wetzoeker

Artikel 21 Verdrag en Statuut nopens het Internationale Zeehavenregime

Onverminderd de bepaling voorzien in art. 8, lid 2, zullen de geschillen, die mochten rijzen tusschen Verdragstaten inzake de uitlegging of de toepassing van dit Statuut op de volgende wijze beslecht worden:

Indien het geschil niet beslecht kan worden, hetzij rechtstreeks tusschen de Partijen, hetzij langs eenigen anderen weg van minnelijke schikking, zullen de bij het geschil betrokken Partijen, alvorens haar toevlucht te nemen tot eenige scheidsrechterlijke procedure of tot een gerechtelijke beslissing, het geschil, ter fine van advies, kunnen onderwerpen aan het orgaan, dat door den Volkenbond als raadgevend en technisch orgaan van de Leden van den Bond zal zijn aangewezen voor zaken van verkeer en doorvoer. ln dringende gevallen kan een voorloopig advies een aanbeveling tot het nemen van alle voorloopige maatregelen inhouden, die in het bijzonder beoogen aan het internationale verkeer de faciliteiten te hergeven, die vóór de handeling of het feit, dat aanleiding tot het geschil heeft gegeven, werden genoten.

Indien het geschil niet beslecht kan worden door middel van een van de procedures, die in het voorafgaand lid zijn aangegeven, zullen de Verdragstaten hun geschil onderwerpen aan arbitrage, tenzij zij, krachtens een afspraak tusschen de Partijen, besloten hebben of besluiten het geschil voor het Permanente Hof van Internationale Justitie te brengen.

Regeling
Verdrag en Statuut nopens het Internationale Zeehavenregime
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
22-05-1928
BWB-id
BWBV0006321
Versie
1928-05-22_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl