Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, zoals gewijzigd door het Protocol van 12 november 1947
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 24-04-1950
- Rechtsgebied
- Internationaal publiekrecht, Internationaal strafrecht, Mensenrechten, Strafrecht
- Ministerie
- Buitenlandse Zaken
- BWB-id
- BWBV0005442
- Versie
- 1950-04-24_0
- SHA-256 bron
- 632532292889c7dcda591e6527c3384613b6b2d73790afa284d611c8dcea2786
Inhoud (20)
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 1
Whoever, in order to gratify the passions of another person, has procured, enticed or led away, even with her consent, a woman or girl of full age for immoral purposes to be carried out in another country, shall be punished, notwithstanding that the various acts constituting the offence may have been committed in different countries.
Attempted offences, and, within the legal limits, acts preparatory to the offences in question, shall also be punishable.
For the purposes of the present Article, the term „country” includes the colonies and protectorates of the High Contracting Party concerned, as well as territories under his suzerainty and territories for which a mandate has been entrusted to him.
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 2
The High Contracting Parties whose laws are at present inadequate to deal with the offences specified in the preceding Article agree to take the necessary steps to ensure that these offences shall be punished in accordance with their gravity.
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 3
The High Contracting Parties undertake to communicate to each other in regard to any person of either sex who has committed or attempted to commit any of the offences referred to in the present Convention or in the Conventions of 1910 and 1921 on the Suppression of the Traffic in Women and Children, the various constituent acts of which were, or were to have been, accomplished in different countries, the following information (or similar information which it may be possible to supply under the laws and regulations of the country concerned):
(a) Records of convictions, together with any useful and available information with regard to the offender, such as his civil status, description, finger-prints, photograph and police record, his methods of operation, etc.
(b) Particulars of any measures of refusal of admission or of expulsion which may have been applied to him.
These documents and information shall be sent direct and without delay to the authorities of the countries concerned in each particular case by the authorities named in Article 1 of the Agreement concluded in Paris on May 18th, 1904, and, if possible, in all cases when the offence, conviction, refusal of admission or expulsion has been duly established.
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 4
If there should arise between the High Contracting Parties a dispute of any kind relating to the interpretation or application of the present Convention or of the Conventions of 1910 and 1921, and if such dispute cannot be satisfactorily settled by diplomacy, it shall be settled in accordance with any applicable agreements in force between the Parties providing for the settlement of international disputes.
In case there is no such agreement in force between the Parties, the dispute shall be referred to arbitration or judicial settlement. In the absence of agreement on the choice of another tribunal, the dispute shall, at the request of any one of the Parties, be referred to the International Court of Justice, if all the Parties to the dispute are Parties to the Statute of the International Court of Justice, and, if any of the Parties to the dispute is not a Party to the Statute of the International Court of Justice, to an arbitral tribunal constituted in accordance with the Hague Convention of October 18th, 1907, for the Pacific Settlement of International Disputes.
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 5
The present Convention, of which the English and French texts are both authoritative, shall bear this day's date, and shall until April 1st, 1934, be open for signature on behalf of any Member of the League of Nations, or of any non-member State which was represented at the Conference which drew up this Convention or to which the Council of the League of Nations shall have communicated a copy of the Convention for this purpose.
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 6
The present Convention shall be ratified. With effect from 1 January 1948 the instruments of ratification shall be transmitted to the Secretary-General of the United Nations, who shall notify their receipt to all Members of the United Nations and to non-Member States to which the Secretary-General has communicated a copy of the Convention.
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 7
Members of the United Nations may accede to the present Convention. The same applies to non-Member States to which the Economic and Social Council of the United Nations may decide officially to communicate the present Convention.
The instruments of accession shall be transmitted to the Secretary-General of the United Nations, who shall notify their receipt to all Members of the United Nations and to non-Member States to which the Secretary-General has communicated a copy of the Convention.
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 8
The present Convention shall come into force sixty days after the Secretary-General of the League of Nations has received two ratifications or accessions.
It shall be registered by the Secretary-General on the day of its entry into force.
Subsequent ratifications or accessions shall take effect at the end of sixty days after their receipt by the Secretary-General.
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 9
The present Convention may be denounced by notification addressed to the Secretary-General of the United Nations. Such denunciation shall take effect one year after its receipt, but only in relation to the High Contracting Party who has notified it.
International Convention for the suppression of the traffic in women of full age.
Article 10
The Secretary-General shall communicate to all the Members of the United Nations and to the non-Member States to which the Secretary-General has communicated a copy of the Convention, the denunciations referred to in article 9.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 1
Gestraft wordt ieder, die, ter voldoening van eens anders lusten, eene meerderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht in een ander land, heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddeelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn.
De poging is eveneens strafbaar. Hetzelfde is het geval, binnen de grenzen der wet, met voorbereidende handelingen.
In den zin van dit artikel omvat het woord „land” de koloniën en protectoraten van de desbetreffende Hooge Verdragsluitende Partij, evenals de gebieden, welke onder haar suzereiniteit staan en die, waarvoor haar een mandaat is toevertrouwd.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 2
De Hooge Verdragsluitende Partijen, wier wetgeving op dit oogenblik nog niet voldoende is tot het strafbaar stellen van de in het voorgaande artikel omschreven feiten, verbinden zich die maatregelen te nemen, welke vereischt worden opdat bedoelde feiten in verhouding tot den ernst daarvan strafbaar worden gesteld.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 3
De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich elkander met betrekking tot iedere persoon van het eene of het andere geslacht, die een van de strafbare feiten, bedoeld in dit Verdrag of in de Verdragen van 1910 en 1921 nopens de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen, zal hebben begaan of gepoogd zal hebben te begaan, indien de bestanddeelen van het strafbare feit in verschillende landen gepleegd zijn of hadden moeten worden gepleegd, de volgende inlichtingen mede te deelen (of gelijksoortige inlichtingen, welke de binnenlandsche wetten en regelingen mogelijk maken te verschaffen):
a) De veroordeelende vonnissen met alle andere nuttige inlichtingen, die nopens den overtreder verkregen kunnen worden, b.v. omtrent zijn burgerlijken staat, zijn signalement, zijn vingerafdrukken, zijn portret, zijn politiedossier, zijn werkmethoden, enz.;
b) Bijzonderheden betreffende maatregelen tot weigering van toelating of tot uitwijzing, welke op hem zijn toegepast.
Deze stukken en gegevens zullen rechtstreeks en onverwijld worden toegezonden aan de autoriteiten van de landen, die bij ieder bijzonder geval betrokken zijn, door de autoriteiten, welke aangewezen zijn overeenkomstig artikel 1 van de Regeling op 18 Mei 1904 te Parijs gesloten. Deze toezending zal, voor zoover mogelijk, plaats hebben in alle gevallen, waarin een strafbaar feit, een veroordeeling, een weigering van toelating of een uitwijzing is vastgesteld.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 4
Indien tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen eenig geschil rijst nopens de uitlegging of toepassing van dit Verdrag of van de Verdragen van 1910 en 1921 en indien dit geschil niet op bevredigende wijze is opgelost kunnen worden langs diplomatieken weg, zal het worden geregeld overeenkomstig de bepalingen, die tusschen de partijen van kracht zijn met betrekking tot de regeling van internationale geschillen.
Ingeval zoodanige bepalingen niet zouden bestaan tusschen de bij het geschil betrokken partijen, zullen zij het geschil onderwerpen aan een scheidsrechterlijke of rechterlijke procedure. Bij gebreke aan overeenstemming ten aanzien van de keuze van een ander gerecht zullen zij, op verzoek van een harer, het geschil onderwerpen aan het Internationale Gerechtshof, indien zij alle partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, en, indien zij niet alle partij bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof zijn, aan een scheidsgerecht, dat samengesteld zal worden overeenkomstig het Haagsche Verdrag van 18 October 1907 nopens de vreedzame beslechting van internationale geschillen.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 5
Dit Verdrag, waarvan de Fransche en Engelsche teksten beide authentiek zijn, zal de dagteekening van heden dragen en zal tot 1 April 1934 kunnen worden onderteekend door ieder Lid van den Volkenbond of door iederen Staat niet-Lid, die zich heeft doen vertegenwoordigen op de Conferentie, die dit Verdrag heeft opgesteld, of aan wien de Raad van den Volkenbond daartoe afschrift van dit Verdrag heeft doen toekomen.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 6
Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. Van 1 Januari 1948 af zullen de oorkonden van bekrachtiging worden overgelegd aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die van de nederlegging daarvan mededeling zal doen aan alle Leden van de Verenigde Naties en aan de Staten, niet-Leden, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 7
Leden van de Verenigde Naties kunnen tot dit Verdrag toetreden. Hetzelfde geldt voor Staten, niet-Leden, ten aanzien waarvan de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties zal besluiten dit Verdrag officieel te hunner kennis te brengen.
De oorkonden van toetreding zullen worden overgelegd aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die van de nederlegging daarvan mededeling zal doen aan alle Leden van de Verenigde Naties, en aan de Staten, niet-Leden, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 8
Dit Verdrag zal in werking treden zestig dagen nadat de Secretaris-Generaal van den Volkenbond twee bekrachtigingen of toetredingen zal hebben ontvangen.
Het zal worden geregistreerd door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond op den dag zijner inwerkingtreding.
De latere bekrachtigingen of toetredingen zullen van kracht worden na afloop van een termijn van zestig dagen van den dag af harer ontvangst door den Secretaris-Generaal.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 9
Dit Verdrag zal opgezegd kunnen worden door een mededeeling, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Deze opzegging zal van kracht worden een jaar nadat zij door de Secretaris-Generaal zal zijn ontvangen en uitsluitend voor de Hooge Verdragsluitende Partij, die haar zal hebben medegedeeld.
Internationaal Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
Artikel 10
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zal aan alle Leden van de Verenigde Naties en aan de Staten, niet-Leden, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden, de opzeggingen, voorzien in artikel 9, mededelen.