Tekst Notawisseling houdende een overeenkomst tussen Nederland en Luxemburg inzake de plaatsing van Nederlandse landarbeiders in Luxemburg
Ministerie van Buitenlandse Zaken
14.4.20
Luxemburg, 25 Augustus 1950.
Mijnheer de Gezant,
Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van Uwer Excellentie's Nota no. 1277 van de 17de Augustus 1950, welke luidt als volgt:
„Na een gedachtenwisseling tussen de bevoegde Nederlandse en Luxemburgse instanties zijn de Nederlandse Regering en de Luxemburgse Regering de navolgende bepalingen overeengekomen inzake de plaatsing van Nederlandse landarbeiders in Luxemburg:
1. In de eerste plaats komen in aanmerking om in Luxemburg geplaatst te worden ongehuwde landarbeiders, afkomstig uit de provincies Noord-Brabant en Limburg, die de Katholieke godsdienst belijden.
Indien in bijzondere gevallen een huis of een behoorlijk gedeelte van een huis beschikbaar is, is er geen bezwaar tegen ook gehuwde arbeiders te plaatsen.
Opgemerkt moet worden, dat het Groot-Hertogdom geen vooruitzichten kan bieden aan boerenzoons, die zich zelfstandig wensen te vestigen. Deze categorie is dan ook niet begrepen in de hierbedoelde plaatsing.
2. In beginsel komt het gehele grondgebied van het Groot-Hertogdom in aanmerking voor duurzame of tijdelijke vestiging van Nederlandse landarbeiders.
De Luxemburgse autoriteiten zullen de Nederlandse landarbeiders alle inlichtingen verschaffen welke voor hen van nut kunnen zijn.
3. De beide Regeringen hebben het voornemen plaatsing van Nederlandse landarbeiders in Luxemburg zoveel mogelijk te bevorderen. Zij komen overeen, dat de voorschriften van de onderhavige notawisseling van toepassing zijn op alle Nederlandse arbeiders, die werkzaam zijn in de Luxemburgse landbouw.
4. Het recruteringswerk in Nederland zal slechts door of met goedvinden van de Nederlandse autoriteiten plaats vinden.
5. Plaatsing van een arbeider enerzijds en zijn indienstneming anderzijds kunnen rechtstreeks tussen de betrokken partijen tot stand komen met inachtneming van de wettelijke of reglementaire voorschriften van beide landen.
6. Overeenkomstig de voorschriften van Artikel 11 van het vestigings- en arbeidsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groot-Hertogdom Luxemburg, gesloten op 1 April 1933, zal de Nederlandse Regering aan de voormelde landarbeiders, die zich in Luxemburg wensen te vestigen, benevens aan de gezinsleden, die hen vergezellen of zullen volgen, alle administratieve faciliteiten verlenen, welke zij nodig hebben.
In het bijzonder zal zij hen voorzien van de nodige identiteitspapieren en paspoorten.
Indien deze landarbeiders of hun familieleden zouden willen terugkeren naar hun land, dan zullen de beide Regeringen hun alle nodige administratieve faciliteiten verlenen.
7. De Nederlandse landarbeiders en hun gezinsleden zullen in Luxemburg, bij gelijk werk en gelijke prestaties, een loon ontvangen gelijk aan dat, wat in Luxemburg doorgaans wordt betaald aan arbeiders van een zelfde categorie in een zelfde streek.
De Regering van het Groot-Hertogdom Luxemburg zal zorg dragen, dat deze gelijkheid van loon in acht wordt genomen.
8. De Nederlandse landarbeiders en hun gezinsleden zullen in Luxemburg gelijke behandeling genieten als de Luxemburgse onderdanen voor zoveel betreft de toepassing van wetten en reglementen welke betrekking hebben op de bestaans- en huisvestingsvoorwaarden en die inzake sociale verzekeringen. Deze gelijkheid van behandeling zal zich ook uitstrekken tot alle bepalingen welke in Luxemburg in de toekomst zouden kunnen worden uitgevaardigd zowel te dien aanzien als inzake arbeids-, gezondheids- en veiligheidsvoorwaarden.
9. De Nederlandse landarbeiders en hun gezinsleden zullen maandelijks het overschot van hun salaris en hun spaargelden kunnen overmaken.
10. Voor het geval de Nederlandse landarbeiders of hun gezinsleden werkloos worden, zal het bevoegde Luxemburgse overheidsorgaan voor arbeidsbemiddeling hun behoorlijk werk trachten te verschaffen, op de wijze als zou geschieden voor de eigen onderdanen met een zelfde beroepsopleiding.
11. Voorzover de kwesties van sociale zekerheid niet zijn geregeld onder punt 8, zullen zij het onderwerp uitmaken van een te sluiten bilaterale overeenkomst.
12. Voor wat betreft de onderhavige regeling, wordt onder „landbouw” mede verstaan: tuinbouw, bosbouw, veeteelt en pluimveeteelt.
13. De bevoegde Nederlandse en Luxemburgse instanties zullen in gemeen overleg de bijkomstige administratieve regelingen treffen, welke nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de onderhavige notawisseling welke de samenwerking van hun diensten vereist. Zij zullen bevoegd zijn rechtstreeks schriftelijk met elkander in verbinding te treden.
- Regeling
- Notawisseling houdende een overeenkomst tussen Nederland en Luxemburg inzake de plaatsing van Nederlandse landarbeiders in Luxemburg
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 25-08-1950
- BWB-id
- BWBV0005661
- Versie
- 1950-08-25_0