II Verdrag nopens het wegverkeer
Technische voorwaarden betreffende de uitrusting van motorrijtuigen en aanhangwagens in het internationale verkeer
a Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel met of zonder zijspan, hetwelk in staat is langs de vlakke weg met een snelheid van meer dan 20 km (12 mijl) per uur te rijden, is voorzien van tenminste twee witte of gele koplichten, welke aan de voorzijde zijn bevestigd en de weg voor het motorrijtuig des nachts bij helder weer over een afstand van 100 meter (325 voet) doelmatig kunnen verlichten.
b Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel, hetwelk in staat is langs de vlakke weg met een snelheid van meer dan 20 km (12 mijl) per uur te rijden, is uitgerust met twee witte of gele getemperde lichten, welke aan de voorzijde zijn bevestigd en zonodig de weg voor het motorrijtuig des nachts bij helder weer over een afstand van 30 meter (100 voet) doelmatig kunnen verlichten zonder andere weggebruikers te verblinden, welke richting het verkeer ook heeft.
Passeerlichten worden gebruikt inplaats van de koplichten zo dikwijls het gebruik van niet verblindende lichten nodig of verplicht is.
c Elk motorrijwiel met of zonder zijspan heeft tenminste een koplicht en tenminste een getemperd licht overeenkomstig de bepalingen onder a en b van dit Deel. Evenwel mogen motorrijwielen met een motor van ten hoogste 50 kubieke centimeter (3.05 kubieke inch) cylinderinhoud van deze verplichting worden uitgezonderd.
d Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel met of zonder zijspan, is voorzien van twee witte stadslichten aan de voorzijde. Deze lichten moeten des nachts bij helder weer duidelijk zichtbaar zijn op een afstand van 150 meter (500 voet) van de voorzijde van het motorrijtuig, zonder dat zij andere weggebruikers verblinden.
Het punt van het lichtgevende oppervlak dezer lichten, dat het verst van de lengte-as van het motorrijtuig verwijderd is, moet zich zo dicht mogelijk bij de uiterste linker- en rechterzijde van het motorrijtuig bevinden en mag daarvan in geen geval verder dan 400 millimeter (16 inch) zijn verwijderd.
Stadslichten zijn des nachts ontstoken zo dikwijls het gebruik van zulke lichten verplicht is en gelijktijdig met de getemperde lichten, indien geen enkel punt van het lichtgevende oppervlak van de lampen der getemperde lichten minder dan 400 millimeter (16 inch) is verwijderd van de uiterste linker- en rechterzijde van het motorrijtuig.
e Elk motorrijtuig en elke achterste aanhangwagen van een samenstel van voertuigen is aan de achterzijde uitgerust met tenminste een rood licht, hetwelk des nachts bij helder weer zichtbaar is op een afstand van 150 meter (500 voet) van de achterzijde van het voertuig.
f het kenteken, aangebracht aan de achterzijde van een motorrijtuig of een aanhangwagen, moet des nachts zodanig kunnen worden verlicht, dat het bij helder weer leesbaar is op een afstand van 20 meter (65 voet) van de achterzijde van het voertuig.
g Het rode achterlicht of de rode achterlichten en het licht voor het kenteken aan de achterzijde zijn ontstoken gelijktijdig met de stadslichten dan wel met de getemperde lichten of de koplichten.
h Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel zonder zijspan, is voorzien van twee rode reflectoren, bij voorkeur niet driehoekig van vorm, welke aan de achterzijde van het motorrijtuig symmetrisch aan weerszijden zijn aangebracht. De buitenste rand van elk dezer reflectoren bevindt zich zo dicht mogelijk bij de uiterste linker- en rechterzijde van het motorrijtuig en mag daarvan in geen geval verder dan 400 millimeter (16 inch) zijn verwijderd. Deze reflectoren mogen zijn ingebouwd in de rode achterlichten, indien deze aan bovenbedoelde vereisten voldoen. Deze reflectoren moeten des nachts bij helder weer, wanneer zij door twee koplichten worden verlicht, zichtbaar zijn op een afstand van tenminste 100 meter (325 voet).
i Elk motorrijwiel zonder zijspan is uitgerust met een rode reflector, bij voorkeur niet driehoekig van vorm, welke aan de achterzijde van het motorrijwiel is bevestigd, al of niet in het rode achterlicht is ingebouwd en voldoet aan de onder h van dit Deel gestelde voorwaarden omtrent zichtbaarheid.
j Elke aanhangwagen en elk geleed motorrijtuig is voorzien van twee rode reflectoren, bij voorkeur driehoekig van vorm, welke aan de achterzijde van het voertuig symmetrisch aan weerszijden zijn aangebracht. Deze reflectoren moeten des nachts bij helder weer, wanneer zij door twee koplichten worden verlicht, zichtbaar zijn op een afstand van tenminste 100 meter (325 voet).
Wanneer de reflectoren driehoekig van vorm zijn, is de driehoek gelijkzijdig met zijden van tenminste 150 millimeter (6 inch), terwijl een hoek omhoog wijst. De buitenste hoek van elk dezer reflectoren moet zich zo dicht mogelijk bevinden bij de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig en mag daarvan in geen geval meer dan 400 millimeter (16 inch) zijn verwijderd.
k Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel, en elke achterste aanhangwagen van een samenstel van voertuigen is aan de achterzijde voorzien van tenminste een stoplicht, hetwelk rood of geel licht geeft. Dit licht wordt ontstoken door gebruik van de bedrijfsrem van het motorrijtuig. Indien het stoplicht rood is en is ingebouwd in het rode achterlicht of daarmede is verbonden, moet zijn lichtsterkte groter zijn dan die van het rode achterlicht. Het stoplicht is niet vereist voor aanhangwagens en opleggers van zodanige afmetingen, dat het stoplicht van het trekkende motorrijtuig van de achterzijde zichtbaar blijft.
l Wanneer een motorrijtuig is voorzien van richtingaanwijzers, moeten deze voldoen aan een der volgende omschrijvingen:
1. een beweegbare seinarm aan weerszijden van het motorrijtuig, welke ter zijde buiten het motorrijtuig uitsteekt en een gelijkmatig oranje-geel tot oranje-rood licht geeft, wanneer de seinarm horizontaal is gericht;
2. een vast oranje-geel tot oranje-rood knipper- of flikkerlicht, aangebracht aan elke zijkant van het motorrijtuig;
3. een vast oranje-geel tot oranje-rood knipper- of flikkerlicht, aangebracht aan weerszijden van het motorrijtuig, zowel voor als achter. De kleur dezer lichten is wit of oranje-geel tot oranje-rood aan de voorzijde en rood of oranje-geel tot oranje-rood aan de achterzijde.
m Behoudens de richtingaanwijzers mag geen enkel licht een knipper- of flikkerlicht zijn.
n Indien een voertuig van verscheiden lichten van dezelfde soort is voorzien, moeten zij van dezelfde kleur zijn en, behoudens voorzover het betreft motorrijwielen met zijspan, moeten twee dier lichten symmetrisch ten opzichte van de lengte-as van het motorrijtuig zijn aangebracht.
o Verschillende lichten mogen in dezelfde verlichtingsinrichting zijn opgenomen, mits elk dier lichten voldoet aan de daaromtrent in dit Deel vervatte bepalingen.
- Regeling
- Verdrag nopens het wegverkeer
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 19-10-1952
- BWB-id
- BWBV0005415
- Versie
- 1952-10-19_0