wetzoeker

AANHANGSEL. — TEKST VAN DE ARTIKELEN VAN HET STATUUT NOPENS HET INTERNATIONALE SPOORWEGREGIME, EN VAN DE DESBETREFFENDE BEPALINGEN VAN HET PROTOCOL VAN ONDERTEEKENING. Verdrag en Statuut nopens het Internationale Zeehavenregime

TEKST VAN DE ARTIKELEN VAN HET STATUUT NOPENS HET INTERNATIONALE SPOORWEGREGIME, EN VAN DE DESBETREFFENDE BEPALINGEN VAN HET PROTOCOL VAN ONDERTEEKENING.

Artikel 4. De Verdragstaten, de noodzakelijkheid erkennende om de exploitatie van de spoorwegen te doen geschieden met de soepelheid, noodig om te voldoen aan de veelzijdige behoeften van het verkeer, geven als hun voornemen te kennen de vrijheid van deze exploitatie onaangetast te laten, met dien verstande dat er voor gewaakt zal worden dat deze vrijheid wordt uitgeoefend zonder schade voor het internationale verkeer.

Zij verbinden zich aan het internationale verkeer redelijke faciliteiten te verleenen en zich te onthouden van iedere onderscheiding, die een onwelwillend karakter zou dragen ten opzichte van andere Verdragstaten, hun onderdanen of hun schepen.

De bepalingen van dit artikel komen niet alleen ten goede aan doorvoer beheerscht door een enkelvoudig contract, zij hebben eveneens betrekking op doorvoeren als bedoeld in artt. 21 en 22 van dit Statuut, op de voorwaarden als aangegeven in deze artikelen.

Artikel 20. De Verdragstaten, de noodzakelijkheid erkennende om in het algemeen aan de tarieven de noodige soepelheid te laten, waardoor zij zoo nauwkeurig mogelijk zich kunnen aanpassen aan de veelzijdige behoeften van den handel en de handelsconcurrentie, behouden volle vrijheid om hun tarieven te bepalen volgens de beginselen nedergelegd in hun eigen wetgeving, met dien verstande echter, dat zij er voor waken, dat deze vrijheid niet uitgeoefend wordt ten nadeele van het internationale verkeer.

Zij verbinden zich op het internationale verkeer redelijke tarieven toe te passen, zoowel wat betreft de hoogte van de tarieven als de voorwaarden van toepassing, en komen overeen zich te onthouden van iedere onderscheiding, die een onwelwillend karakter zou dragen ten aanzien van andere Verdragstaten, hun onderdanen of hun schepen.

Deze bepalingen zijn niet onvereenigbaar met het instellen van gemeenschappelijke spoorweg- en scheepvaarttarieven, mits de beginselen nedergelegd in het voorafgaande lid worden geëerbiedigd.

Artikel 21. Het voordeel van de bepalingen van art. 20 wordt niet beperkt tot vervoer, dat beheerscht wordt door een enkelvoudig contract. Het strekt zich eveneens uit tot het vervoer over een reeks trajecten per spoor, over zee of langs eenigen anderen weg, over de gebieden van meerdere Verdragstaten en beheerscht door afzonderlijke contracten, mits de volgende voorwaarden worden vervuld:

Ieder van de opvolgende contracten moet de oorspronkelijke herkomst en de eindbestemming van het vervoer vermelden; de goederen moeten gedurende den duur van het geheele traject onder het toezicht blijven van de transporteurs en door ieder van hen aan den volgende rechtstreeks worden overgegeven, zonder eenig ander oponthoud dan dat hetwelk noodig is voor het bewerkstelligen van de overgave en het vervullen van de administratieve douane-, octrooi-, politie- of andere formaliteiten.

Artikel 22. De bepalingen van art. 20 zijn, zoowel in het nationale als in het internationale spoorwegverkeer, eveneens van toepassing op goederen, die tijdelijk in een haven worden opgeslagen, zonder dat rekening wordt gehouden met de vlag, waaronder deze goederen zijn ingevoerd of zullen worden uitgevoerd.

Protocol van onderteekening: Het is wel te verstaan, dat ieder verschil in behandeling van vlaggen, dat uitsluitend gegrond zou zijn op de beschouwing van de vlag, geacht moet worden te zijn een onderscheiding van onwelwillenden aard in den zin van de artt. 4 en 20 van het Statuut nopens het internationale spoorwegregime.

Regeling
Verdrag en Statuut nopens het Internationale Zeehavenregime
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
22-05-1928
BWB-id
BWBV0006321
Versie
1928-05-22_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl