wetzoeker

Artikel 76 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

De ruimte voor werktuiglijke voortstuwing omvat de volgende onderdelen:

a. ruimten onder de bovenkant van de hoofdruimte;

b. astunnels of trunken in schroefschepen en vluchtkokers;

c. ruimten tussen de bovenkant van de hoofdruimte en het bovendek;

en kan omvatten:

d. ruimten op of boven het bovendek, bestemd voor het toetreden van licht en lucht.

Ad a, b en c. Deze onderdelen omvatten alle ruimten onder het bovendek gelegen, welke krachtens de bepalingen van artikel 78 en 79 mogen worden beschouwd als ruimten voor werktuiglijke voortstuwing.

De „hoofdruimte” is de ruimte, welke de hoofdvoortstuwingswerktuigen bevat, behalve de ruimten genoemd onder b. Haar bovenbegrenzing is de onderkant van het er boven liggende dek.

Indien echter de aldus omschreven ruimte zich in hoogte uitstrekt tot de onderzijde van een verspringing in hoogte van het dek of een verhoogd halfdek, moet het deel der ruimte, binnen de bovenbouw gelegen, gebracht worden onder onderdeel d (zie de figuren 100 en 101).

Ad d. Dit onderdeel omvat licht- en luchtschachten, gebouwd voor het toetreden van licht en lucht tot het ketelruim en de machinekamer. Tevens omvat het alle andere afgeschoten ruimten ten behoeve van werktuigen, welke volgens de bepalingen der artikelen 78 en 79 beschouwd mogen worden als voortstuwingswerktuigen.

1) Bij voorbeeld zal een deel van een vluchtkoker, op- of boven het bovendek gelegen, onder dit onderdeel gerangschikt, moeten worden (zie figuur 102).

Het brengen van de onder onderdeel d genoemde ruimten in de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing, hangt van de in artikel 77 gestelde voorwaarden af.

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl