wetzoeker

Bijlage 2 — Kennisgeving van de voorwaarden van de overeenkomst inzake gezamenlijke nakoming van de verplichtingen van de Europese Unie, haar lidstaten en IJsland uit hoofde van artikel 3 van het Protocol van Kyoto voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, zoals aangenomen door de conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering die fungeert als vergadering van de partijen bij het Protocol van Kyoto in Doha, krachtens besluit 1/CMP.8, overeenkomstig artikel 4 van het Protocol van Kyoto Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en IJsland, anderzijds, betreffende de deelname van IJsland aan de gezamenlijke nakoming van de verbintenissen van de Unie, haar lidstaten en IJsland voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering

Kennisgeving van de voorwaarden van de overeenkomst inzake gezamenlijke nakoming van de verplichtingen van de Europese Unie, haar lidstaten en IJsland uit hoofde van artikel 3 van het Protocol van Kyoto voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, zoals aangenomen door de conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering die fungeert als vergadering van de partijen bij het Protocol van Kyoto in Doha, krachtens besluit 1/CMP.8, overeenkomstig artikel 4 van het Protocol van Kyoto

1. Partijen bij de overeenkomst

De Europese Unie, haar lidstaten en de Republiek IJsland, die partij zijn bij het Protocol van Kyoto, zijn partijen bij deze overeenkomst („de partijen”). De volgende staten zijn momenteel lid van de Europese Unie:

het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

IJsland is partij bij deze overeenkomst ingevolge de Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten en IJsland betreffende de deelname van IJsland aan de gezamenlijke nakoming van de verplichtingen van de Europese Unie, haar lidstaten en IJsland, tijdens de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

2. Gezamenlijke nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van het Protocol van Kyoto voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het Protocol van Kyoto komen de partijen hun verplichtingen uit hoofde van artikel 3 na als volgt:

– overeenkomstig artikel 4, leden 5 en 6, van het Protocol van Kyoto zorgen de partijen ervoor dat in de lidstaten en in IJsland de totale gecombineerde gezamenlijke antropogene in kooldioxide-equivalenten uitgedrukte emissies van de in bijlage A bij het Protocol van Kyoto genoemde broeikasgassen hun gezamenlijke toegewezen hoeveelheid niet overschrijden;

– de toepassing van artikel 3, lid 1, van het Protocol van Kyoto op broeikasgasemissies van lucht- en scheepvaart voor de lidstaten en IJsland is gebaseerd op de in het Verdrag gevolgde benadering om enkel emissies van binnenlandse lucht- en scheepvaart in de doelstellingen van de partijen op te nemen. De benadering van de Europese Unie tijdens de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto zal dezelfde blijven als tijdens de eerste verbintenisperiode, gezien het gebrek aan vooruitgang na Besluit 2/CP.3 bij de toewijzing aan de doelstellingen van de partijen van deze emissies. Dit doet geen afbreuk aan de striktheid van de verplichtingen van de Europese Unie in het kader van het klimaat- en energiepakket; deze blijven ongewijzigd. Het doet evenmin afbreuk aan de noodzaak maatregelen te nemen met betrekking tot emissies van dergelijke gassen uit de in de lucht- en zeevaart gebruikte bunkerbrandstoffen;

– elke partij mag het niveau van haar ambitie verhogen door toegewezen eenheden, emissiereductie-eenheden of gecertificeerde emissiereductie-eenheden naar een annuleringsrekening bij het nationaal register over te dragen. De partijen zullen de in punt 9 van Besluit 1/CMP.8 verlangde gegevens gezamenlijk indienen en zullen gezamenlijk voorstellen doen voor de toepassing van artikel 3, de leden 1 ter en 1 quater, van het protocol;

– de partijen blijven elk voor zich artikel 3, de leden 3 en 4, van het Protocol van Kyoto en de in het kader daarvan overeengekomen besluiten toepassen;

– de gecombineerde emissies van de partijen in het referentiejaar zijn gelijk aan de som van de emissies in de respectieve referentiejaren die voor elke lidstaat en voor IJsland van toepassing zijn;

– indien landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw in 1990 voor een lidstaat of voor IJsland een nettobron van broeikasgasemissies vormden, neemt de desbetreffende partij overeenkomstig artikel 3, lid 7 bis, van het Protocol van Kyoto, in het referentiejaar of de referentieperiode voor haar emissies de totale antropogene in kooldioxide-equivalenten uitgedrukte emissies per bron op, verminderd met de verwijderingen per put in het referentiejaar of de referentieperiode, resulterend uit landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw met het oog op de berekening van de gezamenlijke toegewezen hoeveelheid van de partijen in overeenstemming met artikel 3, de leden 7 bis, 8 en 8 bis, van het Protocol van Kyoto;

– de berekening overeenkomstig artikel 3, lid 7 ter, van het Protocol van Kyoto is van toepassing op de gezamenlijke toegewezen hoeveelheid van de tweede verbintenisperiode voor de partijen, in overeenstemming met artikel 3, de leden 7 bis, 8 en 8 bis, van het Protocol van Kyoto en op het totaal van de gemiddelde jaarlijkse emissies van de partijen voor de eerste drie jaar van de eerste verbintenisperiode vermenigvuldigd met acht;

– overeenkomstig Besluit 1/CMP.8 kan een partij eenheden uit haar reserve van overschotten uit de vorige periode in de aanvullende periode afboeken om aan haar verplichtingen van de tweede verbintenisperiode te voldoen, voor zover de emissies van die partij in de tweede verbintenisperiode haar respectieve toegewezen eenheden voor die verbintenisperiode overschrijden, zoals omschreven in onderhavige kennisgeving.

3. Respectieve emissieniveaus die zijn toegewezen aan de partijen bij de overeenkomst

De gekwantificeerde verplichtingen inzake emissiebeperking en -reductie voor de partijen in de derde kolom van bijlage B bij het Protocol van Kyoto zijn vastgesteld op 80%. De gezamenlijke toegewezen hoeveelheid van de partijen die aan de tweede verbintenisperiode deelnemen zal worden vastgesteld overeenkomstig artikel 3, de leden 7 bis, 8 en 8 bis, van het Protocol van Kyoto, en de berekening daarvan zal gefaciliteerd worden door het verslag dat de Europese Unie overeenkomstig punt 2 van Besluit 2/CMP.8 indient.

De respectieve emissieniveaus van de partijen zijn de volgende:

– Het niveau van de Europese Unie is het verschil tussen de gezamenlijke toegewezen hoeveelheid van de partijen en de som van de emissieniveaus van de lidstaten en IJsland. De berekening ervan zal worden gefaciliteerd door het overeenkomstig punt 2 van Besluit 2/CMP.8 ingediende verslag.

– De respectieve emissieniveaus van de lidstaten en IJsland in overeenstemming met artikel 4, de leden 1 en 5, van het Protocol van Kyoto zijn de som van hun respectieve hoeveelheden die zijn opgenomen in de onderstaande tabel 1 en het eventuele resultaat van de toepassing van artikel 3, lid 7 bis, tweede zin, van het Protocol van Kyoto voor die lidstaat of IJsland.

De toegewezen hoeveelheden voor de partijen zijn gelijk aan hun respectieve emissieniveaus.

De toegewezen hoeveelheid van de Europese Unie wordt verrekend met de broeikasgasemissies van bronnen in het kader van de EU-regeling voor de handel in emissierechten, waaraan haar lidstaten en IJsland deelnemen, voor zover deze emissies onder het Protocol van Kyoto vallen. De respectieve toegewezen hoeveelheden van de lidstaten en IJsland omvatten de broeikasgasemissies per bron en verwijderingen per put in elke lidstaat of IJsland voor bronnen en putten die niet vallen onder Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden. Dit omvat alle emissies van bronnen en verwijderingen per put die vallen onder artikel 3, de leden 3 en 4, van het Protocol van Kyoto evenals alle emissies van stikstoftrifluoride (NF3) in het kader van het Protocol van Kyoto.

Partijen bij deze overeenkomst rapporteren afzonderlijk over de emissies per bron en verwijderingen per put die onder hun respectieve toegewezen hoeveelheden vallen.

Regeling
Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en IJsland, anderzijds, betreffende de deelname van IJsland aan de gezamenlijke nakoming van de verbintenissen van de Unie, haar lidstaten en IJsland voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
27-11-2018
BWB-id
BWBV0006503
Versie
2018-11-27_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl