wetzoeker

Artikel 100 Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Visserijregeling

1 In afwijking van het bepaalde in artikel 2 van Verordening (EEG) No. 2141/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, zijn de Lid-Staten van de Gemeenschap tot en met 31 december 1982 gemachtigd de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt, en binnen een grens van zes zeemijlen, berekend vanaf de laagwaterlijn van de aan de kust gelegen Lid-Staat, ligt, te beperken tot de schepen waarvan de visserij-activiteit van oudsher in dat gedeelte der zee en vanuit de havens in het geografische kustgebied wordt uitgeoefend; de schepen uit andere gebieden van Denemarken mogen echter hun visserij-activiteit in de wateren van Groenland verder uitoefenen, en wel uiterlijk tot en met 31 december 1977.

Indien de Lid-Staten zich op deze afwijking beroepen, mogen zij geen minder beperkende maatregelen betreffende de visserijvoorwaarden in die wateren treffen dan die welke daadwerkelijk van toepassing waren bij de toetreding.

2 Het bepaalde in lid 1 en in artikel 101 laat de bijzondere visrechten waarop elk der oorspronkelijke Lid-Staten en der nieuwe Lid-Staten zich op 31 januari 1971 kon beroepen jegens één of meer andere Lid-Staten onverlet; de Lid-Staten kunnen zich op die rechten beroepen zolang in de betrokken gebieden een afwijkende regeling geldt. Wat evenwel de wateren van Groenland betreft, vervallen de bijzondere rechten op de voor die rechten vastgestelde data.

3 Indien een Lid-Staat zijn visserij grenzen in sommige gebieden op twaalf zeemijlen brengt, worden de binnen het gebied van twaalf mijlen bestaande visserijpraktijken gehandhaafd, zodat er ten opzichte van de op 31 januari 1971 bestaande situatie geen stap terug wordt gedaan.

4 Ten einde het mogelijk te maken dat in de Gemeenschap een bevredigend algemeen evenwicht inzake uitoefening van de visserij tijdens de in lid 1 bedoelde periode tot stand wordt gebracht, behoeven de Lid-Staten geen volledig gebruik te maken van de mogelijkheden die krachtens lid 1, eerste alinea, bestaan ten aanzien van bepaalde gebieden van het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt.

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen die zij daartoe vaststellen; op verslag van de Commissie beziet de Raad de situatie en doet hij, op grond daarvan, zo nodig aanbevelingen aan de Lid-Staten.

Regeling
Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1985
BWB-id
BWBV0006523
Versie
1985-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl