wetzoeker

Artikel 2 Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oostenrijk

(1) De naamlooze en andere vennootschappen op het gebied van handel, nijverheid en financiën, de scheepvaart- en verzekeringmaatschappijen daaronder begrepen, die haar zetel hebben op het grondgebied van eene der Hooge Verdragsluitende Partijen, en die volgens de wetten dier Partij op rechtsgeldige wijze daar zijn opgericht, zullen evenzeer bevoegd zijn om op het grondgebied der andere Partij haar rechten te verdedigen en in het bijzonder in rechte op te treden, mits zij zich onderwerpen aan de daarop betrekking hebbende wetten en verordeningen, van kracht op het grondgebied dier andere Partij.

(2) De toelating der hierboven vermelde op rechtsgeldige wijze op het grondgebied van een der Hooge Verdragsluitende Partijen opgerichte vennootschappen, die na het van kracht worden van dit verdrag hare werkzaamheden willen uitstrekken over het grondgebied van de andere Partij en die daartoe eene bijzondere machtiging mochten behoeven, zal geregeld worden overeenkomstig de wetten en verordeningen, welke op het grondgebied van dien Staat van kracht zijn.

(3) De hierbedoelde, eenmaal volgens de in het betrokken land van kracht zijnde wetten en voorschriften toegelaten, vennootschappen zullen niet aan andere, noch hoogere belastingen, bijdragen, of in het algemeen gesproken heffingen worden onderworpen, dan aan die, welke worden geheven van vennootschappen van een derden Staat en zullen in elk opzicht behandeld worden op den voet van de meestbegunstigde natie.

Regeling
Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oostenrijk
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-07-1985
BWB-id
BWBV0006179
Versie
1985-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl