wetzoeker

I Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen

1 De geschillen, die tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen mochten rijzen ten aanzien van de toepassing of de uitlegging van het onderhavige Verdrag en die niet langs diplomatieken weg konden worden opgelost, zullen worden voorgelegd aan het Permanente Hof van Internationale Justitie, of, indien een der Hooge Verdragsluitende Partijen zulks verlangt, aan het Permanente Hof van Arbitrage te 's-Gravenhage.

2 Ingeval het geschil wordt voorgelegd aan het Permanente Hof van Arbitrage zullen de bepalingen van het den 18den October 1907 te 's-Gravenhage gesloten verdrag, nopens de vreedzame beslechting van internationale geschillen, van toepassing zijn. Echter zal bij gebreke van daarmede in strijd zijnde bepalingen in het betreffende compromis, het scheidsgerecht zijn samengesteld uit 3 leden. Elk der Hooge Verdragsluitende Partijen zal een der leden aanwijzen. De opper-arbiter zal aangewezen worden overeenkomstig de regelen, vastgelegd in voormeld verdrag.

Regeling
Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
05-06-1925
BWB-id
BWBV0005899
Versie
1925-06-05_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl