wetzoeker

Artikel 8 Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwbedrijf

Algemene bepalingen betreffende steigers

1 De vloeren, bordessen, gangen en trappen moeten:

a. zodanig gemaakt zijn, dat geen deel daarvan in sterke mate of ongelijkmatig kan doorbuigen;

b. zodanig gemaakt en onderhouden zijn, dat, rekening houdende met de bestaande omstandigheden, het gevaar voor struikelen of uitglijden van personen zoveel mogelijk verminderd wordt;

c. vrij van elke onnodige versperring gehouden worden.

2 In het geval dat vloeren, bordessen, gangen, arbeidsplaatsen en trappen op een hoogte gelegen zijn, welke een bepaalde grens, door de nationale wetgeving vast te stellen, te boven gaat:

a. moet elke vloer, elk bordes en elke gang voorzien zijn van aan elkaar sluitende planken, behalve in het geval, dat andere doelmatige maatregelen, om de veiligheid te verzekeren, genomen zijn;

b. moet elke vloer of bordes en elke gang een voldoende breedte hebben;

c. moet elke vloer of bordes, elke gang, elke arbeidsplaats en elke trap doelmatig zijn beschut.

Regeling
Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwbedrijf
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
13-11-1964
BWB-id
BWBV0006230
Versie
1964-11-13_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl