wetzoeker

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk betreffende de ophoging van de Oude Rijnmond bij Lobith

Soort
Verdrag
Geldend vanaf
28-08-1922
Rechtsgebied
Belastingrecht, Internationaal publiekrecht, Invoer en douane, Migratierecht
Ministerie
Buitenlandse Zaken
BWB-id
BWBV0006051
Versie
1922-08-28_0
SHA-256 bron
2263c3bdb77273565b16aeb6acb2d8322ae840ad02925e086a00362c53a8916a

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (7)
  1. Par. 1
  2. Par. 2
  3. Par. 3
  4. Par. 4
  5. Par. 5
  6. Par. 6
  7. Par. 7

VERDRAG tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitsche Rijk betreffende de ophooging van den Ouden Rijnmond bij Lobith.

Par. 1

De Nederlandsche Regeering verkrijgt het recht den Ouden Rijnmond bij Lobith hoogwatervrij af te sluiten.

VERDRAG tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitsche Rijk betreffende de ophooging van den Ouden Rijnmond bij Lobith.

Par. 2

Alle voor eene geheele of gedeeltelijke afsluiting van den Ouden Rijnmond op Nederlandsch grondgebied noodige werken zullen door de Nederlandsche Regeering uitsluitend volgens haar eigen inzicht en uitsluitend voor hare rekening worden uitgevoerd.

VERDRAG tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitsche Rijk betreffende de ophooging van den Ouden Rijnmond bij Lobith.

Par. 3

De Nederlandsche Regeering is verplicht, binnen 2 jaren na de bekrachtiging van dit verdrag, den Ouden Rijnmond zoodanig op te hoogen dat het Rijnwater niet door den Ouden Rijn kan afvloeien bij waterstanden lager dan 15 M. boven Amsterdamsch peil (N.A.P.) in het midden van den Ouden Rijnmond, dat is dus ongeveer 6 M. boven Emmeriksch peil.

Met de hoogwatervrije afsluiting mag op zijn vroegst 5 jaar na de bekrachtiging van dit verdrag worden begonnen.

VERDRAG tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitsche Rijk betreffende de ophooging van den Ouden Rijnmond bij Lobith.

Par. 4

Wanneer in Pruisen de dijkbocht bij Bimmen achteruit gelegd wordt, is de Nederlandsche Regeering, in afwijking van de bepaling, vervat in Artikel II van het Grenstractaat van 7 Oktober 1816, verplicht, in de daardoor ontstaande kosten voor een bedrag van 2 000 000 M. bij te dragen, en dat bedrag, naar gelang van den voortgang van het werk, op aanvraag van den Pruisischen Minister für Landwirtschaft, Domänen und Forsten, op een door dezen aan te geven plaats te storten; evenwel zullen — met uitzondering van de eindbetaling — betalingen van minder dan 200 000 M. niet gevorderd kunnen worden.

VERDRAG tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitsche Rijk betreffende de ophooging van den Ouden Rijnmond bij Lobith.

Par. 5

De eene Staat behoeft in het onderhoud van werken, op grond van dit verdrag op het grondgebied van den anderen Staat uitgevoerd, niet bij te dragen.

VERDRAG tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitsche Rijk betreffende de ophooging van den Ouden Rijnmond bij Lobith.

Par. 6

Met de voltooiing van de in Par. 3 omschreven ophooging treden de bepalingen, in de Artikelen 17 en 19 van het Grenstractaat van 7 October 1816 vervat, buiten werking. Overigens blijven de bepalingen van dat Grenstractaat door het onderwerpelijke verdrag ongewijzigd.

VERDRAG tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitsche Rijk betreffende de ophooging van den Ouden Rijnmond bij Lobith.

Par. 7

Dit verdrag zal worden bekrachtigd en de acten van bekrachtiging zullen, zoo spoedig mogelijk, te Berlijn worden uitgewisseld.

Ter oorkonde waarvan de gevolmachtigden dit verdrag hebben onderteekend en van hunne zegels hebben voorzien.