wetzoeker

Artikel 2 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen

Vermogensbestanddelen van vijandelijke Duitsers

A Voor de toepassing van dit artikel omvat de term „betaalmiddelen” bankpapier, munten en andere soortgelijke ruilmiddelen met uitzondering van de zodanige, welke numismatische of historische waarde hebben.

B Indien betaalmiddelen zijn uitgegeven door een der Verdragsluitende Regeringen of door een publiek- of privaatrechtelijk lichaam dat op haar gezag handelt, terwijl de betaalmiddelen eigendom zijn van een vijandelijke Duitser en zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering bevinden, moeten zij aan de eerstgenoemde Regering worden afgegeven.

C Indien betaalmiddelen zijn verkocht vóór 1 Januari 1947 zal geen afgifte worden geëist; indien de verkoop heeft plaats gehad op of na 1 Januari 1947 zal de opbrengst echter moeten worden afgegeven.

D De bepalingen van dit artikel zullen geen rechten of verplichtingen van de Verdragsluitende Regeringen op grond van deel III van de Parijse Overeenkomst inzake Herstelbetalingen aantasten.

Regeling
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
27-03-1951
BWB-id
BWBV0005765
Versie
1951-03-27_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl