wetzoeker

Artikel 9 Verdrag en Statuut nopens het Internationale Spoorwegregime

Wederzijdsch gebruik van rollend materieel en technische eenheid.

De Verdragstaten zullen, voor zoover de omstandigheden redelijkerwijze toelaten, de spoorwegadministraties, die onder hun souvereiniteit of hun gezag zijn geplaatst en waarvan de lijnen een doorloopend net van wegen van dezelfde spoorwijdte vormen, opwekken onderling overeenkomsten te sluiten, strekkende tot al zoodanige maatregelen, geschikt om de uitwisseling en het wederzijdsche gebruik van rollend materieel mogelijk te maken en te vergemakkelijken.

Deze overeenkomsten zullen eveneens kunnen strekken tot het verleenen van bijstand door het leveren van leege wagens, ingeval deze bijstand noodzakelijk is om te voldoen aan de behoeften van het internationale verkeer.

Onder maatregelen als bedoeld in de bovenvermelde overeenkomsten zijn niet begrepen die maatregelen, die wijzigingen zonden medebrengen in de essentieele eigenaardigheden van een spoorwegnet of van het rollend materieel.

In de gevallen echter, waarin zoodanige wijzigingen bijzonder wenschelijk zouden schijnen met het oog op den omvang van het verkeer en de geringe moeite die de aanpassing zou medebrengen, komen de betrokken Verdragstaten overeen elkander onverwijld alle voorstellen mede te deelen, die zoodanige wijzigingen ten doel hebben en deze voorstellen op welwillende wijze te onderzoeken.

Regeling
Verdrag en Statuut nopens het Internationale Spoorwegregime
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
22-05-1928
BWB-id
BWBV0006324
Versie
1928-05-22_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl