wetzoeker

Artikel 29 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

1 Indien zich in de dubbele bodem of in het bovenvlak van gewone vrangen een of meer verzonken of verhoogde gedeelten bevinden, welke zich niet van boord tot boord uitstrekken, worden deze inzinkingen of verhogingen afzonderlijk gemeten en wordt haar inhoud onderscheidenlijk gevoegd bij- of afgetrokken van de onderdeksinhoud, mits in het laatste geval de verhoging één geheel met de bodemconstructie van het schip vormt. De holte van de dwarsdoorsnede wordt gemeten tot de doorgestrookte bovenkant van de dubbele bodem of van de vrangen (zie de figuren 31 en 32).

2 Indien de buikdenning uitsluitend onder de luikhoofden aanwezig is, behoort deze buikdenning afzonderlijk gemeten en haar inhoud van de onderdeksinhoud te worden afgetrokken. Echter heeft geen aftrek plaats voor de dikte van de buikdenning bij het bepalen van de meetholten van de verschillende dwarsdoorsneden ter plaatse van een luikhoofd (zie figuur 33).

3 Indien er uitbouwsels, zoals schroefasbroeken aan de zijden van het schip aanwezig zijn, moeten de breedten, welke ter plaatse van deze uitbouwsels vallen tot de normale spantlijn worden gemeten. De kubieke inhoud van de uitbouwsels moet worden bepaald en bij de onderdeksinhoud worden gevoegd.

4 Indien bij schepen met een kruiserhek het deel achter het eindpunt van de meetlengte van belang is, wordt de inhoud van deze ruimte bepaald en bij de onderdeksinhoud gevoegd (zie figuur 34).

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl