wetzoeker

Artikel 21 Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering

KOSTELOOZE RECHTSBIJSTAND.

In alle gevallen moet het bewijs van onvermogen worden afgegeven door, of de verklaring afgelegd voor de autoriteiten van de gewone verblijfplaats van den vreemdeling, of, bij gebreke daarvan, door de autoriteiten van zijn werkelijk verblijf. Ingeval deze laatste autoriteiten niet mochten behooren tot een contracteerenden Staat en geen bewijzen of verklaringen van dezen aard mochten afgeven of voor zich laten afleggen, kan volstaan worden met een bewijs of eene verklaring, afgegeven door of afgelegd voor een diplomatieken of consulairen ambtenaar van het land, waartoe de vreemdeling behoort.

Indien de verzoeker geen verblijf houdt in het land, waar het verzoek wordt gedaan, wordt het bewijs of de verklaring van onvermogen kosteloos gelegaliseerd door een diplomatieken of consulairen ambtenaar van het land, waar het stuk moet worden overgelegd.

Regeling
Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
27-04-1909
BWB-id
BWBV0006077
Versie
1909-04-27_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl