wetzoeker

Artikel 40 Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer

Algemeene bepalingen en slotbepalingen.

1) De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen ten tijde van de onderteekening, van de nederlegging van de bekrachtigingsoorkonde of van haar toetreding, verklaren, dat het aanvaarden van dit Verdrag niet geldt ten aanzien van het geheel of van een gedeelte van hare koloniën, protectoraten of mandaatsgebieden, of eenig ander gebied, onderworpen aan hare souvereiniteit of aan haar gezag, of ten aanzien van eenig ander gebied onder suzereiniteit.

2) Dientengevolge kunnen Zij later, aldus los van haar oorspronkelijke verklaring, afzonderlijk toetreden voor het geheel of voor een gedeelte van hare koloniën, protectoraten, mandaatsgebied of eenig ander gebied, onderworpen aan hare souvereiniteit of aan haar gezag, of voor eenig gebied onder suzereiniteit.

3) Zij kunnen eveneens, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, hetzelve opzeggen afzonderlijk of voor het geheel of voor een gedeelte van hare koloniën, protectoraten, mandaatsgebieden, of eenig ander gebied, onderworpen aan hare souvereiniteit of aan haar gezag, of voor eenig ander gebied onder suzereiniteit.

Regeling
Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
14-06-1998
BWB-id
BWBV0006276
Versie
1998-06-14_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl