wetzoeker

Artikel 16 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

Bij het bepalen van de eindpunten van de meetlengte overeenkomstig het beginsel neergelegd in artikel 15, behoort men de volgende werkwijze te volgen:

1. Bij schepen met een vertikale boeg (of voorsteven) en een vertikaal hek zowel onder als boven het meetdek, meet men horizontaal de diepte der spanten en de dikte van de wegering (indien aanwezig) vóór en achter, onmiddellijk onder het meetdek. Deze afmetingen zet men boven op het dek uit van de huidbeplating af in de richting, waarin de spanten zijn gemeten, en trekt door de aldus verkregen punten lijnen evenwijdig met de huid. De snijpunten van deze lijnen vóór en achter zijn de eindpunten van de meetlengte (zie de figuren 5 en 6).

2. Bij schepen, die geen vertikale boeg (of voorsteven) of geen vertikaal hek ter hoogte van het meetdek hebben, worden de eindpunten van de meetlengte, indien zulks practisch mogelijk is, bepaald aan de onderzijde van het meetdek. De afstand van deze punten tot een luikhoofd, schot, enz., dient gemeten en naar de bovenzijde van het dek overgebracht te worden op de wijze als in figuur 7 is aangegeven.

Wanneer het practisch niet uitvoerbaar blijkt, de eindpunten der meetlengte aan de onderkant van het meetdek te bepalen en wanneer de dikte van dit dek aanmerkelijk is (b.v. bij een houten dek) moet de valling van de boeg (of van de voorsteven) of van het hek over de dikte van het dek in rekening worden gebracht. Dit wordt gedaan, nadat eerst is gehandeld als is aangegeven in lid 1 en verduidelijkt is in de figuren 5 en 6, door meting van de dikte van het meetdek en door het bepalen van de hoek, die de boeg (of voorsteven) of het hek maakt met het meetdek door middel van een zweihaak. Hierna brenge men deze hoek over op een vlak (b.v. een schot of op het dek) door de lijnen a, b, c te trekken (zie figuur 8), en verder handele men, zoals de verklarende noot aangeeft.

Men moet bedenken, dat toepassing van de methode van uitzetten der hoeken aan de bovenzijde van het meetdek slechts mogelijk is, wanneer de voorsteven en het hek boven en onmiddellijk onder het meetdek dezelfde vallingshoek hebben. Indien b.v. de vallingshoeken op- en onmiddellijk onder het meetdek ongelijk zijn, moet de laatstgenoemde hoek gebruikt worden.

3. Heeft een schip als bedoeld in lid 2 een vierkante boeg- of hekvorm, dan zal het nodig zijn een correctie voor dekrondte toe te passen, waar deze aanwezig is. Dit dient gedaan te worden door de dikte van het dek in figuur 8 te vermeerderen met een derde van de dekrondte aan het einde van de meetlengte.

1) Zie ook noot bij artikel 15.

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl