Bijlagen Verdrag van Ljubljana-Den Haag inzake internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven
Bijlage A. Oorlogsmisdrijven
Naast de in artikel 5, vierde lid, onderdeel e, genoemde handelingen is dit Verdrag ook van toepassing op de volgende handelingen ten aanzien van staten die partij zijn die een kennisgeving hebben gedaan uit hoofde van artikel 2, tweede lid:
a. gebruik van gif of giftige wapens;
b. gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;
c. gebruik van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of voorzien is van inkepingen.
Bijlage B. Oorlogsmisdrijven
Naast de in artikel 5, vierde lid, onderdeel b, en artikel 5, vierde lid, onderdeel e, genoemde handelingen is dit Verdrag ook van toepassing op de volgende handelingen ten aanzien van staten die partij zijn die een kennisgeving hebben gedaan uit hoofde van artikel 2, tweede lid: gebruik van wapens die gebruik maken van microbiologische of andere biologische middelen, of gifstoffen, ongeacht hun herkomst of de wijze van productie.
Bijlage C. Oorlogsmisdrijven
Naast de in artikel 5, vierde lid, onderdeel b, en artikel 5, vierde lid, onderdeel e, genoemde handelingen is dit Verdrag ook van toepassing op de volgende handelingen ten aanzien van staten die partij zijn die een kennisgeving hebben gedaan uit hoofde van artikel 2, tweede lid: gebruik van wapens met als voornaamste gevolg het veroorzaken van verwondingen door fragmenten die in het menselijk lichaam niet met röntgenstralen kunnen worden ontdekt.
Bijlage D. Oorlogsmisdrijven
Naast de in artikel 5, vierde lid, onderdeel b, en artikel 5, vierde lid, onderdeel e, genoemde handelingen is dit Verdrag ook van toepassing op de volgende handelingen ten aanzien van staten die partij zijn die een kennisgeving hebben gedaan uit hoofde van artikel 2, tweede lid: gebruik van laserwapens die speciaal zodanig zijn ontworpen dat hun enige gevechtsfunctie of een van hun gevechtsfuncties is het veroorzaken van blijvende blindheid bij onversterkt gezichtsvermogen, dat wil zeggen aan het blote oog of het oog met een corrigerende bril of lens.
Bijlage E. Oorlogsmisdrijven
Naast de in artikel 5, vierde lid, onderdeel e, genoemde handelingen is dit Verdrag ook van toepassing op de volgende handeling ten aanzien van staten die partij zijn die een kennisgeving hebben gedaan uit hoofde van artikel 2, tweede lid: Opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogsvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen.
Bijlage F. Foltering
1. Naast de in artikel 5 genoemde misdrijven is dit Verdrag ook van toepassing op het misdrijf foltering ten aanzien van staten die partij zijn die een kennisgeving hebben gedaan uit hoofde van artikel 2, tweede lid
2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „foltering” verstaan iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig leed, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt toegebracht aan een persoon met zulke oogmerken als om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht deze te hebben begaan, of hem of een derde te intimideren of ergens toe te dwingen dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie van welke aard ook, wanneer zulke pijn of zulk leed wordt toegebracht door of op aanstichten van dan wel met de instemming of gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt. Foltering omvat niet pijn of leed slechts voortvloeiend uit, inherent aan of samenhangend met wettige straffen.
Bijlage G. Gedwongen verdwijning
1. Naast de in artikel 5 genoemde misdrijven is dit Verdrag ook van toepassing op het misdrijf gedwongen verdwijning ten aanzien van staten die partij zijn die een kennisgeving hebben gedaan uit hoofde van artikel 2, tweede lid.
2. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent „gedwongen verdwijning” de arrestatie, gevangenhouding, ontvoering of elke andere vorm van vrijheidsontneming door vertegenwoordigers van de staat of door personen of groepen personen die optreden met de machtiging of steun van of bewilliging door de staat, gevolgd door een weigering een dergelijke vrijheidsontneming te erkennen of door verhulling van het feit zelf of van de verblijfplaats van de verdwenen persoon, waardoor deze buiten de bescherming van de wet geplaatst wordt.
Bijlage H. Het misdrijf agressie
1. Naast de in artikel 5 genoemde misdrijven is dit Verdrag ook van toepassing op het misdrijf agressie ten aanzien van staten die partij zijn die een kennisgeving hebben gedaan uit hoofde van artikel 2, tweede lid.
2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder het „misdrijf agressie” het plannen, voorbereiden, in gang zetten of uitvoeren, door een persoon die in de positie verkeert daadwerkelijk controle uit te oefenen over of leiding te geven aan het politieke of militaire optreden van een staat, van een daad van agressie die door zijn aard, ernst en schaal een onmiskenbare schending vormt van het Handvest van de Verenigde Naties.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder „daad van agressie” het gebruik van wapengeweld door een staat tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere staat, of op enige andere wijze die onverenigbaar is met het Handvest van de Verenigde Naties. Elk van de volgende handelingen wordt, ongeacht of er een oorlogsverklaring is, in overeenstemming met resolutie 3314 (XXIX) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 14 december 1974, als een daad van agressie aangemerkt:
a. de invasie of aanval door de strijdkrachten van een staat van respectievelijk op het grondgebied van een andere staat, of een militaire bezetting, ook als deze van tijdelijke aard is, die het gevolg is van een dergelijke invasie of aanval, of de annexatie door middel van geweld van het grondgebied van een andere staat of deel daarvan;
b. het bombarderen door de strijdkrachten van een staat van het grondgebied van een andere staat of het gebruik van enig wapen door een staat tegen het grondgebied van een andere staat;
c. de blokkade van de havens of kusten van een staat door de strijdkrachten van een andere staat;
d. een aanval door de strijdkrachten van een staat op de land-, zee- of luchtstrijdkrachten of de zee- en luchtvloot van een andere staat;
e. de inzet van strijdkrachten van een staat die met instemming van een andere staat aanwezig zijn op het grondgebied van de ontvangende staat, in strijd met de voorwaarden vervat in de daarop betrekking hebbende overeenkomst of een verlenging van hun aanwezigheid op dit grondgebied na het verstrijken van de overeenkomst;
f. het feit dat een staat toestaat dat zijn grondgebied, dat hij aan een andere staat ter beschikking heeft gesteld, door die andere staat wordt gebruikt om een daad van agressie te plegen tegen een derde staat;
g. het sturen door of namens een staat van gewapende bendes, groepen, ongeordende troepen of huurlingen, die met wapengeweld gepaard gaande handelingen plegen tegen een andere staat die zo ernstig zijn dat zij gelijkstaan met de hierboven genoemde handelingen, of die daar in aanzienlijke mate bij betrokken zijn.
- Regeling
- Verdrag van Ljubljana-Den Haag inzake internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 15-02-2024
- BWB-id
- BWBV0007040
- Versie
- 2024-02-15_0