Artikel 7 Economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds
DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”
1 Als volledig op het grondgebied van een SADC-EPO-staat of van de EU verkregen worden beschouwd:
a. aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;
b. aldaar geoogste groenten en fruit;
c. aldaar geboren en opgekweekte levende dieren;
d. producten afkomstig van aldaar opgekweekte levende dieren;
e. producten afkomstig van aldaar geboren en opgekweekte geslachte dieren;
f.
i. producten van de aldaar bedreven jacht of visserij;
ii. producten van de aquacultuur wanneer de vis, schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren aldaar zijn geboren of uit eieren, larven of jonge vis zijn opgekweekt;
g. producten van de zeevisserij en andere producten van de zee die buiten de territoriale wateren van de EU of de SADC-EPO-staten door hun schepen uit zee werden gewonnen;
h. producten die, uitsluitend uit de onder g) bedoelde producten, aan boord van hun fabrieksschepen werden vervaardigd;
i. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvlak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;
j. afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte industriële bewerkingen;
k. producten, buiten de territoriale wateren gewonnen uit de zeebodem of -ondergrond, op voorwaarde dat zij het alleenrecht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;
l. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met k) bedoelde producten zijn vervaardigd.
2 De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder g) en h), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:
a. die in een lidstaat van de EU of in een SADC-EPO-staat zijn geregistreerd;
b. die de vlag van een lidstaat van de EU of van een SADC-EPO-staat voeren;
c. die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
i. zij behoren voor ten minste 50% toe aan onderdanen van een lidstaat van de EU of van een SADC-EPO-staat, of
ii. zij behoren toe aan een onderneming die haar hoofdkantoor en haar belangrijkste handelsactiviteit in een lidstaat van de EU of in een SADC-EPO-staat heeft; en die voor ten minste 50% toebehoort aan een lidstaat van de EU of een SADC-EPO-staat of aan overheidsorganen of onderdanen van die staat.
3
a. Niettegenstaande de bepalingen van lid 2 erkent de EU, na kennisgeving door Namibië, dat door onderdanen van Namibië, andere SADC-EPO-staten of de EU in rompbevrachting gegeven of geleasede schepen worden beschouwd als „hun schepen” om in de exclusieve economische zone van Namibië visserijactiviteiten uit te oefenen en dat de vis uit die zone wordt geacht van oorsprong te zijn, op voorwaarde dat, voor de toepassing van dit lid:
i. het in rompbevrachting gegeven of geleasede schip voor de duur van het rompbevrachtings- of leasecontract de vlag voert van Namibië, een lidstaat van de EU of een SADC-EPO-staat;
ii. de totaal toegestane vangsten vastgesteld worden op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke bewijs en advies van de Adviesraad voor de rijkdommen van de zee (Marine Resources Advisory Council);
iii. de houders van visserijrechten onderdanen van Namibië zijn, of in Namibië ingeschreven entiteiten waarvan het economisch eigendom in Namibië ligt, of in Namibië ingeschreven joint ventures waarvan het economisch eigendom in Namibië ligt;
iv. er een werkend systeem bestaat om de Europese Commissie in kennis te stellen van alle vissersvaartuigen en alle vangsten in het kader van lid 3, onder a);
v. de rapportageverplichtingen bij de relevante regionale organisaties voor visserijbeheer nagekomen worden, voor zover de relevante instrumenten van deze organisaties dat vereisen;
vi. alle commerciële visserij gecontroleerd wordt door waarnemers aan boord;
vii. de vangsten aangeland worden in Namibische havens of voor telling en certificering onder toezicht van de douaneautoriteiten geplaatst worden;
viii. de vangsten verwerkt worden in bedrijfsruimten aan land in Namibië of aan boord van Namibische fabrieksschepen, zoals bepaald in lid 2, of aan boord van een in lid 3, onder a), bedoeld fabrieksschip, voor zover het betrokken in rompbevrachting gegeven of geleasede fabrieksschip de desbetreffende visserijactiviteiten uitvoert en de bemanning daarvan voor ten minste 50% uit onderdanen van Namibië bestaat;
ix. de Namibische wateren onder permanent toezicht ter bestrijding van ongeoorloofde visserijactiviteiten blijven;
x. de verplaatsingen van alle vissersvaartuigen via satelliettechnologie (satellietvolgsysteem voor vaartuigen) gecontroleerd worden en de geografische locatie van alle vangsten bekend is;
xi. de uitvoer uit Namibië naar de EU aan de EU-wetgeving inzake illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij voldoet.
b. Om in aanmerking te komen voor de voordelen van lid 3, onder a), dient Namibië twee (2) maanden voor het begin van het visseizoen een verslag in over de toepassing van lid 3, onder a), en stelt het de Europese Commissie in kennis van de schepen waarvoor lid 3 in dat specifieke visseizoen geldt. Indien Namibië twee (2) maanden voor het begin van het visseizoen het volledige verslag over de toepassing van lid 3, onder a), indient en kennisgeeft van bovengenoemde schepen, maakt de Europese Commissie voor het begin van het visseizoen informatie over deze schepen publiek beschikbaar, evenals de datum met ingang waarvan lid 3, onder a), voor deze schepen geldt.
c. Namibië stelt het comité in kennis van elke wijziging in zijn wetgeving inzake visserijactiviteiten en laat daarbij weten of na de wetgevingswijziging aan de voorwaarden voor de toepassing van lid 3, onder a), is voldaan.
d. Lid 3, onder a), is niet van toepassing indien de Europese Commissie niet overeenkomstig lid 3, onder b), in kennis wordt gesteld, noch indien het comité niet overeenkomstig lid 3, onder c), in kennis wordt gesteld.
e. Ingeval het aantal schepen waarvoor lid 3, onder a), geldt, in vergelijking met voorgaande jaren als ongewoon hoog wordt beschouwd, kan de Europese Commissie deze kwestie bij het comité aankaarten met het oog op vaststelling van passende maatregelen om de situatie te verhelpen.
f. Alle partijen kunnen kwesties betreffende de toepassing van lid 3, onder a) tot en met e), bij de Gezamenlijke Raad aankaarten indien geen bevredigend besluit over de toepassing van die bepalingen wordt vastgesteld door het comité. Nadat een kwestie over de toepassing van lid 3, onder a) tot en met e), bij de Gezamenlijke Raad is aangekaart, neemt de Gezamenlijke Raad binnen honderdtachtig (180) dagen daarover een besluit. Indien de Gezamenlijke Raad binnen honderdtachtig (180) dagen geen besluit kan nemen, wordt de in lid 3 voorziene afwijking geschorst totdat overeenstemming is bereikt. Een partij kan ook besluiten de kwestie voor te leggen om te worden behandeld volgens het in deel III van deze overeenkomst bedoelde mechanisme voor geschillenbeslechting van deze overeenkomst, indien in de Gezamenlijke Raad geen bevredigende oplossing wordt gevonden.
- Regeling
- Economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 10-06-2016
- BWB-id
- BWBV0006613
- Versie
- 2016-06-10_0