door de Raad, bij met redenen omkleed besluit, ontslagen, geschorst, of bij ongeschiktheid wegens ziekte met een andere taak belast, en de leden worden door de vice-president, bij met redenen omkleed besluit, berispt overeenkomstig hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat:
– in plaats van «procureur-generaal» wordt gelezen: vice-president;
– in plaats van «plaatsvervangend procureur-generaal» wordt gelezen: het oudste aanwezige lid, naar rang van benoeming;
– in plaats van «bij een gerecht dan wel binnen het gezagsbereik van Onze Minister» wordt gelezen: binnen de Raad dan wel binnen het gezagsbereik van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
– in plaats van «functionele autoriteit» wordt gelezen: vice-president;
– de Raad de mededeling van een beslissing als bedoeld in artikel 46p, vijfde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, doet aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3 De artikelen 46i, vijfde lid, 46k, vijfde lid, en 46l, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt gelezen:
– in plaats van «de rechterlijke ambtenaar»: de vice-president of het lid;
– in plaats van «op voordracht van Onze Minister»: op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
– in plaats van «de Hoge Raad»: de Raad.
4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot voorzieningen in verband met ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 4
Slechts Nederlanders kunnen worden benoemd tot vice-president of tot lid.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 5
1 Onverenigbaar met het ambt van vice-president of lid zijn:
a. de openbare betrekkingen, aan welke een vaste beloning of toelage is verbonden;
b. het lidmaatschap van publiekrechtelijke colleges, waarvoor de keuze geschiedt bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;
c. het ambt of beroep van advocaat, notaris, accountant, belastingconsulent of zaakwaarnemer;
d. betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun ambt of op de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2 Behoudens indien de onverenigbaarheid ook uit een ander wettelijk voorschrift voortvloeit, kan ten aanzien van een lid op diens verzoek van het eerste lid, onderdeel a, bij koninklijk besluit, de Raad van State gehoord, voor een bepaalde tijd ontheffing worden verleend.
3 Gedurende de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, is het lid ontheven van de waarneming van zijn ambt.
4 De bezoldiging wordt gedurende de periode van de ontheffing van de waarneming van zijn ambt ingehouden.
5 De betrekkingen die de vice-president en de leden buiten hun ambt vervullen worden door de vice-president openbaar gemaakt. De artikelen 44, vijfde tot en met achtste en tiende lid, en 44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 6
1 Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de vice-president en de leden in handen van de Koning de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, aan iemand iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, van niemand enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.
Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, dat ik het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal helpen onderhouden en mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onpartijdigheid zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik»).
2 Deze eed (verklaring en belofte) kan door de leden ook worden afgelegd in een vergadering van de Raad in handen van de vice-president, daartoe door de Koning gemachtigd.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 7
De vice-president wordt bij verhindering of ontstentenis vervangen door het oudste aanwezige lid, naar rang van benoeming.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 7a
De Raad is belast met de taken, bij de artikelen 35 en 38 van de Grondwet aan hem opgedragen.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 2 — Staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst
Artikel 8
1 Er kunnen staatsraden worden benoemd.
2 Zij worden gekozen uit hen, die bekwaamheid of deskundigheid hebben bewezen op het gebied van wetgeving, bestuur of rechtspraak dan wel in aangelegenheden die daaraan raken.
3 De staatsraden worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie voor het leven benoemd. Voor zover zij niet met rechtspraak worden belast, kunnen zij voor een bepaalde tijd van ten minste drie jaren worden benoemd. Vacatures worden in de Staatscourant gepubliceerd onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of kandidaten. De Tweede Kamer der Staten-Generaal voert ten minste eenmaal per jaar overleg met de vice-president over de vacatures. Voor de benoeming doet de Raad een aanbeveling. De aanbeveling wordt gedaan gehoord de afdeling of afdelingen van de Raad waarvan de te benoemen staatsraad deel zal uitmaken.
4 De artikelen 2, derde tot en met vijfde lid, 3, 4, 5, eerste lid, aanhef en onder d, en vijfde lid, en 6 zijn op hen van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 2 — Staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst
Artikel 9
De staatsraden hebben bij de vervulling van hun taak de bevoegdheden van een lid van de Raad.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 2 — Staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst
Artikel 10
1 Er kunnen staatsraden in buitengewone dienst worden benoemd.
2 Een staatsraad in buitengewone dienst neemt slechts deel aan de werkzaamheden van de Raad of van een van zijn afdelingen, voorzover hij daartoe door de vice-president is opgeroepen.
3 De artikelen 2, derde tot en met vijfde lid, 3, 4, 5, eerste lid, aanhef en onder d, en vijfde lid, 6, 8, tweede en derde lid, en 9 zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 3 — De secretaris en de ambtenaren van staat
Artikel 11
1 Aan de Raad worden toegevoegd een secretaris en het nodige aantal ambtenaren van staat.
2 Zij worden bij koninklijk besluit op voordracht van de Raad benoemd en bij koninklijk besluit, de Raad gehoord, ontslagen.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 3 — De secretaris en de ambtenaren van staat
Artikel 12
1 Voor benoeming tot secretaris of ambtenaar van staat komt in aanmerking degene:
a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.
Artikel 5, vierde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van overeenkomstige toepassing.
2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.
3 In bijzondere gevallen kan van het eerste lid worden afgeweken.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 3 — De secretaris en de ambtenaren van staat
Artikel 13
De secretaris en de ambtenaren van staat leggen alvorens hun ambt te aanvaarden in een vergadering van de Raad in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, aan iemand iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, van niemand enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.
Ik zweer (beloof) dat ik al de plichten, aan mijn ambt verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik»).
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 4 — Overige bepalingen
Artikel 13a
1 Ten aanzien van de secretaris en de aan de Raad toegevoegde ambtenaren gelden de voor alle ambtenaren geldende arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
2 Op verzoek van de Raad van State kunnen in de collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, andere arbeidsvoorwaarden voor de secretaris en de aan de Raad toegevoegde ambtenaren worden opgenomen.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 4 — Overige bepalingen
Artikel 14
1 Op voorstel van de vice-president regelt de Raad zijn werkzaamheden alsmede voor zover nodig de overige aangelegenheden welke op het college betrekking hebben en niet uitsluitend de Afdeling advisering of de Afdeling bestuursrechtspraak aangaan.
2 De regeling wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 4 — Overige bepalingen
Artikel 15
1 De Raad beslist bij meerderheid van stemmen.
2 Indien de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter der vergadering.
3 De Raad beslist niet, indien minder dan de helft van het aantal leden aanwezig is, waaruit de Raad, de vice-president inbegrepen, op dat moment bestaat.
Hoofdstuk I — De Raad van State in het algemeen › Afdeling 4 — Overige bepalingen
Artikel 16
De vice-president, de leden, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst nemen geheimhouding in acht, voorzover:
a. de aard van de aangelegenheid daartoe noopt;
b. Onze Minister wie het aangaat dit nodig acht, of
c. de meerderheid van degenen die aan de beraadslaging deelnemen daartoe besluit.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 16a
1 De Raad kent een Afdeling advisering.
2 De Afdeling advisering bestaat uit:
a. de vice-president en
b. de leden, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst die in de Afdeling advisering zijn benoemd.
3 De leden van het koninklijk huis, bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, hebben zitting in de Afdeling advisering. Artikel 1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4 De vice-president is voorzitter van de Afdeling advisering. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 17
1 Wij horen de Afdeling advisering over:
a. de voorstellen van wet door Ons aan de Staten-Generaal te doen;
b. de ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur;
c. de voorstellen tot goedkeuring van een verdrag of van het voornemen tot opzegging van een verdrag.
2 Wij horen de Afdeling advisering voorts in de gevallen waarin een wet dit voorschrijft en over alle aangelegenheden waaromtrent Wij het nodig oordelen.
3 Wij brengen bij de Afdeling advisering ter overweging de ontwerpen van krachtens enige wet te nemen koninklijke besluiten tot vernietiging.
4 De voorstellen, ontwerpen en besluiten vermelden dat de Afdeling advisering van de Raad van State is gehoord.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 18
1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal hoort de Afdeling advisering over de bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakte voorstellen van wet, voordat zij deze in behandeling neemt.
2 In de gevallen waarin de Tweede Kamer der Staten-Generaal zulks nodig oordeelt, hoort zij de Afdeling advisering voorts omtrent de in het eerste lid bedoelde voorstellen, nadat deze in behandeling zijn genomen.
3 Wij horen de Afdeling advisering niet over de bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal door een of meer leden aanhangig gemaakte voorstellen van wet, voordat zij door de Staten-Generaal zijn aangenomen.
4 Het eerste, het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de Staten-Generaal in verenigde vergadering.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 19
Het horen van de Afdeling advisering kan achterwege blijven over:
a. voorstellen van wet tot wijziging van de begroting van het Rijk;
b. voorstellen van wet tot goedkeuring van een verdrag of van het voornemen tot opzegging van een verdrag, indien dit verdrag of dit voornemen eerder ter stilzwijgende goedkeuring aan de Staten-Generaal was voorgelegd.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 20
1 De Afdeling advisering stelt het ontwerp op van een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 136 van de Grondwet.
2 Binnen zes maanden nadat het ontwerp is opgesteld kan Onze Minister wie het aangaat, de Afdeling advisering gemotiveerd verzoeken haar ontwerp in nadere overweging te nemen. Indien het koninklijk besluit afwijkt van het ontwerp of het nader ontwerp wordt het in het Staatsblad geplaatst met het ontwerp, bedoeld in het eerste lid en indien daarvan sprake is, het nader ontwerp. Indien niet binnen zes maanden een verzoek als bedoeld in de eerste volzin is gedaan luidt het koninklijk besluit overeenkomstig het ontwerp.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 21
De Afdeling advisering adviseert Ons voorts indien zij dit nodig acht.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 21a
De Afdeling advisering dient op verzoek Onze Ministers dan wel een van beide kamers der Staten-Generaal van voorlichting in aangelegenheden van wetgeving en bestuur.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 22
In de gevallen, bedoeld in artikel 17, wordt de aangelegenheid hetzij door Ons, op voordracht van Onze Minister wie het aangaat, hetzij door Onze Minister krachtens koninklijke machtiging, ter overweging aanhangig gemaakt.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 23
1 Onze Ministers geven aan de Afdeling advisering de inlichtingen, die in verband met de uitoefening van haar taak vereist worden.
2 Het inwinnen door de Afdeling advisering van inlichtingen bij anderen dan Onze Minister, wie het aangaat, geschiedt door tussenkomst van deze.
3 De vice-president kan personen oproepen om aan de Afdeling advisering voorlichting en advies te geven.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 24
De Afdeling advisering beraadslaagt met Onze Minister, wie het aangaat, indien de Afdeling advisering of de Minister zulks mocht verlangen.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 25
Van de koninklijke besluiten in aangelegenheden, waarover de Afdeling advisering is gehoord, wordt aan deze mededeling gedaan.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 26
Vervallen
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 27
Vervallen
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 27a
1 Bij de voorbereiding van adviezen en ontwerp-besluiten beraadslaagt de Afdeling advisering met gesloten deuren.
2 De Afdeling advisering beslist bij meerderheid van stemmen.
3 Indien de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter der vergadering. Van die omstandigheid wordt in het advies melding gemaakt.
4 De Afdeling advisering beslist niet, indien minder dan de helft van de leden van de Afdeling advisering aanwezig is.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 27b
1 De adviezen zijn met redenen omkleed.
2 Degene die in de vergadering van de Afdeling advisering een van de meerderheid afwijkende mening heeft kenbaar gemaakt, kan een afzonderlijk advies uitbrengen.
3 Dit advies wordt bij het advies van de Afdeling advisering gevoegd.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 27c
1 De voorzitter regelt de werkzaamheden van de Afdeling advisering.
2 De regeling wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 27d
1 Bij de voorbereiding van:
a. een advies omtrent de vernietiging van een besluit, of
b. een ontwerp-besluit omtrent een geschil als bedoeld in artikel 136 van de Grondwet, kan de Afdeling advisering belanghebbenden, getuigen, deskundigen en tolken oproepen om te worden gehoord.
2 Artikel 45 en de artikelen 8:24, 8:25, 8:27 tot en met 8:29, 8:31 tot en met 8:36, eerste lid, 8:39, 8:50 en 8:61 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3 Een door Onze Minister wie het aangaat aangewezen ambtenaar kan bij de beraadslaging aanwezig zijn om inlichtingen te geven.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 27e
De vice-president, de leden, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst nemen geen deel aan de beraadslagingen en stemmen niet mee, indien daardoor hun onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 28
Vervallen
Hoofdstuk II — De Afdeling advisering › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 29
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 30
1 De Raad kent een Afdeling bestuursrechtspraak.
2 De Afdeling bestuursrechtspraak bestaat uit de leden, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst die in de Afdeling bestuursrechtspraak zijn benoemd.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 30a
1 Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt uit de leden van de afdeling bestuursrechtspraak die voldoen aan het vereiste, gesteld in artikel 2, vierde lid, een voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak benoemd. Voor de benoeming doet de Raad een aanbeveling, de afdeling bestuursrechtspraak gehoord.
2 De benoeming geldt voor het leven. Zij kan slechts op verzoek van de voorzitter worden ingetrokken en vervalt in geval van ontslag als lid van de Raad.
3 De voorzitter kan worden vervangen door een ander lid van de Afdeling bestuursrechtspraak dat voldoet aan het vereiste, gesteld in artikel 2, vierde lid.
4 De voorzitter is lid van de Raad van State, zo nodig in afwijking van artikel 1, eerste lid.
5 De voorzitter regelt de werkzaamheden van de Afdeling bestuursrechtspraak.
6 De daartoe door de voorzitter schriftelijk aangewezen ambtenaren verrichten de werkzaamheden die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 30b
1
De Afdeling bestuursrechtspraak is belast met de berechting van de bij de wet aan haar opgedragen geschillen.
2 De Afdeling bestuursrechtspraak neemt kennis van door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 31
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 32
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 33
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 34
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 35
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 36
Vervallen door vernummering.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 37
Vervallen door vernummering.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 38
Vervallen door vernummering.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 39
Vervallen door vernummering.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 40
Vervallen door vernummering.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 1 — Samenstelling en taak
Artikel 41
Vervallen door vernummering.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 42
1 De Afdeling bestuursrechtspraak vormt en bezet op voorstel van de voorzitter enkelvoudige, meervoudige en grote kamers.
2 De meervoudige kamers en grote kamers bestaan uit drie onderscheidenlijk vijf leden, van wie een als voorzitter optreedt.
3 Leden van de Afdeling bestuursrechtspraak die niet voldoen aan het vereiste, gesteld in artikel 2, vierde lid, kunnen:
a. geen zitting hebben in een enkelvoudige kamer en
b. niet de meerderheid vormen van de leden van een meervoudige of grote kamer.
4 Een lid van de Afdeling bestuursrechtspraak dat betrokken is geweest bij de totstandkoming van een advies van de Raad, neemt geen deel aan de behandeling van een geschil over een rechtsvraag waarop dat advies betrekking had.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 43
1 De voorzitter van een meervoudige of grote kamer doet in raadkamer hoofdelijk omvraag. De voorzitter maakt zelf als laatste zijn oordeel kenbaar.
2 Ieder lid is verplicht aan de besluitvorming deel te nemen.
3 Een afwezig lid kan zijn oordeel niet door een van de aanwezige leden doen voordragen of het schriftelijk uitbrengen.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 44
Het is de leden van de Afdeling bestuursrechtspraak en de ten behoeve van deze afdeling werkzame ambtenaren verboden:
a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te maken dan voor de uitoefening van hun functie wordt gevorderd,
b. de gevoelens te openbaren die in raadkamer zijn geuit, en
c. over een voor hen aanhangige zaak of over een zaak die naar zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden, voor hen aanhangig zal worden, op enigerlei bijzondere wijze in contact te treden met partijen, gemachtigden of degene die een partij bijstaat.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 2 — Overige bepalingen
Artikel 45
1 De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten.
2 Klachten kunnen niet een rechterlijke uitspraak betreffen.
3 Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de zinsnede «of een ander» in artikel 9:1, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder bestuursorgaan wordt verstaan: de Afdeling bestuursrechtspraak.
4 De regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 46
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 47
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 48
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 49
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 50
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 51
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 52
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 53
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 54
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 55
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 56
Vervallen
Hoofdstuk III — De Afdeling bestuursrechtspraak › Afdeling 3 — Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Artikel 57
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 58
1 Tegen de vice-president, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst kan noch een rechtsvervolging, noch een rechtsvordering worden ingesteld wegens hetgeen zij tijdens de beraadslaging in de Raad, de Afdeling advisering, de Afdeling bestuursrechtspraak of een kamer van die Afdeling bestuursrechtspraak hebben gezegd, dan wel daaraan schriftelijk hebben overgelegd.
2 Artikel 42 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van overeenkomstige toepassing op de leden van de Afdeling bestuursrechtspraak, met dien verstande dat in plaats van «Onze Minister» steeds wordt gelezen: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 59
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Raad van State.
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 60
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 60a
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 60b
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 60c
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 60d
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 60e
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 60f
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 60g
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 60h
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 61
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 62
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 62a
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 63
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 64
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 65
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 66
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 67
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 68
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 69
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 70
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 71
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 72
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 73
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 74
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 75
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 76
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 77
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 78
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 79
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 80
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 81
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 82
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 83
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 84
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 85
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 86
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 87
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 88
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 89
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 90
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 91
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 92
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 93
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 94
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 95
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 96
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 97
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 98
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 99
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 100
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 101
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 102
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 103
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 104
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 105
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 106
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 107
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 108
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 109
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 110
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 111
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 112
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 113
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 114
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 115
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 116
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 117
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 118
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 119
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 120
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 121
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 122
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 123
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 124
Vervallen
Hoofdstuk IV — Slotbepalingen
Artikel 125
Vervallen