wetzoeker

Vertaling van het Slotprotocol. Internationaal Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949

Gereed om over te gaan tot de onderteekening van het op heden gesloten wordend verdrag, achten de Gevolmachtigden het dienstig eenige aanwijzingen te geven omtrent den geest waarin de artt. 1, 2 en 3 van het verdrag behooren te worden verstaan en waarin het gewenscht is, dat de verdragsluitende Staten, bij de uitoefening hunner wetgevende souvereiniteit, zorgen voor de uitvoering of de aanvulling der overeengekomen bepalingen.

A. — De bepalingen der artt. 1 en 2 zijn te beschouwen als een „minimum”, in dien zin, dat het vanzelf spreekt, dat de verdragsluitende Regeeringen volkomen vrij blijven andere gelijksoortige strafbare feiten strafbaar te stellen, zooals bijv. het aanwerven van meerderjarigen, ook zonder bedrog of dwang.

B. — Bij de bestrijding der strafbare feiten, voorzien in de artt. 1 en 2, is wel verstaan, dat met de woorden: „minderjarige vrouw of meisje, meerderjarige vrouw of meisje” bedoeld worden de minderjarige of meerderjarige vrouwen of meisjes, die den vollen leeftijd van twintig jaar niet of wel bereikt hebben. Eene wet kan evenwel eenen hoogeren leeftijd voer minderjarigheidsbescherming vaststellen, onder voorwaarde, dat deze dezelfde zij voor vrouwen of meisjes van elke nationaliteit.

C. — Bij de bestrijding dierzelfde strafbare feiten is het gewenscht, dat de wet in alle gevallen eene vrijheidsstraf bedreige, zonder dat evenwel andere hoofd- of nevenstraffen uitgesloten zijn; het is ook gewenscht, dat zij, afgescheiden van den leeftijd van het slachtoffer, rekening houdt met de verschillende verzwarende omstandigheden, die bij ieder geval kunnen voorkomen, zooals die, welke zijn omschreven in art. 2, of het feit, dat het slachtoffer inderdaad aan ontucht is overgegeven.

D. — Het geval van vasthouding tegen haren wil van een vrouw of meisje in een huis van ontucht, kon niettegenstaande zijn ernstig karakter niet in dit verdrag opgenomen worden, omdat alleen de landswetgeving bevoegd is zich daarmede bezig te houden.

Regeling
Internationaal Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
14-08-1951
BWB-id
BWBV0005727
Versie
1951-08-14_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl