wetzoeker

Art. 8 Internationaal Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949

Staten, die niet ondertekend hebben, kunnen toetreden tot dit Verdrag. Zij geven tot dat doel van hun voornemen kennis door middel van een akte, welke wordt nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zendt een gewaarmerkt afschrift van die akte aan elk van de Verdragsluitende Staten en aan alle Leden van de Verenigde Naties en deelt dezen te zelfder tijd de datum der nederlegging mede. In bedoelde ake van kennisgeving wordt tevens mededeling gedaan van de in de toetredende Staat met betrekking tot het onderwerp van dit Verdrag uitgevaardigde wetten.

Zes maanden nà den datum der nederlegging van de akte van kennisgeving treedt het verdrag in werking in het geheele grondgebied van den toetreden den Staat, die op deze wijze verdragsluitende Staat wordt.

De toetreding tot het verdrag brengt van rechtswege en zonder uitdrukkelijke kennisgeving, gelijktijdige en volledige toetreding mede tot de Regeling van 18 Mei 1904, die op denzelfden datum als het verdrag zelf in het geheele gebied van den toetreden den Staat in werking treedt.

Evenwel wordt door de vorenstaande bepaling niet afgeweken van artikel 7 van bovenbedoelde Regeling van 18 Mei 1904, welk artikel van toepassing blijft op het geval dat een Staat er de voorkeur aan geeft alleen tot die Regeling toe te treden.

Regeling
Internationaal Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
14-08-1951
BWB-id
BWBV0005727
Versie
1951-08-14_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl