Tekst Overeenkomst tot economische samenwerking tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika
Den Haag, 2 Juli 1948.
Mijnheer de Minister,
Ik heb de eer te verwijzen naar de besprekingen, welke onlangs hebben plaats gevonden tussen vertegenwoordigers van ons beider Regeringen met betrekking tot de territoriale toepasselijkheid van handelsovereenkomsten tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden, en om de overeenstemming te bevestigen, welke als resultaat van deze besprekingen is bereikt, zoals deze hieronder volgt:
1. Gedurende de periode, waarin de Regering van de Verenigde Staten van Amerika deelneemt aan de bezetting van of de contrôle op enige gebieden in West-Duitsland, het Vrije Gebied van Triest, zal de Nederlandse Regering op de goederenhandel in zodanig gebied de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel de dato 30 October 1947, zoals sindsdien gewijzigd of hierna te wijzigen, betrekking hebbende op de behandeling als meest begunstigde natie, toepassen.
2. De verbintenis hierboven omschreven in punt 1 zal betrekking hebben op de goederenhandel in enig gebied, daarin genoemd, uitsluitend gedurende zodanige tijd en tot zodanige omvang als zodanig gebied wederkerig behandeling als meest begunstigde natie toekent aan de Nederlandse goederenhandel.
3. De verbintenissen in punt 1 en 2 hierboven omschreven worden aangegaan, rekening houdende met het feit, dat op het huidige ogenblik geen doeltreffende of belangrijke tariefmuren voor invoeren in deze betrokken gebieden bestaan. Voor het geval dat zodanige tariefmuren worden opgericht, stemmen Partijen overeen, dat deze verbintenissen geen inbreuk zullen maken op de toepassing van de beginselen, neergelegd in het Havana Handvest voor een Internationale Handelsorganisatie, met betrekking tot het verminderen van tarieven op een wederzijds voordelige grondslag.
4. Erkend wordt, dat het ontbreken van een uniforme wisselkoers voor de gebieden van West-Duitsland, zoals vermeld onder punt 1, tot gevolg kan hebben, dat indirect de uitvoer van dit gebied in een moeilijk nauwkeurig te berekenen mate wordt gesubsidieerd. Zolang zulk een toestand bestaat, en indien overleg met de Regering van de Verenigde Staten van Amerika geen oplossing van het vraagstuk, waarmede partijen accoord gaan, zou opleveren, wordt aangenomen, dat het niet in strijd met de verbintenis, omschreven in punt 1 zal zijn, wanneer de Nederlandse Regering een compenserende heffing legt op de import van zodanige goederen, gelijk aan het geschatte bedrag van deze subsidiëring, in geval de Nederlandse Regering beslist, dat de subsidiëring van zodanige betekenis is, dat zij belangrijke schade aan een gevestigde nationale industrie toebrengt, of dreigt toe te brengen, dan wel, dat zij het vestigen van een nationale industrie zou verhinderen of in ernstige mate vertragen.
5. De verbintenissen, vervat in deze nota zullen van kracht blijven tot 1 Januari 1951, en tenzij ten minste zes maanden voor 1 Januari 1951 een der Regeringen schriftelijk mededeling aan de andere zal hebben gedaan van haar voornemen om deze verbintenissen op die datum te beëindigen, zullen zij daarna van kracht blijven tot 6 maanden na de datum, waarop zulk een kennisgeving zal zijn gedaan, verstreken zullen zijn.
Ik verzoek U, Excellentie, om de hernieuwde verzekering van mijn grootste hoogachting te willen aanvaarden,
HERMAN BENJAMIN BARUCH.
Zijner Excellentie
Baron C. G. W. H. van Boetzelaer
van Oosterhout,
Minister van Buitenlandse Zaken, Den Haag.
- Regeling
- Overeenkomst tot economische samenwerking tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 28-11-1952
- BWB-id
- BWBV0005678
- Versie
- 1952-11-28_0