Regel 36 Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid
DIVERSE BEPALINGEN
1 [Individuele aanwijzingstaks]
1) [WIPO-noot]: Aanbeveling aangenomen door de Algemene Vergadering van de Unie van ’s-Gravenhage:
„Verdragsluitende Partijen die een verklaring doen, of hebben gedaan, uit hoofde van artikel 7, tweede lid, van de Akte van 1999 of uit hoofde van regel 36, eerste lid, van het Reglement van uitvoering worden aangemoedigd aan te geven, in deze verklaring of in een nieuwe verklaring, dat voor internationale aanvragen die worden ingediend door aanvragers die hun bevoegdheid uitsluitend ontlenen aan een verbintenis met een minstontwikkeld land, overeenkomstig de door de Verenigde Naties opgestelde lijst, of met een intergouvernementele organisatie waarvan de meerderheid van de lidstaten minstontwikkelde landen zijn, de individuele taks die betaald dient te worden voor hun aanwijzing wordt verminderd tot 10% van het vastgestelde bedrag (afgerond, waar nodig, tot het dichtstbijzijnde gehele getal). Deze Verdragsluitende Partijen worden voorts aangemoedigd aan te geven dat deze vermindering tevens geldt voor een internationale aanvraag die wordt ingediend door een aanvrager waarvan de bevoegdheid niet uitsluitend ontleend wordt aan een verbintenis met een dergelijke intergouvernementele organisatie, mits elk ander recht van de aanvrager wordt ontleend aan een verbintenis met een Verdragsluitende Partij die een minstontwikkeld land is of, indien het geen minstontwikkeld land is, een lidstaat is van die internationale organisatie en op de internationale aanvraag uitsluitend de Akte van 1999 van toepassing is.”
Voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel 2, onder b, van de Akte van 1960, kan elke Verdragsluitende Partij bij de Akte van 1960 waarvan het Bureau een Bureau is dat overgaat tot een onderzoek in een verklaring, aan de Directeur-Generaal kennisgeving doen dat, ten aanzien van elke internationale aanvraag waarbij zij is aangewezen uit hoofde van de Akte van 1960, de in regel 12, eerste lid, onderdeel a, onder ii, bedoelde standaard aanwijzingstaks wordt vervangen door een individuele aanwijzingstaks waarvan het bedrag wordt vermeld in de verklaring en kan worden gewijzigd in latere verklaringen. Het genoemde bedrag kan evenwel niet hoger zijn dan hetzelfde bedrag dat het Bureau van die Verdragsluitende Partij van een aanvrager zou mogen ontvangen voor een toegekende bescherming, voor hetzelfde tijdvak, ten aanzien van eenzelfde aantal tekeningen of modellen van nijverheid, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd met de besparingen die voortvloeien uit de internationale procedure.
2 [Maximale duur van de bescherming]
Elke Verdragsluitende Partij bij de Akte van 1960 doet de Directeur-Generaal in een verklaring kennisgeving van de maximale duur van de bescherming zoals in haar wetgeving is vastgelegd.
3 [Tijdstip waarop verklaringen kunnen worden gedaan]
Een verklaring uit hoofde van het eerste en tweede lid kan worden gedaan:
i. op het tijdstip van de nederlegging van een akte bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Akte van 1960, in welk geval deze van kracht wordt op de datum waarop de Staat die de verklaring heeft gedaan door deze Akte gebonden wordt, of
ii. na de nederlegging van een akte bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Akte van 1960, in welk geval deze van kracht wordt een maand na de datum van ontvangst ervan door de Directeur-Generaal of op een latere datum die in de verklaring is aangegeven. De verklaring is evenwel alleen van toepassing op internationale inschrijvingen waarvan de datum van internationale inschrijving dezelfde is als, of later dan, de datum waarop de verklaring van kracht wordt.
- Regeling
- Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2024
- BWB-id
- BWBV0006367
- Versie
- 2024-01-01_0