wetzoeker

ARTIKEL X Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen

1 De verdragsluitende Partijen verbinden zich elkander wederkeerig vrijen doorvoer toe te staan voor personen, bagage, koopwaren en voorwerpen van allerlei aard, postzendingen, schepen, booten, spoorwagens en rijtuigen of andere vervoermiddelen, terwijl zij elkander in dit verband de behandeling der meestbegunstigde natie waarborgen.

2 De koopwaren van allerlei soort, welke over het grondgebied van een der Partijen werden doorgevoerd, zullen wederkeerig zijn vrijgesteld van ieder douanerecht, niet uitzondering van rechten voor administratie en statistiek.

3 Geen der Partijen zal nochtans gehouden zijn den doorvoer toe te staan van reizigers, aan wie de toegang tot haar grondgebied ontzegd mocht zijn. De doorvoer van koopwaren zal kunnen worden verboden:

a. om redenen van openbare en nationale orde en veiligheid;

b. om redenen van sanitairen aard of als voorzorgsmaatregel tegen ziekten van dieren en planten.

4 De doorvoer van koopwaren, die in een der verdragsluitende Staten het onderwerp van een staatsmonopolie vormen, zal kunnen worden onderworpen aan de contrôle, voorgeschreven door de ter zake geldende bepalingen der nationale wetgeving.

Regeling
Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
05-06-1925
BWB-id
BWBV0005899
Versie
1925-06-05_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl