wetzoeker

Artikel 26 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

Bij het vaststellen, wat hoofdvrangen van het schip zijn of wat de bovenkant van de dubbele bodem is, als bedoeld in artikel 25, moeten de hieronder gegeven aanwijzingen gevolgd worden:

a. Ten aanzien van het deel van het schip, dat gelegen is tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot:

Schepen met enkele bodem

1. De bouw van de bodem met dichte dwarsscheepse vrangen op elk spant, wordt beschouwd als een normale constructie en wanneer deze vrangen zijn aangebracht, moeten zij als de hoofdvrangen aangemerkt worden (zie figuur 11).

2. Indien de bodem is gebouwd met dichte vrangen op een onderlinge afstand van twee of meer spantafstanden en met open vrangen van dezelfde hoogte op de tussenliggende spanten vormen deze vrangen de hoofdvrangen (zie de figuren 12 en 13).

3. Indien de bodem is gebouwd met dichte vrangen om het andere spant geplaatst en tussenliggende lage vrangen of spanten, moet de meetholte gemeten worden op de hoge vrangen (zie figuur 14).

4. Indien de bodem is gebouwd met vrangen van verschillende hoogte, moet worden vastgesteld of de hogere, dan wel de lagere vrangen als de hoofdvrangen moeten worden beschouwd. Als een algemene regel geldt, dat de lage vrangen worden aangemerkt als de hoofdvrangen, indien de hoge vrangen meer dan twee spantafstanden uit elkaar geplaatst zijn (zie figuur 15).

5. Indien in de bodem langsspanten van gelijke hoogte zijn toegepast, moet de bovenkant van de langsspanten aangemerkt worden als de bovenkant van de hoofdvrangen (zie figuur 16).

6. Indien bij de bouw met langsspanten, langsspanten van verschillende hoogte zijn toegepast, geldt hetzelfde als onder 3 en 4 (zie de figuren 17 en 18).

7. Gemengde constructies van dwars- en langsspanten moeten bij het bepalen van de hoofdvrangen vergeleken worden met de onderscheidene constructies als genoemd in de voorgaande leden.

Schepen met dubbele bodem

8. Indien een dubbele bodem is aangebracht, hetzij met dwarsspanten, of met langsspanten, welke uitsluitend is ingericht voor het vervoer van waterballast, moet de meetholte gemeten worden tot de bovenkant van de dubbele bodem, maar indien hij geschikt is voor het vervoer van lading, voorraden of brandstof, moet de meetholte gemeten worden tot de bovenkant van de hoofdvrangen als bepaald onder 1 tot en met 7 voor schepen met enkele bodem (zie de figuren 19, 20, 21 en 22).

In het geval dat de bovenkant van de hoofdvrangen aansluit tegen de bovenbeplating van de dubbele bodem, mag de bovenkant van deze beplating aangemerkt worden als de bovenkant van de hoofdvrangen.

9. De dikte van een buikdenning, als bedoeld in artikel 25, wordt afgetrokken, zelfs indien zulk een buikdenning gelegd is op een dubbele bodem of op vrangen, tot welke de meetholte overeenkomstig bovengenoemde bepalingen niet wordt gemeten.

b. Ten aanzien van de delen van het schip vóór het aanvaringsschot en achter het achterpiekschot gelegen:

1. Indien de vrangen gelijk in hoogte zijn met of lager dan de vrangen of de dubbele bodem, welke onmiddellijk aan het aanvaringsschot c.q. het achterpiekschot grenzen, vormen deze vrangen de hoofdvrangen (zie figuur 23).

2. Indien de vragen hoger zijn dan de vrangen of de dubbele bodem, welke onmiddellijk grenzen aan het aanvaringsschot c.q. het achterpiekschot, moet de meethoogte gemeten worden tot een denkbeeldige lijn, die evenwijdig aan de kiellijn is getrokken op een hoogte overeenkomend met de hoogte van eerstgenoemde vrangen of van de dubbele bodem (zie de figuren 24

1) Piektanks worden niet beschouwd als dubbele bodemtanks, zelfs al lopen de vrangen tot de tanktopbeplating door.

en 25).

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl