wetzoeker

Artikel 34 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

De breedten van elke dwarsdoorsnede worden van boven naar beneden genummerd, waarbij de bovenste breedte (ter hoogte van het bovenste eindpunt van de meetholte) no. 1 wordt en de onderste breedte no. 5 of no. 7 naar gelang van de grootte der meetholte.

De breedten worden loodrecht op het langsscheepse middenvlak gemeten op de deelpunten en de eindpunten van de meetholte van weger tot weger, indien deze aanwezig is en zo deze er niet is, tussen de binnenkanten der spanten. De dikte van de wegering wordt eveneens gemeten. De uitstekende delen van stringers, balken of andere uitstekende verbanddelen worden niet als wegering beschouwd (zie figuren 37 en 38).

Indien een lattenwegering in stalen schepen niet onmiddellijk tegen de spanten is aangebracht, is het raadzaam tot de spanten te meten en van de aldus verkregen breedte de dikte van de wegering, horizontaal gemeten, af te trekken.

Indien zich op de plaats, waar een breedte wordt bepaald, geen spant bevindt, wordt deze breedte tot de huid genomen en de horizontale breedte van het dichtsbij zijnde spant aan elke zijde hiervan afgetrokken.

Indien het onmogelijk is een breedte op haar juiste plaats te meten, behoort zij zo dicht daarbij te worden gemeten als mogelijk is. Zeer nauwkeurig moet worden vastgesteld hoe ver boven of onder de juiste plaats de breedte wordt gemeten, en indien nodig, dienen volledige bijzonderheden hieromtrent in de metingstaten te worden vermeld.

Bij meting van de bovenste en onderste breedten, moet rekening worden gehouden met de voorschriften van artikel 37 en 38.

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl