wetzoeker

Artikel 123 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd

Strafrechtelijke en tuchtrechtelijke sancties

Onverminderd de bevoegdheid van gerechten en hoge autoriteiten, mag een tuchtrechtelijke straf alleen worden opgelegd door de commandant van het interneringsoord, of door een verantwoordelijk officier of ambtenaar die hem vervangt, of aan wie hij zijn tuchtrechtelijke bevoegdheden heeft gedelegeerd.

Voordat een tuchtrechtelijke straf wordt opgelegd, moet aan de verdachte geïnterneerde nauwkeurig worden medegedeeld van welke feiten hij wordt beschuldigd. Hem zal de gelegenheid worden gegeven uitleg te geven van zijn gedrag, zich te verdedigen, getuigen te doen horen en, zo nodig, de hulp van een bevoegd tolk in te roepen. De beslissing zal worden uitgesproken in tegenwoordigheid van de beschuldigde en van een lid van het Comité van geïnterneerden.

Tussen het aanzeggen van een tuchtrechtelijke straf en de tenuitvoerlegging daarvan mag niet meer dan één maand verlopen.

Wanneer aan een geïnterneerde een nieuwe tuchtrechtelijke straf wordt opgelegd, zal tussen de tenuitvoerlegging van deze twee straffen een termijn van ten minste drie dagen verlopen, indien de duur van één dezer straffen tien dagen of meer bedraagt

De commandant van het interneringsoord moet een register van opgelegde tuchtrechtelijke straffen aanhouden, hetwelk ter inzage moet zijn voor vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid.

Regeling
Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
Afkortingen
Rode Kruis Verdrag, Verdrag van Genève
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
03-02-1955
BWB-id
BWBV0005569
Versie
1955-02-03_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl