wetzoeker

Art. 6 Tractaat van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland

Indien eenige oorlogschepen of handelsvaartuigen op de kusten van eene der beide Hooge contracterende partijen schipbreuk mogten lijden, zullen zoodanige schepen of vaartuigen of gedeelten van dezelfde, zoo ook alles wat tot de uitrusting en proviandering behoort, mitsgaders alle goederen en koopwaren, welke uit dezelve zullen geborgen worden, of de opbrengst daarvan hij verkoop getrouwelijk worden teruggegeven aan de eigenaars, wanneer dezelve door hen of door hunne behoorlijk gemagtigde cargadoors worden opgevorderd, en bijaldien er op de plaats geene zoodanige eigenaars of cargadoors zich bevinden, dan zullen de gezegde goederen en koopwaren of de opbrengst daarvan, zoo wel als alle de papieren aan boord van zoodanige verongelukte schepen of vaartuigen gevonden, worden ter hand gesteld aan den Nederlandschen of Britschen consul, in wiens district de schipbreuk zal hebben plaats gehad, en zullen zoodanige consul, eigenaars of cargadoors alleenlijk de onkosten betalen, welke gemaakt zijn tot behoud van het goed, benevens het bergloon, dat betaald zoude hebben moeten worden in hetzelfde geval van schipbreuk van een nationaal schip, en de goederen en koopwaren van het wrak geborgen, zullen aan geene betaling van regten onderworpen zijn, ten zij dezelve tot verbruik worden ingeklaard.

Regeling
Tractaat van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
23-05-1891
BWB-id
BWBV0006617
Versie
1891-05-23_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl