wetzoeker

Art. 7 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Ottomaanse Rijk inzake de toelating van Turkse Consuls in de voornaamste havens der Nederlandse koloniën

De consuls-generaal en de consuls zijn bevoegd consulaire agenten te benoemen in de havens, vermeld in art. 1.

De consulaire agenten kunnen zonder onderscheid zijn Nederlandsche onderdanen, Ottomanische onderdanen of onderdanen van elk ander land, gevestigd of kunnende, volgens de bepalingen der plaatselijke wetten, worden toegelaten tot het zich vestigen in de haven, waar de consulaire agent wordt aangesteld.

Deze consulaire agenten, wier benoeming onderworpen is aan de goedkeuring van den gouverneur der kolonie, worden voorzien van eene aanstelling, afgegeven door den consul, onder wiens bevelen zij werkzaam moeten zijn.

De gouverneur der kolonie kan in ieder geval de goedkeuring, waarvan zoo even is gesproken, aan de consulaire agenten ontnemen, onder mededeeling der redenen van zoodanigen maatregel aan den consul-generaal of consul.

Regeling
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Ottomaanse Rijk inzake de toelating van Turkse Consuls in de voornaamste havens der Nederlandse koloniën
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
07-08-1857
BWB-id
BWBV0006434
Versie
1857-08-07_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl