wetzoeker

Artikel 13 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de grensscheiding, met Reglement voor het plaatsen van grenspalen

§ 1 De veren met ponten, schuiten of booten, welke op de Maas bestaan of mogten daargesteld worden, ter plaatse waar deze rivier de grens daarstelt, behooren aan de beide landen in gemeenschap.

§ 2 Geen nieuw veer kan aangelegd worden, ten zij met gemeen overleg der beide gouvernementen.

§ 3 De veren zullen publiek verpacht worden, hetgeen beurtelings plaats zal hebben in een’ der beide Staten, volgens een tusschen de wederzijdsche administratien te bepalen bestek der aanbestedingen.

§ 4 De opbrengst der verpachtingen zal verdeeld worden bij helften, door middel van eene afrekening, te doen bij den aanvang van ieder jaar.

§ 5 Het materieel der veren, toebehoorende aan den eenen of anderen Staat, zal onderbonden, en, zoo noodig, hernieuwd worden, op gemeenschappelijke kosten.

§ 6 De policie der veren en het opzigt over het materieel, behooren aan de regering van het land waar de verpachtingen plaats gehad hebben. Te dien einde zullen de pachters verpligt zijn, des noods, in dat land domicilium te kiezen.

§ 7 Elke Staat zal op deszelfs oever en te zijner kosten, de voor de veren noodige aanlegplaatsen doen onderhouden, zich gedragende overeenkomstig het vastgestelde bij artikel 10.

§ 8 De administratien der beide landen zullen zich verstaan wegens de uitvoering der bepalingen van het tegenwoordig artikel.

Regeling
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de grensscheiding, met Reglement voor het plaatsen van grenspalen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-04-1983
BWB-id
BWBV0006026
Versie
1983-04-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl