wetzoeker

Artikel 61 Verdrag van Ljubljana-Den Haag inzake internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven

UITLEVERING

1 In geval van inwilliging van het verzoek plegen de verzoekende staat die partij is en de aangezochte staat die partij is overleg en spreken de plaats en datum van overdracht af. De verzoekende staat wordt geïnformeerd over de duur die de opgeëiste persoon in hechtenis heeft doorgebracht met het oog op de overdracht.

2 Onverminderd het derde lid kan de opgeëiste persoon, indien hij of zij niet op de genoemde datum is overgenomen, worden vrijgelaten na het verstrijken van 30 dagen en wordt hij of zij in ieder geval vrijgelaten na het verstrijken van 45 dagen, tenzij anders gespecificeerd door de aangezochte staat die partij is. De aangezochte staat die partij is kan weigeren de persoon uit te leveren voor hetzelfde misdrijf.

3 Indien overmacht een staat die partij is verhindert de uit te leveren persoon over te dragen of over te nemen, dan stelt hij de andere staat die partij is daarvan in kennis. De staten die partij zijn plegen overleg en kunnen een nieuwe datum voor overdracht afspreken, en de bepalingen van het tweede lid zijn van toepassing.

Regeling
Verdrag van Ljubljana-Den Haag inzake internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
15-02-2024
BWB-id
BWBV0007040
Versie
2024-02-15_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl