§ 1 Verdrag betreffende de Spitsbergen Archipel, met inbegrip van het Bereneiland
1°. Binnen drie maanden na het van kracht worden van dit verdrag moeten alle aanspraken op grond, die reeds vóór de onderteekening van dit verdrag tot eenige Regeering gericht waren, door de Regeering van den eischer ter kennis worden gebracht van een Commissaris belast met het onderzoeken van zoodanige eischen. Deze Commissaris zal zijn een rechter of een rechtsgeleerde van Deensche nationaliteit, die de vereischte hoedanigheden daartoe bezit en aangewezen is door de Deensche Regeering.
2°. De kennisgeving zal een nauwkeurige afbakening van het geëischte stuk grond moeten inhouden en zal vergezeld moeten zijn van een kaart op een schaal van minstens 1 :1 000 000, waarop het geëischte stuk grond duidelijk zal zijn aangegeven.
3°. De kennisgeving zal gepaard moeten gaan met het deponeeren van het bedrag van een penny (1 d.) per acre (40 Aren) grond ter dekking van de kosten van het onderzoek van de eischen.
4°. De Commissaris zal bevoegd zijn van de eischers alle verdere documenten of inlichtingen te vragen, welke hij noodig oordeelt.
5°. De Commissaris zal de eischen, welke aldus te zijner kennis zijn gebracht, onderzoeken. Daartoe zal hij bevoegd zijn gebruik te maken van zoodanigen deskundigen bijstand als hij noodig oordeelt, en ingeval dit noodzakelijk is zal hij onderzoekingen ter plaatse kunnen laten uitvoeren.
6°. De bezoldiging van den Commissaris zal bepaald worden in gemeenschappelijk overleg tusschen de Deensche Regeering en de andere betrokken Regeeringen. De Commissaris zal de bezoldiging bepalen van de ambtenaren, welke hij noodig oordeelt in dienst te nemen.
7°. Na de eischen onderzocht te hebben, zal de Commissaris een rapport opstellen, waarin nauwkeurig wordt aangegeven, welke eischen naar zijn meening dadelijk als gegrond moeten worden erkend en welke naar zijn mening, òf omdat zij bestreden worden òf om eenige andere reden aan arbitrage moeten worden onderworpen als hieronder aangegeven. Afschriften van dit rapport zullen door den Commissaris aan de betrokken Regeeringen worden toegezonden.
8°. Als het bedrag van de gelden, welke overeenkomstig lid 3 zijn gedeponeerd, onvoldoende is om de uitgaven tot onderzoek van de eischen te dekken, zal de Commissaris indien de eisch hem gegrond voorkomt, onmiddellijk vaststellen, welk aanvullend bedrag men den eischer zal moeten vragen te betalen. Als grondslag voor dit bedrag zal worden genomen de uitgestrektheid van het stuk grond, waarop de titel van den eischer erkend is.
Als de gelden, welke overeenkomstig lid 3 zijn gedeponeerd, de kosten van het onderzoek te boven gaan, zal het overschot besteed worden voor de kosten van de arbitrage als hieronder voorzien.
9°. Binnen drie maanden na dagteekening van het rapport bedoeld in lid 7 van deze paragraaf zal de Noorsche Regeering de noodige maatregelen nemen, om den eischers, wier eischen door den Commissaris erkend zijn, een geldigen titel toe te kennen waarbij hun de uitsluitende eigendom op het betreffende stuk grond wordt verzekerd, overeenkomstig de wetten en bepalingen, welke in de gebieden aangeduid in artikel 1 van dit verdrag van kracht zijn of van kracht zullen worden en voorts met inachtneming van het mijnreglement bedoeld in artikel 8 van dit verdrag.
Ingeval echter overeenkomstig lid 8 van deze paragraaf een aanvullende betaling vereischt wordt, zal slechts een voorloopige titel worden afgegeven, welke titel definitief zal worden, zoodra de eischer het van hem gevraagde aanvullende bedrag, binnen een redelijk tijdsverloop, vast te stellen door de Noorsche Regeering, zal hebben betaald.
- Regeling
- Verdrag betreffende de Spitsbergen Archipel, met inbegrip van het Bereneiland
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 14-08-1925
- BWB-id
- BWBV0006335
- Versie
- 1925-08-14_0