wetzoeker

Artikel 53 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

De meting van de bovenbouw moet op de volgende wijze laag voor laag uitgevoerd worden:

1. De inwendige lengten en breedten moeten genomen worden tot de binnenkant van de op normale afstand van elkaar geplaatste schotstijlen of tot de binnenkant der spanten of tot de beschieting, indien deze aanwezig is en de hoogte van de bovenkant van het onderste dek (of van de bovenkant van de daarop aangebrachte vaste dekbedekking, zoals dekdelen, cement, rubber, enz.) tot de onderzijde van het dek. Indien aan de onderkant van dit dek enig paneelwerk of een gelijksoortige plafond beschieting aanwezig is, moet de hoogte hierdoorheen gemeten worden.

Indien er enige twijfel zou bestaan in hoeverre de afstand tussen de schotstijlen als normaal moet worden beschouwd, moeten de diepte en de afstand van zulke stijlen op de metingstaat worden aangetekend, met een nauwkeurige beschrijving tot waar de maten zijn genomen.

Indien in delen van een bovenbouw de dekbedekking verschillend in dikte is, wordt het verschil in dikte verwaarloosd als het oppervlak van het dek, dat bedekt is met een dikkere laag, klein is in verhouding tot het gehele oppervlak. In andere gevallen wordt een gemiddelde dikte van dekbedekking aangenomen.

2. De bepalingen van artikel 48 betreffende tussendeksruimten zijn van toepassing op de meting van een kampanje of een verhoogd dek, welke zich tot het hek uitstrekt, behoudens de hierna genoemde bijzondere bepalingen.

Lengte 1 bij toepassing van methode 1 of de gehele lengte bij toepassing van methode 2 of 3, moet in een aantal gelijke delen worden verdeeld overeenkomstig de volgende tabel:

Lengte | Aantal delen

15.24 meter = 50 voet, of minder................ | 2

meer dan 15.24 meter = 50 voet, maar niet meer dan 68.58 meter = 225 voet | 4

meer dan 68.58 meter = 225 voet ........................................................... | 6

Indien lengte 1 of de gehele lengte slechts in twee gelijke delen verdeeld is, moeten de hoogten ook aan de eindpunten van deze lengten gemeten worden.

1) Zie noot bij artikel 48, methode 1c.

3. De lengte van andere delen van de bovenbouw (b.v. bak, brug, enz.) moet ook volgens bovenstaande tabel in een aantal gelijke delen verdeeld worden.

De lengte van een bak wordt gemeten van hetzelfde punt bij de voorsteven als in artikel 48, methode 1 is bepaald voor de meting van tussendeksruimten.

De breedten zullen op elk deelpunt en aan de eindpunten van de lengte worden gemeten volgens de daarop toepasselijke bepalingen van artikel 48 en van lid 1 van dit artikel.

2) In geval een bovenbouw, op elk punt van zijn lengte de zelfde breedte heeft, is het voldoende slechts één breedte te meten.

Indien de lengte slechts in twee gelijke delen verdeeld is, moeten de hoogten ook gemeten worden aan de eindpunten van de lengte en voor het overige zullen de desbetreffende bepalingen van artikel 48 en van lid 1 van dit artikel van toepassing zijn.

4. Indien een bovenbouw zich niet van boord tot boord uitstrekt (b.v. dekhuizen en dergelijke) en de schotten zuiver of bij benadering een rechthoek vormen, zal het voldoende zijn om slechts één breedte in het midden van de lengte te meten.

In dat geval zal de wijze, waarop de hoogte moet worden gemeten, afhangen van de plaats van de bovenbouw en van het verschil in dekrondte van het er boven gelegen dek en van het er onder gelegen dek (zie figuur 70).

5. Indien een bovenbouw onregelmatig gevormd is, moet hij in delen worden gemeten.

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl