wetzoeker

BIJLAGE C — Regeling van de positie van de kolenvelden gelegen aan de Duitsch-Nederlandsche grens en toebehoorende aan de „Nederlandsche Maatschappij tot ontginning van steenkolenvelden”. Verdrag tussen de Nederlandse en Duitse Regering nopens krediet en steenkolen

Regeling van de positie van de kolenvelden gelegen aan de Duitsch-Nederlandsche grens en toebehoorende aan de „Nederlandsche Maatschappij tot ontginning van steenkolenvelden”.

1. De Duitsche Regeering is bereid een speciale regeling tot stand te doen komen ten aanzien van de positie der mijnvelden, aangeduid op de hierbij behoorende kaart en toebehoorende aan de „Nederlandsche Maatschappij tot ontginning van steenkolenvelden” welke mijnvelden zijn gelegen bij de grens van Limburg. Deze regeling heeft plaats met het oog op den specialen toestand van de grenzen bij de Duitsch-Nederlandsche kolenbedding waartoe de velden behooren, welke bedding zich uitstrekt over de grenzen tot over de Maas. Daaruit vloeit, naar het gevoelen van Nederland de noodzakelijkheid voort speciaal rekening te houden met dezen toestand om redenen van economisch-aardrijkskundigen, geologischen en technischen aard.

2. De Duitsche Regeering verklaart zich bereid toe te staan, dat deze velden worden ontgonnen door het delven van mijnschachten, die zoowel op Nederlandsch als op Duitsch grondgebied kunnen liggen. Bovendien zullen zooveel mogelijk faciliteiten worden verleend zoowel ten aanzien van het grensverkeer als ook om de exploitatie mogelijk te maken van de inrichtingen, gelegen op Duitsch territoir, b.v. met betrekking tot afwatering, verstrekking van electrischen stroom uit Nederland over de grens enz.

3. De eigenaresse zal zich daartegenover verbinden tot eene exploitatie overeenkomstig een plan dat later zal worden bepaald.

4. De rechten van de eigenaresse worden haar gewaarborgd overeenkomstig de bepalingen, die algemeen in rechte van toepassing zijn. Ingeval onteigening plaats heeft door den Staat, ontvangt de eigenaresse een voor haar billijke schadevergoeding. Indien men het niet eens kan worden over het bedrag der schadevergoeding zal door arbitrage worden beslist.

Ingeval van onteigening door den Staat zal de Duitsche Regeering er voor zorg dragen, dat de kolen, overeenkomstig de bepalingen onder 5 en 6 ter beschikking zullen worden gesteld van bovengenoemde Nederlandsche Maatschappij voor uitvoer naar Nederland.

5. Duitschland staat toe, zonder daaraan voorwaarden te verbinden, dat met het oog op de natuurlijke verhoudingen ten aanzien van de grenzen en den afzet der steenkolen, 50 pct. van de opbrengst van de mijnschachten gelegen op Duitsch grensgebied van 1 April 1920 tot 31 Maart 1954 rechtstreeks naar Nederland wordt uitgevoerd in hoeveelheden, die 1¼ millioen ton per jaar niet te boven mogen gaan.

6. Ten aanzien van heffingen of rechten op den uitvoer wordt overeengekomen, dat deze heffingen tot 31 December 1923 niet meer mogen beloopen dan de helft van het verschil tusschen den Duitschen prijs in het binnenland en den prijs voor uitvoer naar Nederland, en dat zij niet hooger mogen zijn dan die op kolen uit de mijnen van het „Rheinisch-Westfälische Kohlensyndikat”. Van 1 Januari 1924 tot 31 Maart 1954 is het gedeelte van 50 pct. van de opbrengst waarvoor de uitvoer rechtstreeks naar Nederland is toegestaan, vrij van heffingen en uitvoerrechten. Duitsche binnenlandsche heffingen, zooals belastingen op steenkool, enz., worden voldaan overeenkomstig de bepalingen die danmaals van toepassing zullen zijn.

Regeling
Verdrag tussen de Nederlandse en Duitse Regering nopens krediet en steenkolen
Afkortingen
Tredefina-verdrag
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
28-12-1920
BWB-id
BWBV0006479
Versie
1920-12-28_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl